Kol. 3:12-14 – Bekleed u met de liefde! #samenopreis

februari 5, 2018

Gemeenteproject                         #4 februari

‘Ga met God’                        Samen op reis

Preeksamenvatting – Samen op reis – Ds. Dreschler

Wanneer je op reis gaat denk je na over de kleren die je aantrekt.

We gaan op reis, en dan gaan we samen op reis. Samen onderweg.

Let dan niet op de ander! Of hij/zij het wel goed doet.

Je let op jezelf: dat je de vuile en vieze kleren uittrekt.

Dat je allereerst je bekleedt met de liefde van Christus (doophemd!)

En vervolgens zegt Paulus: kleed je met

* innig medeleven – van harte meeleven met anderen

* goedheid – vriendelijk voor elkaar zijn.

* bescheidenheid – niet allereerst aan jezelf denken

* zachtmoedigheid – uit liefde onrecht dragen

* geduld – geduld met elkaar hebben.

* verdragen – accepteer elkaar.

* vergeven – vergeef elkaars fouten.

Kies iets uit wat je deze week voor een ander zou kunnen doen.

Een gesprekje, een appje, een glimlach, een bezoekje, een klusje, wie stuur je een kaart?

Daarbij zijn we allemaal verschillend: iedereen draagt andere kleren.

Maar door de band (riem!) van de liefde zijn we toch één in Christus.

Daarbij willen we het verkeerde niet goed noemen. Maar de strijd aan gaan tegen het kwaad.

Zodat het goede en de liefde mag groeien en we samen als pelgrims onderweg zijn (Opw. 378):

Wij zijn onderweg als pelgrims, vinden bij elkaar houvast.

Naast elkaar als broers en zusters, dragen wij elkanders last.

Dan zal het volmaakte komen als wij zingend voor Hem staan.

Als wij Christus’ weg van liefde en van lijden zijn gegaan

Gespreksvragen

  1. Je draagt waarschijnlijk geen doophemd, maar heb jij manieren waarop je steeds aan de liefde van Christus herinnerd kan worden?
  2. Herken je het dat je soms toch op de ‘kleren van een ander’ gaat letten. Hoe kun je voorkomen dat je er steeds op let of anderen genoeg voor jou doen?
  3. Zou je de lijst met kledingstukken nog aan kunnen vullen vanuit andere teksten in de bijbel?
  4. Welk kledingstuk vergeet jij snel? Wat is je zwakke kant als het gaat om liefde voor de naaste?
  5. Kun je bij de zeven verschillende kledingstukken (medeleven, geduld, etc.) concrete voorbeelden bedenken van hoe je dat zou kunnen doen in de kerk?
  6. Hoe voorkom je dat je zelf ‘uitgeput’ raakt of te weinig aandacht hebt voor jezelf? Hoe geef jij je grenzen aan?
  7. Op welke manier zou je meer aandacht voor elkaar kunnen hebben bij de verschillende activiteiten in de gemeente? Dat je echt luistert naar elkaar?
  8. Wie kun jij komende tijd helpen? Voor wie kun je aandacht hebben? Wat kun je doen?

 

Preek gehouden Heemse, 4 februari 2018

Tekst: Kolossenzen 3:12-14

 

Geliefde gemeente van Jezus Christus,

[dia 1] Welke kleren heb je vandaag aangetrokken?

En als je op reis gaat: welke kleren stop je dan in tas?

Als je de juiste kleren heb krijg je het niet koud, maar blijf je warm.

Als je genoeg kleren meehebt: kun je ook een ander die het koud geeft warmte geven.

[dia 2] Vandaag maken we weer een stap met het jaarthema ‘Ga met God’. We vervolgen onze reis. Aan de schilderijen zie je wat we eerder hebben bedacht: Je wilt gaan met God, je zoekt de route, je gaat met gevouwen handen: maar vandaag zie je dat er meerdere mensen op het schilderij staan. We gaan ook samen op reis. Als gemeente zijn we samen onderweg. Met jong en oud, man en vrouw, gezond en ziek, opgewekt en bedroefd, zeker en onzeker. Allemaal mogen we op weg gaan.

[dia 3] Wanneer we het dan hebben over samen op reis, dan kan het zomaar gebeuren dat je hier in de kerk zit, dat je op een activiteit bent, dat je misschien wel thuis zit en dat je dan gaat zeggen: samen op reis, dat betekent dat de ander wat voor mij moet doen. Dat je zegt: zij mag mij wel eens zien staan, hij mag wel wat voor me over hebben, ik verwacht wel dat de ouderling komt, dat iemand mijn facebook of instagramberichtje liket, ik verwacht wel dat de diaken wat voor mij gaat doen, ik verwacht wel dat er een kaartje komt op mijn verjaardag, ik verwacht wel dat iemand aan mij vraagt hoe het met me gaat en hoe het met me is. Als je met die houding samen op reis gaat, dan kun je snel teleurgesteld raken, uitgeput raken, het koud krijgen, en raakt je energie snel op. Vandaag hebben we het over de kleren die je aan mag doen voor de reis: en dan gaan we er niet op letten welke kleren de ander aan moet trekken. Wat de ander moet doen. Want hoewel je hopelijk soms merkt dat die ander iets moois voor jou doet, bid ik dat je vooral zelf kleren mag aantrekken waarmee je veel voor de ander kan betekenen.

 

[dia 4] Dus niet op de ander letten, wat die voor jou kan doen, behalve… Er is er één op wie je wel mag letten. Daarmee begint de gezamenlijke reis zelfs. Want Jezus Christus kwam naar deze wereld. Hij gaf zijn lichaam en bloed, heel zijn leven, Hij had lief tot in de dood, wat we volgende week ook zullen zien en proeven in brood en wijn. Als je energie soms opraakt, als je verdrietig bent van je zonde, als je teleurgesteld bent in anderen: kijk dan naar Jezus Christus. In Hem raak je nooit teleurgesteld. Hij is trouw aan wat Hij beloofd heeft. Hij wil alle zonden weg doen. De oude kleren mag je uittrekken. Ook als we boos, woedend, driftig waren om wat de ander gedaan had. Als we gevloekt en gescholden hebben. Al die oude plunje mogen we afleggen: ontucht, zedeloosheid, hartstocht, lage begeerten en hebzucht. Al die dingen waar we zelf beter van willen worden. Waarmee je niet het goede van de ander zoekt, maar waarmee je juist de naaste uitbuit, kleineert, minder vindt. Christus zegt: dat oude leven is gestorven. Dat mag mee in het graf. Vergeet dat! Trek die oude kleren uit. Christus is voor jouw zonden gestorven.

 

[dia 5] Als je dan helemaal opnieuw begint, wat voor kleren trek je dan als eerste aan? Vroeger wanneer iemand als volwassene gedoopt werd, dan ontving hij wel eens een doophemd. Dus geen doopjurk, maar een hemd dat je aan kon trekken onder je gewone kleren. Het is bij voorkeur van linnen, met daarop een symbool dat verwijst naar Christus of naar God. Een hemd, waarvan een ander niet wist dat je het droeg. Maar dat kon je dragen, zodat je wist: ik weet dat ik mijn oude kleren heb uitgedaan. Dat ik nieuwe kleren aan mag trekken, maar dat ik allereerst me mag kleden met de liefde van Christus. Door Hem mag ik elke dag weer een nieuw begin maken. Ik mag leven van de vergeving en van zijn liefde. Wanneer je dus op een ander wil letten: let dan allereerst op Christus. Trek ’s morgens allereerst die kleren aan: draag zijn liefde als eerste laag kleding, zodat dat de basis mag zijn van je bestaan. Dat je allereerst door zijn trouw, warmte in je leven mag ontvangen. En wat je dan ook doormaakt, als je eenzaam bent, vecht tegen de zonde, druk, vermoeid of vol energie, ziek of gezond: denk dan aan deze woorden: Omdat God u heeft uitgekozen, omdat u zijn heiligen bent en omdat hij u liefheeft …. Daarom word je aangespoord om veel andere kleren aan te trekken, om veel voor anderen te betekenen. Vanuit de vergeving, vanuit zijn verkiezende liefde.

 

Welke kleren wil God dan dat je aantrekt:

1) Het eerste kledingstuk dat je aan mag trekken is innig medeleven. Met medeleven bedoelt Paulus dat je oog hebt voor de ander. Dat je door gebed, door een kaartje, met woorden en daden meeleeft met de situatie waar hij of zij mee te maken heeft. Dat je medelijden hebt met mensen die in de ellende zitten. Dat je dan ook probeert om te helpen. Het bijzondere is dat er staat: innig meeleven. Het is iets dat vanuit je binnenste, uit je hart komt. Zoals wij zeggen: van harte gefeliciteerd, zo mag je zeggen: ik wil jou van harte dienen. Ik ben bewogen met wat jou overkomt. Dezelfde woorden worden gebruikt als de vader zijn verloren zoon in de armen sluit. Hij had jaren op hem gewacht, hij had allerlei verwijten kunnen maken: maar hij krijgt juist medelijden met zijn zoon, rent op hem af en sluit hem in zijn armen.

2) Het tweede waar je je mee mag bekleden, is met goedheid. Waar in vers 8 gezegd werd dat je alle slechtheid, alle toorn en woede af mag leggen, staat hier: trek juist de goedheid weer aan. Goedheid vraagt een keus: kies je ervoor de ander lief te hebben? Zoals God een genadige houding heeft tegenover zondaren, een houding die we niet altijd kunnen begrijpen, maar Hij nodigt zondaren aan tafel. Wanneer we vol zijn van goedheid groeit er vriendschap. Een heel mooi en duidelijk voorbeeld van goedheid is de barmhartige Samaritaan: hij toonde zijn liefde voor de man die gewond op de grond was. Ook al hoefde het niet, koste het hem tijd en geld, was die man van een ander volk: hij toonde zijn goedheid voor de naaste.

3) Kleed u vervolgens ook met bescheidenheid. Dat betekent dat niet jezelf altijd het belangrijkste vindt, nee: in de bus, in de klas, in de supermarkt gaat de ander voor. Je staat niet zelf in het middelpunt, met jouw belangen en jouw gelijk. Je slaat jezelf niet op de borst. De farizeeër vond dat hij wel recht had op vergeving en maakte zich groot, de tollenaar maakte zich klein en vroeg bescheiden om genade. Wie met die houding komt aan het avondmaal, die wordt zeker door God vergeven! Wat gebeurt er ontzettend veel in de gemeente waarbij kosters, ambtsdragers, commissieleden, mensen die copieren en in de tuin werken, musici, en velen anderen zich belangeloos inzetten voor de opbouw van de gemeente. Wat geweldig hoeveel werk er in stilte gebeurt, hoeveel meeleven er is. Tegen wie zo in bescheidenheid zijn plekje aan de tafel zoekt, zegt Jezus: kom hogerop!

4) Het volgende kledingstuk dat we tegenkomen is ‘zachtmoedigheid’. Wie zachtmoedig is, is bereid om onrecht te verdragen. Jezus werd als een lam naar de slachtbank geleid, Hem werd het grootste onrecht gedaan, maar Hij verdroeg het. Je hebt misschien wel ergens recht op, maar als je zachtmoedig bent, kies je ervoor, uit liefde, niet omdat het moet, om niet op je rechten te gaan staan. In plaats van dat je boosheid en toorn aanwakkert, beteugel je je toorn en blijf je rustig. Ook als iemand andere politieke opvattingen heeft, tegen je auto is aangebotst, wegloopt zonder iets te zeggen: kleed je met zachtmoedigheid!

5) Een ogenblik gaat dat misschien wel. Maar wat kan dat moeilijk zijn als het langer duurt. Om misschien jaren lang onrecht te verdragen. Denk aan Jeremia die jarenlang bedreigd werd en genegeerd werd omdat hij de boodschap van God moest brengen. Om langdurig iets te verdragen of het goede te doen, heb je geduld nodig. Wie met anderen op reis gaat, mag zich ook wel kleden met veel geduld.

Dat is niet makkelijk. Ik las in een boekje over een man die een doodziek kind had en bij de dokter kwam. De dokter had middagpauze en hij moest maar even gaan zitten. Hij stond in tweestrijd: ga ik schelden, ga ik opkomen voor mijn kind, word ik woedend. Of probeer ik ook nu rustig te blijven, het vloeken en tieren achter me te laten, en geef ik rustig en duidelijk aan wat er aan de hand is en ga ik in de wachtkamer zitten.

6 en 7) hangt nauw met elkaar samen. Christus vraagt van ons om elkaar te verdragen en te vergeven. Toen Jezus aan het kruis hing, bad hij voor de mensen die hem kruisigden. Ze weten niet wat ze doen, zei hij. Zo nam Stefanus dat voorbeeld over en bad voor de mensen die hem stenigden. Zo hoop ik dat je ook bidt voor degenen die verkeerde dingen hebben gedaan. Dat je de kracht krijgt te verdragen en te vergeven. Vanuit de liefde die Christus gegeven heeft.

 

Want die band hebben we wel allemaal nodig! Al die kledingstukken kunnen zomaar afzakken, gaan wapperen, uit elkaar vallen, verkeerd begrepen worden, als je niet vergeet wat je eronder draagt: het doophemd. De liefde van Christus. Houd van elkaar. Want de liefde maakt van jullie een volmaakte eenheid. Die liefde is de basis en die liefde mag ook een soort gordel vormen. Zodat die liefde de verschillende kledingstukken bij elkaar houdt.

 

Wil dat zeggen dat we alles maar met de mantel van de liefde moeten bedekken? In die uitdrukking klinkt iets verkeerds door. We willen als gemeente dingen die verkeerd zijn, ook verkeerd noemen. God vertoornt zich over zonden: wil dat er een einde komt, wil dat er eerlijk recht gesproken wordt, wil niet dat wat kwaad is met de mantel der liefde bedekt wordt, maar dat het kwaad uit het midden wordt weggedaan. Juist mannen en vrouwen die slachtoffer geworden zijn vinden bij hem bescherming.

 

Ik hoop dat je vandaag iets kiest. Wie ga je een kaartje sturen? Wie zou je kunnen helpen deze week? Wat zou je dan kunnen doen? Een gesprekje, een glimlach, een telefoontje, aandacht voor een jongere, een bezoekje aan een oudere, even een appje of een telefoontje. En dan zijn we allemaal anders: je vormt een team, zodat je elkaar aan kan vullen. Wanneer de één iets niet in zijn rugtas heeft zitten, heeft een ander er wel aan gedacht. We hebben ook allemaal verschillende kleren aan. Wat de één aan heeft, ziet er bij een ander misschien niet uit. We hoeven ook niet allemaal hetzelfde te worden. We zijn heel verschillend. Maar dat maakt juist dat we elkaar kunnen helpen en dat ieder op zijn eigen manier, in zijn eigen taal met zijn eigen Geest iets van Jezus liefde mag doorgeven.

 

Maar wie zich kleed met de liefde, wie die liefde bijeenhoudt door de band van de liefde, door Jezus Christus: die kiest ervoor om samen een gemeente te vormen. Die kiest ervoor om, door soms bittere ervaringen heen, zich toch in te zetten voor de naaste. Die pakt z’n tas in met deze kledingstukken zodat je samen op reis kunt. Ook als er soms een heel moeilijk moment is, als we rouw en ziekte kennen. Misschien moet je wel weer een nieuwe start maken. Bemoedig elkaar om mee te gaan, om vol te houden.

 

Wij zijn onderweg als pelgrims,

vinden bij elkaar houvast.

Naast elkaar als broers en zusters,

dragen wij elkanders last.

 

Dan zal het volmaakte komen

als wij zingend voor Hem staan.

Als wij Christus’ weg van liefde

en van lijden zijn gegaan.

Amen

 

 

 

Advertenties

Spreuken 12 – Wees wijs! (jongeren)

januari 30, 2018

Preek Heemse, jongeren, 28-1-2018
Tekst: (1) Spreuken 12:1,2

Geliefde gemeente van Jezus Christus,
Afgelopen week hebben we op catechisatie, tijdens het catecheseproject, nagedacht over jezelf ontwikkelen. Doordat je naar school gaat, maar ook als je werkt, maar zelfs als je heel oud bent en er komen dingen op je weg, ontwikkel je je. Op school leer je steeds meer wie je bent, wat bij je past, wat je niet goed kunt en wat juist wel. Op je werk leer je van wat je doet, niet voor niets worden voor veel banen mensen met ervaring gevraagd. Maar ook als je ouder bent kun je nog steeds leren: als je leert om met een computer om te gaan of een tablet, op hoge leeftijd. Je bent nooit te oud om te leren!
Wat wel een probleem kan zijn, is dat je niet wil leren. De jongeren reageren: onzin dat je dom bent als je niet wil leren (zie beamer). En het kan inderdaad zo zijn dat je niet wil leren: Je hebt het altijd zo gedaan en je staat niet open voor iets nieuws. Of je denkt: ik kom mijn tijd wel door op school, kan mij boeien wat die leraren allemaal willen zeggen. Ik draai me nog een keer om in bed, en als ik op school ben dan luister ik echt niet. Ik luister wel naar mijn muziek of chil wat met mijn vrienden, maar wat leren: daar heb ik echt geen zin in. Toch zegt Spreuken: ‘Als je zo doet, dan ben je eigenlijk een domme koe.’ Ik weet niet hoe dom en koe is, maar hier staat dat wie niet wil leren lijkt op het vee, op een koe dus. De vertaling heeft er van gemaakt: die is dom. En het is ook niet zo vreemd dat dat er staat: wie niet leert, wie niets aan wil nemen van een ander, die wordt niet slimmer of wijzer, die blijft dom. En je mag vers 2, de tweede helft daar wel aan vast koppelen: wie alleen maar aan zichzelf denkt en niets van de ander over wil nemen. Wie plannetjes maakt waar hij zelf beter van wordt: die wordt niet alleen dom genoemd: De Here veroordeeld dat ook. De Here wil niet dat je zo in het leven staat.

Hoe wil Spreuken het dan wel? Spreuken prijst degene die verlangt naar kennis. Wie graag wat wil leren. Wie luistert naar wat er verteld wordt. Wie een correctie, een aanwijzing, een opmerking hoort, ter harte neemt: die wordt door Spreuken geprezen. Dan ben je wijs en verstandig. Die is een goed mens en geniet ook de gunst van God. God glimlacht als jij steeds meer te weten wil komen. Als je wil groeien in kennis: kennis op school, kennis van het leven, kennis van mensen, kennis van God.

Er staat letterlijk: als je van vermaningen houdt, dan houdt je van kennis. Het is wel mooi dat het er samen staat. Vermaningen zijn een weg, om tot het doel ‘kennis’ te komen. De vermaningen zijn zelf misschien niet leuk, maar het doel is wel leuk. Vergelijk het met dat je een uitstapje maakt: je gaat skiën in Winterberg. Dan moet je eerst heel vroeg je bed uit, anders kom je er niet op tijd. Vind je dat leuk? Om 4:00u opstaan? Ik denk niet voor een gewone dag, maar als je dan kan skiën en een gave dag kan hebben dan wil je wel om 4:00 opstaan. Om vier uur opstaan is de weg om, tot het doel: tot het skiën te komen. Zo zal het niet altijd leuk zijn om huiswerk te gaan doen, om te horen van je ouders dat je je schermpje weg moet leggen, is het niet altijd leuk om van een leraar of dominee van alles moeten aanhoren. Wie zich afsluit blijft ‘even dom, even slim als hij is’, maar wie zegt: ik wil graag leren, die wordt zelf een wijs en verstandig iemand. Die kan wat bereiken in het leven, die leert met mensen omgaan, die wordt tijdens zijn werk iemand waar je wat mee kunt. Die zal ook als hij al oud geworden is profiteren van de kennis die hij al jong heeft opgedaan. Gefeliciteerd als jij houdt van onderricht, want dan houd je van kennis en deel je als goed mens in de liefde en gunst van God!

Tekst: (2) Spreuken 12:15,16
Heeft geloof te maken met je dagelijks leven? Ga met God: heeft dat alleen te maken met bidden, zingen, naar de kerkgaan en bijbellezen? Of kun je op je werk, thuis en op school ook iets met je geloof? Ga je dan ook met God? In Spreuken lees je wijsheid voor elke dag. Wie christen is mag zich laten voeden met de wijsheid van God. Daar kun je elke dag wat mee.
Je vriendin maakt een opmerking waar je heel chagrijnig van wordt: jij doet altijd zo chagrijnig. Jij hebt echt geen smaak met die broek aan. Je collega zegt: wat werk je langzaam. Of: jij had dat echt niet goed schoongemaakt. Je krijgt een appje binnen waarin jij de schuld krijgt van wat er mis gelopen is.
Een bericht, allemaal opmerkingen waar je behoorlijk geïrriteerd van kan raken. Je hebt in je hoofd al tien antwoorden klaar: moet jij eens naar jezelf kijken joh! Moet je horen wie het zegt! Weet je wel hoeveel tijd ik eraan besteed hebt! Vind je dit langzaam: ik doe het liever goed dan dat ik het afraffel.
Maar wat is nu verstandig. Hoe reageer op een goede manier, thuis, in de klas of op school? Wie zich niet kan beheersen die zal er direct uitgooien wat hij denkt. Die zal zijn emoties niet kunnen beheersen en een discussie beginnen: en dan komt er zomaar ruzie, gaat het zomaar van kwaad tot erger, zeg je dingen die je beter niet had kunnen zeggen. Ik denk aan een jongen die op straat zonder reden uitgescholden werd: toen hij gelijk heel boos reageerde liep het helemaal uit de hand. Hij had ook zijn schouders op kunnen halen en niet kunnen reageren.
Daarom zegt de spreuk ook: wie verstandig is, zwijgt als hij beledigd wordt. Of, met een andere vertaling, een verstandig iemand houdt zijn afkeer voor zich. Iemand anders dacht bij deze spreuk aan een andere spreuk die zegt: wie verstandig is, die slaapt eerst een nachtje over zijn reactie. Dat zal niet altijd makkelijk zijn: soms flap je er zomaar wat uit, zeker als je thuis bent. Je moet dan sterk zijn om je te beheersen! Toch is dat waar je een verstandig iemand aan kan herkennen. Een Joodse spreuk zegt: een dwaas herken je eraan dat hij zich niet beheerst in het drinken, niet beheerst in het uitgeven van geld en ook niet beheerst in zijn reactie op kritiek.
Maar wie wijs is, beheerst zich dus. Die is stil, of wacht op een juist moment om iets te zeggen. Denk erover na wat er nu precies gezegd of geappt is. Als je ontdekt: ik moet hier iets mee, dan kan het goed zijn om boos te worden: onrecht moet soms aan de kaak gesteld worden. Als je ontdekt: het klopt niet en hij heeft het mis. Denk er dan niet over na en laat het voor wat het is. Als je er steeds weer over nadenkt wordt het alleen maar groter voor je.
Eigenlijk kom je terug bij wat hiervoor stond: een wijze neemt adviezen ter harte. Die luistert. Maar een dwaas luistert nooit, die reageert zonder na te denken. Zelfs als hij richting een afgrond loopt neemt hij je adviezen niet ter harte. Hij doet alleen wat wijs is in zijn eigen ogen: hij is eigenwijs.
De Here Jezus heeft ons ook geleerd om als iemand je op de wang wil slaan, niet direct terug te slaan, maar eerder de andere wang toe te keren (Mat. 5:38). En Paulus leerde om als je boos wordt niet te zondigen. Spreek geen verkeerde, maar goede en opbouwende woorden. Die goed die aan wie ze hoort! Ik hoop dat je zo door de Geest steeds meer leert om in liefde en in wijsheid op je naaste te reageren!

Spreuken 12:9,24

Geloof en dagelijks leven hebben met elkaar te maken. Je ziet dat heel duidelijk aan deze spreuken. Voor veel spreuken hoef je echt geen christen te zijn om het te herkennen. Maar God heeft de mensen gemaakt, heeft jou, u en mij gemaakt. Hij leert ons dat ook via Koning Salomo hoe je het beste in het leven kan staan.
Vers 9 lijkt wel voor onze tijd geschreven. Een tijd waarin mensen soms meer kopen dat ze kunnen betalen. Vroeger was het al zo dat een Israëliet heel veel mensen in kon huren, dan leek hij heel belangrijk. Maar hij moest ze allemaal betalen en dan had hij misschien helemaal geen geld over om zelf brood te kopen. Ik ken het verhaal van iemand die een eigen bedrijf had, en toen een hele dure mercedes kocht: uiteindelijk had hij wel een auto voor de deur staan, maar had hij zoveel schulden dat hij geen brood meer kon kopen en zijn bedrijf failliet ging. Je kunt op grote voet leven: te dure kleren kopen, te veel uitgeven bij de Mediamarkt, een te groot huis kopen met hoge maandlasten. Maar als je dan in de schulden komt moet je het flink bezuren. Nee; wees dan liever wijs en verstandig. Dan kun je beter gewoon je werk doen op je land met misschien een knecht, en dan nog wat geld overhouden voor de dagelijkse dingen. Dan krijg je misschien niet veel roem of eer of aanzien, maar dan ben je wel verstandig.
Als je dan maar trouw je werk doet … zal het goed met je gaan, krijg je misschien meer personeel of een leidinggevende functie. Dat zegt vers 24. Want wie lui is, wie te beroerd is om zijn nest uit te komen, wie de kantjes ervan afloopt, die zal op de blaren zitten. Die zal een slavenbestaan hebben: moeten doen wat anderen zeggen. Een aansporing van Spreuken, net als op andere plaatsen om je in te zetten: wees ijverig, en niet lui. Dat betekent niet dat je als maar door moet gaan. Of werken tot je erbij neervalt. Of heel haastig werken. Maar gewoon je werk doen als dat gevraagd wordt, dan mag je daar zegen over verwachten.

Ik hoop dat je zo regelmatig eens een spreuk leest, hem overdenkt en er eens op kauwt. Dan kun je steeds meer ontdekken van hoe je wijs in het leven kan staan. Dan ga je steeds meer op Jezus lijken: Hij wordt immers de wijsheid van God genoemd. Als Jezus de wijsheid van God is, hoop ik dat je elke dag dicht bij Hem gaat. Dan besef je ook dat al deze adviezen je niet op eigen kracht lukken. Soms je kun je zo weinig energie hebben, soms voel je je wel alleen en pijn gedaan door wat mensen zeggen, soms heb je geen zin om opmerkingen van anderen aan te nemen … denk dan maar aan wat Jezus deed. Hij zegt: de weg van het leven ben ik al gegaan. Ik heb alle opmerkingen willen dragen, ik ben de minste geweest hoewel ik zelf God was, ik heb alles los gelaten: zodat je uiteindelijk door mij in eeuwigheid het goede leven zult krijgen. Zo hoop ik dat u en jij je werk mogen doen, mochten doen in alle wijsheid en tenslotte eeuwig met Jezus zullen regeren op de troon! Amen.


Johannes 1:50,51 – Volg Jezus na!

januari 15, 2018

Preek Heemse/Hardenberg, 14 januari 2017
Tekst: Johannes 1:51

[#1] Geliefde gemeente van onze Heer Jezus,
Ben je religieus? Dat kan iemand je vragen. En dan zegt iemand misschien: nee, ik geloof niet dat er een God of hogere macht bestaat. Of iemand zegt: ja ik geloof wel dat er iets is. Misschien geen God die uit de hemel kijkt en ziet wat je doet, maar wel dat er iets meer is tussen hemel en aarde.
Ben je christen? Ook dat is een andere vraag! Je kunt religieus zijn. Weten dat er een God is. Aannemen dat hij bestaat. Maar dan verandert er nog niet zoveel in wat je doet en in hoe je leeft: Christus is een persoon! Hij zegt ‘Ik ben je redder’, Hij roept je ook op om werkelijk met Hem te leven, om in beweging te komen, om te gaan met Hem …

[#2] Volg Jezus na!
1. Kom en zie
2. Geloof
3. Verwacht

[#3 Kom] Johannes de Doper had tegen zijn leerlingen gezegd: die na mij komt is meer dan ik! Hij is het Lam van God. Wanneer Jezus dan langs de Jordaan wandelt dan zijn er al twee die graag bij Jezus willen zijn. Andreas en nog één leerling vragen Jezus: ‘Waar logeert u?’ Ze willen graag met Hem mee. Ze mogen dan de hele dag bij Jezus zijn en van Hem horen. Zij gaan naar het huis van Jezus toe.
Later als Jezus dan naar Galilea gaat, ontmoet Hij Filippus. Jezus is het, die Filippus uitnodigt. Kom, Filippus, volg mij! Zet de stap, om je dagelijkse dingen achter je te laten, om nu Ik er ben ook van Mij te horen, met mij door het land te trekken. Om aan de slag te gaan in mijn omgeving.
Zo worden ook wij geroepen. Niet meer door de stem van Jezus die je kunt horen, maar wel door deze Bijbeltekst en in deze preek. Hoe je leven er ook uit ziet, waar je nu ook bent, wat je ook meemaakt: Jezus kent je, en Hij roept je: Kom! Volg mij! Om echt christen te zijn en met Jezus verbonden te leven, moet je niet voor Hem weglopen, niet je eigen weg gaan, niet volgende week te gaan bidden, of het naar de kerk gaan uit te stellen, maar om te luisteren naar zijn stem: Kom! Kom bij Mij! Kom nu!
[#4] Uit het vervolg wordt duidelijk dat Filippus ook werkelijk met Jezus meegaat.
De andere twee leerlingen, die gevonden hadden waar Jezus logeerde, waren tot de avond bij Jezus gebleven waren. Misschien bewonder je ook wel iemand: een voetballer, een vlogger, een zangeres: dan wil je ook graag bij hem of haar zijn. Zo zal Filippus, samen met Andreas en Petrus, twee dorpsgenoten van Hem, veel bij Jezus geweest zijn.
En als christen geworden bent, dan is dat niet iets om voor jezelf te houden.
Andreas had net al tegen zijn broer Petrus gezegd: We hebben de Messias, de Christus gevonden! Juist je naaste familieleden gun je het om het geheim van het geloof te leren kennen. Wat kan het soms zoeken zijn hoe je het kan delen, om niet te opdringerig of te teleurgesteld te zijn, maar wat mooi als je toch door je gebed, door een opmerking of door een uitnodiging laat zien dat je voor je kind, je broer of zus bidt en je het zo gunt dat ze, voor het eerst, of opnieuw, Jezus gaan volgen, met Hem op weg zijn.
Ook Filippus is enthousiast en hij komt Natanaël tegen. Moet je nu toch horen! Ik heb Hem gezien. De man over wie Mozes geschreven heeft. Waar de profeten over geprofeteerd hebben. Omdat hij zo goed thuis was in de bijbel kon hij Jezus herkennen. Jezus, de zoon van Jozef, uit Nazaret. Hij is de Messias! Kom ook in beweging, ga ook mee, volg Hem ook na!

[#5] Niet alleen vandaag is het soms moeilijk om te geloven of het allemaal wel waar is, ook toen nam men het niet klakkeloos aan. Het zal wel, zal Natanaël gedacht hebben. Hoe kan dat nu? Jezus uit Nazaret. Uit zo’n onbeduidend dorpje (hij weet nog niet dat Jezus in Bethlehem is geboren!). Hij kwam zelf uit de grotere plaats Kana. Kan uit zo’n gehucht iets goeds komen … Jij zegt misschien: kan uit Westerhaar iets goeds komen… Of misschien zeggen ze wel in Zwolle … kan uit Heemse iets goeds komen?
Zo kun je als christen vragen hebben bij het geloof, we hadden het er nog over op catechisatie: waarom geloof ik in Jezus en niet in Mohammed. Waarom zou ik de bijbel aannemen en niet de geschriften van de Hindoes? Klopt het eigenlijk wel dat Jezus de Messias is, of hebben we (net als de Joden geloven) nog een Messias te verwachten? Het is goed om over vragen na te denken. Het is niet verkeerd dat Natanaël zich afvraagt of het wel klopt. Hij denkt kritisch na.

[#6] Hoe kun je nu gaan geloven? Ga zelf maar kijken! Zegt Filippus tegen Natanaël. Kom en zie, ga maar op onderzoek uit. Kom maar luisteren naar Jezus, kijk maar wie Hij is en wat Hij doet. Dat is het enige dat nodig is: met Filippus meegaan, luisteren naar die oproep om te komen en dan zul je het zien, dan zul je het ontdekken: het is echt waar, Jezus is de Messias. Dat is ook wat voor ons nodig is, aan het begin van 2018. Kom naar Jezus toe. Als je je afvraagt: heeft het echt zin om te geloven?
Verandert er werkelijk iets in mijn leven, als ik Hem ken?
Kan Hij niet een duidelijker teken geven dat Hij er is?
En misschien heb je al wel heel vaak het opnieuw geprobeerd, maar raak je elke keer weer teleurgesteld. Mag ik het werkelijk van Hem verwachten?
Toch klinkt hier die oproep, kort en rechtsreeks: Kom en zie! Want Jezus roept U, Hij roept jou, loop niet van Hem weg, hoor Hem spreken in de bijbel, zie wat Hij allemaal doet, hoor Hem spreken in de bijbel, hoor zijn stem in de gemeente, in de kerk, hoor de stem waarmee Hij roept. Kom! Kom, om te zien en te ontdekken!

2. Geloof
[#7] Natanaël komt. Zijn vragen zijn nog niet beantwoord, maar hij gaat op zoek. Jezus ziet hem aan komen lopen. Dan zegt Hij over Natanaël: ‘kijk dit is nu een echte Israëliet, een mens zonder bedrog.’ Het is duidelijk dat Jezus van alles over Natanaël weet, terwijl ze elkaar misschien nog nooit gezien hebben. Dan schrik je wel even, als je iemand ontmoet die van alles over je kan vertellen. Natanaël vraagt dan ook verbaasd: waar kent U mij van?
Ik had je al gezien, voordat Filippus je riep, toen je onder de vijgenboom zat.
Zo kunnen wij allerlei vragen hebben, maar Jezus heeft ons al van te voren gezien.
Hij kent jou al vanaf het begin. Vandaag mag dat in de doop ook duidelijk worden: God kent Ties. Hij kende hem al voor zijn bestaan, Hij zag zijn vormeloos begin, zijn dagen zijn in zijn boek. Hij wil al heel krachtig Hem roepen, dat zegt Hij met de doop: Hij werkt met zijn Geest in hem. God begint. Hij zoekt ook jou. Waar jij bent, wat jij doet, wat jij hebt meegemaakt. Hij kent jou helemaal.
Want Jezus Natanael niet alleen aan de buitenkant. Hij wist niet alleen dat hij heerlijk in de schaduw zat, onder die vijgenboom, die wel negen meter hoog kon worden, maar waarvan de grote bladeren veel schaduw gaven: daar had hij geen drone voor nodig!
Maar Jezus weet ook wat er in Hem leeft. Want Hij zegt over Natanaël: dit is werkelijk een Israëliet, waarin geen bedrog is. Een oprechte man, die van alles bij elkaar liegt en om de dingen heen draait, maar die eerlijk wil zijn. Geen zoon van Jakob de bedrieger, maar van Israël: een man naar Gods hart. Nee, er staat niet dat Natanaël zonder zonde is, dat is alleen Jezus. Natanaël heeft ook zijn zwakke en verkeerde kanten, maar hij is geen bedrieger. Een oprechte Israëliet, een gelovige, vooral in de zin van een Israëliet die uitzag naar de komst van de Christus. Zoals Zacharias, Hanna en Simeon daar naar hadden uitgezien.
Zo ziet Jezus jou ook al, en roept jou al, voordat jij de stap naar Hem maakt. Hij weet wat er door je hoofd ging, afgelopen weken tijdens de feestdagen en toen het nieuwe jaar begon. Hij weet van je zonde, je zwakke kanten, verkeerde woorden, je eerlijkheid, je pij. Hij zoekt je, Hij roept je, Want Hij zoekt geen volmaakte mensen, maar mensen die opgejaagd, vermoeid en uitgeput zijn. Mensen die moeite en strijd kennen. Mensen die zien dat het leven hier eindig is en dat een leven alleen voor school of vrienden of geld of sport of werk uiteindelijk leeg is.

[#8] Natanaël is gekomen en gelooft in Jezus: Rabbi, U bent de zoon van God, de koning van Israël!
Wat is het mooi dat hij dat allemaal kan zeggen en belijden.
Ook Jezus hoort het: Hij zegt dat Natanaël nu gelooft.
Natanaël is gekomen, hij is op onderzoek uitgegaan, hij is gaan zien. En toen kwam hij tot geloof. Toen zei hij niet meer: dit is maar een timmerman. Dit is maar de zoon van Jozef. Dit is maar een boer uit Nazaret. Nee: hij noemde hem, door de Geest: Mijn meester, Zoon van God, U hebt alle macht!
Ook voor jou, voor u, voor mij klinkt die oproep. Kom niet alleen, maar neem ook aan, geloof dat Jezus de koning is, Gods zoon, de redder. Wij kunnen niet een hele middag met Hem praten in een huis, wij horen niet direct zijn stem, je krijgt geen antwoorden op een briefje. Maar aan het slot van zijn boek schrijft Johannes dat Jezus zegt: zalig wie niet ziet en toch gelooft. Want we zien dan wel niet letterlijk, maar als je komt, als je gaat zien: dan mag je lezen in dit boek van Johannes, in heel de bijbel. Dan raak je vertrouwd met Jezus’ stem. Dan ontdek je Hem in zijn trouw, beloofd bij de doop. In de tekenen van brood en wijn bij het avondmaal. Dan werkt de Geest bij jou geloof in je hart. Dan zie je Hem in het midden van de gemeente. Als je religieus bent dan is er iets, maar wie werkelijk komt die mag steeds meer met Jezus op weggaan

[#9] 3. Verwacht!
Wie zo Christen wil zijn, die zal nog grotere dingen zien.
Want wat mag je verwachten als je met Jezus meegaat, als je Hem navolgt?
Natanaël hoeft niet bang te zijn dat zijn prille geloof, zijn keus om Jezus te volgen teleur zal stellen, dat hij bedrogen uitkomt omdat hij voor Jezus kiest.
Jezus kende hem niet alleen van te voren en wist waar hij zat.
Hij zal grotere dingen gaan zien!
Hij zal de hemel open zien, en engelen van God zien omhooggaan en neerdalen.
Hij zal zien hoe Jezus wonderen gaat doen, straks al bij de bruiloft in Kana als water wijn wordt. De leerlingen zullen letterlijk engelen zien: als Jezus op de berg verheerlijkt wordt, in Getsemane en vooral ook als Jezus vanaf de olijfberg naar de hemel gaat.
Ook Jakob zag engelen op en neer gaat. Nadat hij bedrogen had, zich alleen voelde. Hij moest net een onbekende toekomst tegemoet gaan. Wist niet wat hem in het vreemde land te wachten stond. Maar God liet zien dat Hij erbij was. Zo mag je als gelovige allereerst steun verwachten: je mag leven verbonden met de hemel. Opzien naar Jezus, het verwachten van God. Nu is er geen ladder, maar de engelen gaan op en neer van Jezus. Door Hem is de weg tussen hemel en aarde geopend.
Wanneer je komt en gelooft, wil Jezus je tot steun zijn. Je inspireren en bemoedigen om zijn liefde te ontvangen en ook door te geven. Te leven in liefde met de naaste, in de kantine, in de bus, op de bank, achter je mobiel. Dan kies je steeds vaker voor de ander, in plaats van voor je eigen geluk. Dan blijf je niet stil zitten, maar dan kom je in beweging: naar Jezus, en door Hem ook naar de ander.
Er wordt gezegd dat Natanaël de wereld in is getrokken om van het geloof te getuigen. Dat hij dat echter moest bekopen met de dood. Dat hij in India levend vermoord is, door zijn huid er af te stropen, omdat hij Jezus volgde. Ik weet niet of dat waar is, maar er zal een dag gekomen zijn dat ook voor hem de hemel open ging, en dat hij Jezus zag zittend op zijn troon! Juist als je soms denkt: zal het wel waar zijn, komt Jezus wel, is Hij er wel in de moeite. Als je hoort van mensen die omkomen in de modder of door een ramp. Als christenen vervolgd worden om hun geloof, mag je weten dat God tegen Jakob zei: Ik sta je terzijde. Jezus wil zelf met ons meegaan. Dat mag ook nu in 2018 gelden: Hij staat je ter zijde, dus blijf de Heer verwachten: Hij zal eens alles goed maken. Blijf de Heer verwachten: Hij wil je helpen te leven verbonden met Hem zodat je leven goed en mooi wordt door Hem. Wie zo verwacht zal grote dingen zien … niet zozeer door eigen kracht, maar omdat je je openstelt voor Gods kracht. Amen


Daniel 6:11,12 – Ga met God: bid onderweg!

januari 8, 2018

Preek Heemse, 7 januari 2017 (Bidden onderweg)
Tekst: Daniël 6:11

Geliefde gemeente van onze Heer Jezus Christus,
[#1] Hoe staat het met je bidden?
Ik heb die vraag deze week aan verschillende mensen gesteld. Wat bid je eigenlijk? Gebruik je een vast gebed of gebruik je eigen woorden?
Op welke momenten bid je dan?
Het zal je niet verbazen dat er heel verschillende antwoorden kwamen:
de een heeft er een vaste regelmaat in.
De ander geeft aan dat het er maar weinig van komt.
Een derde zegt dat hij er wel meer tijd voor wil maken.
Wat me vooral opviel is dat het vaak wel moeilijk is om te bidden.
Niet alleen wat je dan moet vragen, maar ook hoe maak je er tijd voor in je (soms zo drukke) leven. En hoe houd je dan goed je aandacht erbij?

[#2] Vandaag, op deze eerste zondag van het nieuwe jaar, willen we verder met ‘Ga met God’. Gaan met God, echt verbonden zijn met God, dat kan in het bijzonder als je ook in het gebed met Hem verbonden bent. We gaan weer allemaal wegen belopen: op het werk, thuis, op school, op vakantie, naar het ziekenhuis, naar familie en bekenden. We gaan weer heel veel stappen zetten in 2018: we weten niet wat de toekomst zal brengen, wat 2018 gaat brengen. Maar we mogen wel verder ‘op weg met God’. Op weg met God kan met name als we biddend onderweg gaan. Het gebed mag aan het begin staan, en aan het eind. Mag er op vaste momenten zijn, maar ook gewoon tijdens de dingen die we doen. Gesproken, of door te zingen. Ik hoop dat u, dat jij dat ik zo met God verbonden mogen gaan, op de weg die God je te gaan geeft.

[#3] Ga met God: bid onderweg!
1. Bidden, wanneer?
2. Bidden, hoe?
3. Bidden, en dan … ?

1. Bidden, wanneer?
Vanmorgen letten we op het bidden vooral vanuit Daniel. Daniel was al een oude man geworden. Hij had veel meegemaakt in zijn leven, sinds hij uit Jeruzalem verdreven was en in ballingschap geweest was. Veel verschillende koningen en vorsten, en steeds had hij een belangrijke plek gekregen. Waarom? Hij was trouw aan de wetten van zijn God en vergat in Babel niet om met God te leven. Nu lezen we dat hij samen met twee anderen de belangrijkste posten in het land krijgt, en dat de koning er zelfs over denkt om hem over heel zijn koninkrijk te stellen (6:4). God zegent hem in het bijzonder en wat is een rijk gezegend met een bestuurder die zich van de Here afhankelijk weet.

Maar de andere bestuurders worden jaloers. Waarom krijgt Daniel zo’n belangrijke plaats? Dat willen zij ook wel. Die Daniel krijgt een mooi baantje, en dat baantje lopen zij dan mis. Zij willen graag belangrijk zijn en op de stoel van Daniel zitten. Daarom bedenken ze een plan om Daniel uit te schakelen, om van Hem af te zijn.
Ze kunnen Daniel niet op iets slechts betrappen. Daniel is betrouwbaar en heeft nooit een misstap begaan (6:5). Ze moeten kijken waar ze Daniel wel op kunnen pakken.

Waarin verschilt Daniel van hen? Dat is dat Hij zo nauw verbonden is met zijn God. Dat maakt hem zo sterk, omdat zijn God zo sterk is. Hij houdt zich aan de wet van God, en wilde al niet eten wat hij niet mocht eten. Zijn God openbaarde hem de betekenis van de dromen. Tot deze God bidt hij drie keer per dag. Juist op dat punt willen ze Daniel nu gaan pakken. En er komt een wet van meden en perzen: niemand mag 30 dagen lang iets vragen aan een god of een mens, alleen aan de koning.

Wat doet Daniel als die wet is uitgevaardigd? Gaat hij ergens op een afgelegen plek bidden? Wat doet hij als deze wet, met dreiging van de doodstraf, is opgetekend? Gaat hij dan maar even stoppen met bidden? Nee, hij gaat naar zijn huis. Hij gaat daar bidden zoals zijn gewoonte is. Daniel laat zich niet afschrikken door zo’n wet. Hij wil de Here bidden. Het bidden is maar niet wat uiterlijks voor hem, maar een brandend vuur dat uit zijn hart komt. Bidden is eigenlijk ademen voor de ziel. Hij wil zich zijn adem niet af laten nemen. Als hij stopt met bidden. Als Hij niet met God onderweg gaat, dan komt hij in ademnood. Hij doet ‘zoals hij dat eerder ook al deed’, hij doet naar zijn gewoonte: drie keer per dag bidt hij tot zijn God.

[#4] Wanneer moet je bidden? Er zijn mensen die wat neerkijken op mensen die bidden uit gewoonte. Ze zeggen: ‘Ik bid gewoon bij het eten, zo ben ik dat gewend’. En dan zou het zomaar kunnen lijken of dat ‘minder’ is dan iemand die er speciaal heel veel tijd voor uittrekt. Maar ik las ergens: laten we ons meer zorgen maken om mensen die uit gewoonte niet bidden. Die de gewoonte hebben het bidden over te slaan. Kijk dan gaat er pas echt wat mis: als je helemaal ‘vergeet’ te bidden. Dat je niet bidt bij het opstaan, niet bij het eten, niet bij het naar bed gaan. Dan ga je niet met God, maar dan ga je alleen.
Bidden uit gewoonte is zo gek nog niet. Als we drie keer per dag eten nodig hebben, hebben we ook gewoontes om dat tot ons te nemen. Dan wacht je ook niet tot je weer trek hebt, maar heb je vast momenten. Niet omdat het moet, als een ijzeren wet, maar zodat je het niet vergeet bij alle andere dingen die je hebt! Zo is het mooi als je de vaste gewoonte hebt om bij het opstaan, bij het eten en bij het slapen gaan te bidden. Misschien inderdaad een vast gebed: het gebed bij het eten, het Onze Vader, een kort gebed. Maar een gebed dat je in regelmaat tot de Here bidt. Daniel bidt zijn gebed: zelfs als de leeuwen grommen, en hij gevaar loopt voor zijn leven. Laten we ons ook niet schamen om naar onze gewoonte te bidden, ook als er anderen bij zijn. Ook al vinden ze het vreemd, apart of bijzonder: zouden we daarom maar niet bidden bij het eten, terwijl Daniel zelfs bad toen zijn leven op het spel stond? Hij dacht ook niet: dan bid ik deze 30 dagen wel even zonder dat iemand het ziet. Daniel schaamde zich niet voor zijn geloof!
[#5] In de bijbel komen we ook tegen dat er vaste momenten zijn. De priester ging ’s morgens in de tabernakel en tempel met een geurige gave naar God toe. Dicht bij het allerheiligste. De geur steeg op als teken van de gebeden die opstijgen. Heerlijke wierook. Een offer van God. Zo begon men de dag met God en ’s avonds was er het avondoffer: dan sloot met de dag af met God. God is de eerste en de laatste, begin en einde, Hij mag heel je dag omgeven.
Toen de tempel was verwoest kwam er bij de Joden de gewoonte om drie keer per dag te bidden. Psalm 56 zingt ervan. We lezen het hier bij Daniel. In psalm 119 lezen we zelfs dat men 7x per dag de naam van de Heer aanroept.
[#6] Laten we zo ook zelf vaste momenten kiezen om bidden met God onderweg te zijn. Zodat het een gewoonte wordt om met God te leven. In de tabernakel moest een altaar staan, staat in jouw huis ook een altaar. Niet echt, maar stijgen vanuit jouw/uw huis ook de gebeden op naar God, als een heerlijke geur? Wanneer je de dag opent met God, mag dat als eerste je gedachten vullen. Het mooie is dan, dat je hopelijk niet alleen op die momenten aan God denkt, maar ook gewoon als je onderweg bent, als je stil zit, als je ergens mee te maken krijgt. Dan hoef je echt niet altijd je handen te vouwen of je ogen dicht te doen. Maar dan mag je gewoon aan God vertellen wat je bezighoudt, Hem vragen of danken. Zo in gebeden op vaste momenten, maar ook op andere momenten echt bewust met hem verbonden zijn.
[#7] 2. Bidden, hoe?
Bij het gebed van Daniel zien we eerst dat hij neerknielt. Hij knielt op zijn knieën. Een houding van nederigheid en je klein maken voor God. Wie zelf wel eens knielend bidt die weet dat je dan het gebed ook anders ervaart, dan als je gewoon aan tafel zit. Maar de houding is vooral een uitdrukking van wat hij bidt. Hij komt niet als een Farizeeër met de borst vooruit bij God. Nee. Hij maakt zich klein. Hij komt nederig tot God. Daniel wist dat hij, en het volk zondig waren. God had hen niet voor niets in ballingschap gestuurd. Zo mogen we ook steeds tot God komen om vergeving te vragen voor onze zonden. Om onze schuld te belijden: Heer, ik kom tot U. Vergeef mijn zonden nu.
[#8] Het tweede is dat Daniel bad bij het open venster, in de richting van Jeruzalem. Jeruzalem was de stad die in puin lag. Er waren ruïnes en verkoolde resten van wat er geweest was. Maar het was voor hem, in die tijd wel de stad, waar God gezegd had in het midden van zijn volk te willen wonen. Daniel was in ballingschap zijn God niet vergeten, en de stad van de God niet. Hij leefde in de hoop en het verlangen eens terug te mogen gaan naar die stad. God had dat toch ook beloofd? En er zou toch een keer een Messias, een verlosser komen die werkelijk bevrijding zou geven. Zoals de priester in de tabernakel naderde naar het allerheiligste, zo was Daniel gericht op zijn God. Het is belangrijk dat we zien dat het gebed ook richting God opgezonden mag worden. Het is niet allereerst een vragenlijstje: het is ook een offer voor de machtige God. Wie de tijd neemt om in zijn gebed tot God te naderen. Wie misschien bij een geopend raam onder de indruk komt van de majesteit van de lucht, de wolken, de schepping van God. Wie beseft tot wie hij komt: die zal ook steeds meer bidden ‘Uw naam worden geheiligd’, in het begin van mijn gebed wil ook U prijzen en grootmaken.
[#9] Het is goed om God te prijzen. Het is goed om vergeving te vragen. En dan mag je God ook vragen om de dingen waar je mee bezig bent. Daniel zal gebeden hebben om bescherming ook nu zijn leven gevaar loopt en de leeuwenkuil dreigt. Daniel zal gebeden hebben om wijsheid. Zo mag je bidden wat jij nodig hebt. Wat anderen nodig hebben. Mag je bidden voor anderen. Voor jezelf. Zoals Jezus niet leerde bidden: geef mij mijn dagelijks brood, maar geef ons ons dagelijks brood. Wat we ook nodig hebben voor lichaam en ziel, Here, geef ons dat! Straks mag je ook een briefje inleveren als je het fijn vindt dat er voor je gebeden wordt, of als je ander gebedspunt hebt. Na de dienst mag je ook zo’n briefje ophalen: zodat je zelf mee kunt bidden voor anderen. Zodat we als gemeente biddend en dankend om elkaar heen mogen staan. Iemand zei: daar waar samen gebeden wordt, voor elkaar gebeden wordt: daar is de kerk, daar is Gods gemeente!
[#10] 3. Bidden, en dan … ?
Wat gebeurt er nadat Daniel gebeden heeft? Het gebed lijkt hem niet zoveel te helpen. Die mannen die dringen binnen, ze zien hem bidden. Hij wordt gearresteerd. Hij wordt in de leeuwenkuil gegooid. De leeuwen die normaal wel zin hebben in een lekker hapje. De koning komt er niet onderuit! Het is een wet van meden en perzen. Daniel moet en zal sterven. Want hij heeft tot een ander dan tot de koning gebeden. En zo lijkt het verhaal van Daniel af te lopen als een martelaarsgeschiedenis. Zoals zovelen in de het romeinse rijk en in de tijd van de reformatie vroom de Here wilden blijven dienen, maar het uiteindelijk moesten bekopen met hun leven. Voorbeelden voor de kerk, voorbeelden voor anderen hoe je in een moeilijke situatie met steun van de Heer toch kan blijven volharden en standhouden. Maar wat uiteindelijk wel hen het leven kostte. Zoals onze Here Jezus Christus zelf ook de weg van zijn vader ging. Trouw met hem verbonden was. Hem opzocht in de stilte. Bad of de beker voorbij mocht gaan, maar uiteindelijk niet in een leeuwenkuil, maar wel aan het kruis belandde.
[#11] Wat kan het soms moeilijk zijn om te bidden. Als je niet begrijpt waarom God deze weg met je leven gaat, van ziekte, van sterven, van eenzaamheid. Wat kan het soms moeilijk zijn om te bidden als je vertrouwen in God en de medemens zo beschadigd is door de dingen die jij mee moest maken. Wat kan het soms moeilijk zijn om te bidden als je niet ziet dat het helpt, als je vragen en twijfels hebt bij God en als er toch niets in je leven lijkt te veranderen. Maar toch … laten we in reactie op die moeite niet zeggen: we keren God de rug toe. Ik wandel wel in mijn eentje verder. Ik ga niet meer met God.
God zei eens: Ik geef mijn eigen Zoon over aan de dood, Ik laat Hem alleen, maar juist met de belofte: omdat Hij gestraft is, zal Ik jou vergeven. Zal Ik jou nooit alleen laten. Zal ik je dragen en met je meegaan. Ook al merk je het niet. Ook al verandert er niets in je situatie. Als je omkijkt zul je het zeggen: U was het die mij droeg. Kijk maar hoe ik Daniel beschermt heb tegen de leeuwen: hij mocht eruit komen. Kijk vooral maar hoe Jezus Christus de dood achter zich liet. Hij overwon, en brengt nu onze gebeden bij de Vader.
Een betere voorbidder kunnen we ons niet wensen. Want Hij brengt al onze gebeden, of het nu van een spelende kleuter, een sterke man of vrouw, een trillende bejaarde is, of het nu in de angst of nood, in blijdschap of vreugde uitgesproken, bij de Vader. Al wisten we niet hoe het te zeggen, raakte ons gebed in de knoop of konden we alleen zwijgend bij u zijn. Hij maakt er een volmaakt gebed van. Laten we zo weten dat Christus altijd bij ons is, dat je elk moment van de dag Hem mag vragen met of zonder gevouwen handen of gesloten ogen: dan ben je biddend onderweg, onderweg met God, onderweg … naar het hemels Jeruzalem. Kies je er ook voor om zo te bidden te leven? Om biddend onderweg te zijn? Amen.


Oudjaar 2017 – Johannes 1:14: Het woord is mens geworden!

december 31, 2017

Preek oudjaar 2017 – morgendiensten 9.00 en 11.00
Johannes 1:14-18

Geliefde gemeente van onze Heer Jezus Christus,
[#1] Afgelopen week hebben we het kerstfeest gevierd. Samen gevierd dat God mens wilde worden, dat Hij ons midden wilde zijn. Nu mogen we verder gaan: verder gaan vanuit dat geweldige nieuws. Ook Johannes wil verder gaan, vanuit wat er met kerst gebeurd is. Hij gaat het hele levensverhaal van Jezus beschrijven, al zijn ontmoetingen, gesprekken, optreden en wonderen. Aan mensen die Jezus niet kennen, die zo hun twijfels hebben bij geloven, die hun vragen hebben bij wat er in het leven gebeurd. Juist daarom geeft Johannes eerst één keer heel krachtig weer wat er met kerst gebeurd is, wat het wonder is van Jezus geboorte: Het woord is mens geworden en heeft onder ons gewoond en wij hebben zijn heerlijkheid gezien!
[#2] Met die belijdenis en vaststelling willen wij vanmorgen ook het oude jaar afsluiten en het nieuwe jaar inkijken. Johannes kan alleen het leven van Jezus beschrijven vanuit de belijdenis dat Jezus, echt God en echt mens was. Wij kunnen alleen goed kijken naar Gods gang door de tijd, naar ons leven jaar in jaar uit, naar het leven van je ouders of (klein)kinderen, naar Gods weg met zijn kerk, als we dat ook beseffen: de jaren die we tellen zijn jaren van onze Here. Die echt God was, woonde in Gods heerlijkheid, maar tegelijk echt mens geworden is en ons de heerlijkheid van God heeft laten zien. Die de weg wijst naar het eeuwige leven, waar je geen jaren meer telt. Geen mens heeft God gezien, geen mens kan in Gods plannen kijken, (morgen is voor ons verborgen), maar Christus heeft ons wel de genade en waarheid van de Vader laten kennen. Met Hem kunnen wij de toekomst ingaan. Hoeven we ons geen zorgen te maken over morgen, want ook morgen ligt veilig in zijn handen.

[#3] Het woord is mens geworden, God heeft onder ons gewoond!
1) Christus kreeg deel aan ons vergankelijk bestaan
2) Door Christus hebben we genade en waarheid leren kennen
3) Met Christus kunnen we vol vertrouwen op weg gaan

[#4] 1) Het eerst wat Johannes ons hier vertelt, is dat het woord mens geworden is. Hij vat het kerstverhaal in de kern samen. Het woord: God die scheppend spreekt, Gods zoon die woonde in het ondoordringbare licht, in de hemelse heerlijkheid, waar alles goed en volmaakt is tot in eeuwigheid. Dit woord van waarheid en genade is mens geworden. Letterlijk staat er: is vlees geworden. Daarmee wordt onze menselijke natuur in al zijn zwakheid en vergankelijkheid getekend. Doordat Jezus geboren werd uit de maagd Maria, kreeg Hij deel aan ons sterfelijke bestaan. Niet alleen uiterlijk, maar ook in zijn ziel, zegt de NGB. Helemaal, met alle zwakheid, broosheid, vergankelijkheid, vermoeidheid, verdriet, zorgen … kortom echt helemaal mens. Dat wat de mens onderscheidt van God, dat kreeg Hij helemaal. Hij was 100% mens, en tegelijk 100% God. Kan dat echt? Hoe kun je dat nu geloven? Het is moeilijk om te begrijpen, ik word stil als ik dat wonder wil begrijpen. Hoor het, maar begrijp niet dat zo de wil van God gebeurt.
[#5] Hij is mens geworden en heeft dan ook tussen vergankelijke mensen gewoond. Opgevoed in een gezin, waar mooie en minder mooie dingen gebeurd zullen zijn.
In de meeste gezinnen is er soms veel verbondenheid, maar zijn er ook momenten van van spanning, stilte, verwijdering of ruzie …
Opgegroeid in een dorp en een geloofsgemeenschap, waar niet altijd alles in lieve vrede gelopen zal zijn.
Opgetreden te midden van Joden die Hem vaak vijandig gezind waren.
Zolang God hem de opdracht gaf, was Hij aan dat ellendige bestaan onderworpen, net als wij eraan onderworpen zijn zolang God ons hier een taak op aarde geeft. Alleen was Hij zonder zonde. Wij zijn mensen die niet alleen sterfelijk zijn, van wie de leeftijd als God het geeft zeventig jaar is, of tachtig jaar als we sterk zijn, maar die ook nog zondig zijn en ons vaak van het licht en van God afwenden. Maar verder heeft Jezus helemaal als een gelijke onder ons gewoond.
[#6] En letterlijk staat er dan: Hij heeft onder ons gekampeerd. Zijn tent bij ons opgezet en daarin gewoond. Dat betekent dat hij dus niet blijvend bij ons was. Hij is tijdelijk bij ons geweest, zoals je een tent opzet als je ergens tijdelijk verblijft. Dan heb je nog geen vaste woning met muren, een dak en deuren, maar dan heb je een tent. Die wel eens om kan waaien, die beweegt met de wind, die niet lang meegaat, waarin je alles van elkaar kan horen, omdat de wanden zo dun zijn. Zoals het volk eens een tijdelijke woonplaats had gemaakt voor God in de woestijn, de tent van God, in afwachting van een vaste woonplaats, de tempel, zo was de manier waarop Jezus in ons midden verbleef ook een tijdelijke manier: een wonen onder ons, in afwachting van het hemelse Jeruzalem. De stad waarover we net lazen, een nieuwe hemel en nieuwe aarde, waar mensen in eeuwigheid verbonden met God zullen leven.
[#7] Juist op een dag als vandaag sta je er bij stil dat ons leven ook maar vergankelijk is. Het jaar is weer bijna afgelopen. Het werk van onze handen waar we trots op waren, wat we gedaan of gepresteerd hebben, het ligt weer achter ons. Het was vaak moeite en leed. Er waren hoogtepunten: een huwelijk, een geboorte, een baan, liefde en goede gesprekken. Maar er waren ook donkere momenten: dat je het liefst je verstopte, je je tranen niet kon bedwingen. Tegenslag, ziekte en leed: momenten waarop de vergankelijkheid nadrukkelijk naar voren kwam. En dan is een jaar zomaar voorbij. Net als na een vakantie met de tent, waar zomaar weer het moment is dat je een leeg veldje achterlaat. We hebben hier geen blijvende woning: we zuchten nu nog in onze aardse tent, zegt Paulus in 2 Korinthe 5:2. Eenmaal zal van ons allemaal de aardse tent worden afgebroken. Zal de nacht voorgoed ten einde zijn en zullen er geen tranen en rouw meer zijn. Het leven is nu nog vergankelijk, maar juist als we dat beseffen klinkt in het evangelie: het woord is vlees geworden, mens als wij, en heeft onder ons zijn tent opgeslagen: heeft tijdelijk hier op aarde in ons midden verbleven, dit leven met ons gedeeld. Want God had de wereld zo lief dat Hij zijn eigen Zoon zond, om deel te krijgen aan dit leven. God wilde niet dat dit leven uitzichtloos zou zijn, maar juist door dit leven aan te nemen kon Jezus ons met dit bestaan ook aan God verbinden.

[#8] 2) Door Christus hebben we genade en waarheid leren kennen.
Gelijk daarachteraan schrijft Johannes: Hij is mens geworden, heeft onder ons gewoond. Maar we hebben wel door Hem genade en waarheid leren kennen. Gods heerlijkheid werd zichtbaar in Hem. Hij gebruikt hier woorden die de kern van de belijdenis van wie God is samenvatten. Wanneer God aan Mozes verschijnt worden deze woorden ook uitgeroepen, in Ex 34:6 dit is God vol genade en waarheid. Deze woorden komen steeds weer terug in de bijbel. Deze God, die zijn liefde laat zien, die is zichtbaar geworden in Jezus.
[#9] Zie dan Vs. 15: eerst heeft Johanns de doper dat al aangewezen. Hij mocht een heel bijzondere profeet zijn. De laatste profeet. En tegelijk: hij kon de genade en waarheid al aanwijzen. Hij hoefde niet te vertellen over oordeel en straf, maar mocht juist wijzen op het lam van God (Joh. 1:36). Jezus zou sterven voor onze zonden. Johannes heeft dat al geroepen, ‘krijsend’ riep hij als het ware: let op degene die na mij komt! De mensen die zomaar bij God vandaan leefden, die de bijbelwoorden vergaten, moesten gewezen worden op het licht van de wereld. Moesten dat niet gaan missen en gewoon voortleven. Nee, ze moesten het licht en de waarheid van Jezus Christus zien en ontdekken. Johannes had Hem aangewezen door te zeggen, die na mij komt is meer dan ik. Johannes was maar de bode, de heraut die zijn komst aankondigde. Hij was ook eerder dan Johannes de doper: want Hij was al van eeuwigheid en zal zijn tot in eeuwigheid.
[#10] En dan zegt Johannes: we zijn allemaal overstelp met zijn goedheid en genade. Wie iedereen? Nee, niet iedereen heeft het licht van de wereld gezien. Maar Johannes, die dit schrijft heeft het wel gezien. Hij zegt: wij hebben het gezien. Dat wil zeggen: de leerlingen van Jezus, zei die Hem in geloof aannemen. Wie gelovige op Jezus ziet, die mag in dit leven al met de goedheid van genade overstelpt worden.
Dat gebeurde in het OT ook één keer: Mozes mocht iets zien van God. Hij mocht van God horen hoe alles ingericht moest worden in de tabernakel. Hoe God gediend moest worden. Door Mozes is de wet gegeven: de wet waardoor je ontdekt wat niet goed is. Door Mozes waren er instellingen gegeven waardoor contact met God mogelijk was. Die in beelden vooruit wezen naar hoe het werkelijk zou zijn. Mozes heeft de basis gelegd, het volk door God mogen leren dat God verder wilde met het volk. Dat het volk niet om hoefde te komen door Gods toorn (denk aan Psalm 90), Jezus heeft daarna de genade bekend gemaakt. Hoe God in ons midden wil zijn. Hoe God zijn liefde heeft willen tonen.
[#11] Wij hebben nog helemaal deel aan het menselijke bestaan. We mogen geloven dat Jezus gekomen is om vrede op aarde te brengen. Om genade op genade bekend te maken. Maar de vraag is: zie je Hem ook? Leef je ook in verbondenheid met Jezus. Schijnt zijn genade ook in jouw leven. Wanneer je Hem leert kennen dan valt zijn genade over je, en mag je boven het tellen van de jaren uitkijken. Mag je boven de tijd uitkijken: mag je iets zien van de eeuwige God, met wie je verbonden bent en met wie je in verbondenheid voor eeuwig mag leven. Dan mag je als geslachten gaan en geslachten komen, in Gods bescherming zijn opgenomen. Want: niets is beter dan bij U te zijn!

[#12] 3) En dan kun je in Christus vol vertrouwen op weg gaan.
Mozes mocht iets zien van de heerlijkheid van God. Hij mocht aangeven, toen het volk gezondigd had: zonder U kunnen we niet verder trekken. We hebben het nodig dat U meegaat. Zo mogen we, wanneer we in Christus nog veel meer van Gods genade hebben gezien ook vooruit kijken. Christus liet ons God helemaal zien: Hij was als kind bij de Vader geweest. Op zijn schoot. Altijd bij Hem. Hij kende de Vader helemaal, omdat Hij zelf God was. De Vader kende hem helemaal, omdat dit zijn enige kind was van eeuwigheid. Maar door Christus mogen we in geloof Gods kinderen zijn. Mogen we met Hem verbonden op weg gaan naar de grote dag.
[#13] Eenmaal zal onze aardse tent worden afgebroken. Maar dan mogen we weten dat we een hemels huis hebben niet met handen gemaakt. Een eeuwige woning. Wanneer je sterft mag je daar binnengaan. Wanneer Jezus komt, mogen we voor eeuwig daar wonen. Mozes mocht een glimp van God opvangen, wij mogen rondom Jezus veel van Gods heerlijkheid zien, maar uiteindelijk zal aan het eind der tijden, er een nieuwe hemel en nieuwe aarde komen: waar God zelf op de troon zal zitten, en we hem met eigen ogen zullen zien (22:4). Dan zien we niet meer wazig, met vragen of in raadsels. Dan zullen we Jezus kennen zoals hij is. Dan staat zijn naam op onze hoofden, is er geen licht meer nodig want God is het licht en zullen we in eeuwigheid als koningen met Hem heersen.
Johannes gaat in zijn evangelie veel van Jezus vertellen. Ik hoop dat je afgelopen jaar op veel momenten en veel manieren iets van die Here Jezus, het levendmakende woord van God hebt mogen ervaren. Hij maakt dat je met een gelovig hart je dagen kan tellen. Dat je ook in komende tijd, steeds met Jezus verbonden mag zijn: steeds meer van Hem mag ontdekken in je leven, steeds meer je ogen voor Hem open mogen gaan, je mag geloven in zijn naam. Zodat je bidt met heel Gods kerk: wacht niet langer, Jezus, kom!


Zondag 2 – In de ontmoeting met Christus ontdek je je zonde

december 11, 2017

Preek Heemse, 10 december 2017

Tekst: Zondag 2; Lukas 5:1-11

Geliefde gemeente van onze Heer Jezus Christus,

[#1] Wie dicht bij de Here Jezus komt, wordt ontdekt aan zijn volmaakte liefde.

Petrus ziet dat in het wonder, dat een enorme school vissen zomaar de netten binnenzwemt. Ze hadden de hele nacht niets gevangen.

En nu, als de netten dreigen te scheuren, ziet hij het: Jezus is Heer!

Toen Jezus op aarde was, kon je zijn liefde zien in de wonderlijke manier waarop Jezus mensen eten gaf, hoe Hij zieken genas, hoe Hij zonden vergaf.

In het avondmaal mocht je dicht bij Jezus komen.

Je zag vanuit de kerk met hoeveel liefde Christus zijn eigen lichaam en bloed gaf voor onze zonden. Of als je aan tafel ging: je proefde zelfs die liefde in de tekenen van brood en wijn.

Die volmaakte liefde van Christus is enorm groot! Wanneer Petrus ziet dat beide boten vol van vissen zijn, dan valt hij op zijn knieën voor Jezus en roept: ‘Ga weg van mij!’. Hij durft niet goed bij Jezus in de buurt te zijn. Hij wordt er bang van. Zoals mensen bang worden als er engel verschijnt en die engel moet zeggen: ‘Wees niet bang!’ Hij ontdekt dat Jezus God is. Hij zegt dan ook: ‘Ga weg van mij, Heer, want ik ben een zondig mens’. Juist in het licht van Jezus heerlijkheid, liefde en wonderen wordt Petrus ontdekt aan zijn zonde.

[#3] Wanneer wij vandaag gaan spreken over onze ellende, over onze zonde, dan willen we dat dan ook doen vanuit de ontmoeting met Jezus Christus onze verlosser. Zondag 1 heeft al gezegd: we zijn zijn eigendom. Hij wil ons leiden. Maar daarom is het goed om te zien hoe we zijn eigendom geworden zijn. Hoe we zijn als we zonder God zouden zijn, als we Jezus niet hadden leren kennen. Niet om daarmee ons van Christus te verwijderen, maar juist om daardoor (na de viering van het avondmaal!) des te meer naar Christus te getrokken te worden en het verlangen te hebben ook in de komende tijd met Hem verbonden te blijven.

 

Word ontdekt aan je zonde, juist om Christus te ontmoeten

1) Waaruit je je zonde kent; 2) Wat God van je vraagt; 3) Wat je dan ontdekt

[#3] 1) Waaruit je je zonde kent

De eerste vraag die zondag 2 ons stelt is de vraag: ‘waaruit’ ken je je ellende? De vraagstelling is helder. Als je wilt weten wat je zonden zijn en je verkeerde dingen. Waar haal je dan die kennis vandaan. Hoe kun je nu weten wat verkeerd is?

Aan de ene kant zou je kunnen zeggen: je ellende ken je uit je de levenservaring. Kijk eens wat ik allemaal heb meegemaakt in mijn leven. Die eenzaamheid, die keer dat ik enorm teleurgesteld ben in een ander of in mezelf. De dieptepunten van je leven, die het je zo moeilijk maken. Die zo verdrietig zijn. De ziekte, de rouw, de teleurstelling dat je je doel niet kon bereiken. Maar dat is niet de ellende waar de catechismus op doelt. Die ellende kent iedereen, gelovig of ongelovig.

Ken je dan de ellende uit de wereldgeschiedenis. Dat je steeds weer merkt dat het zo gruwelijk mis kan gaan. Dat een conflict uit de hand kan lopen en er weer oorlog komt. Dat je je hart vasthoudt bij de nieuwe doden in Jeruzalem. Of door te lezen over aardbevingen, scheepsrampen, orkanen. Komt daar de kennis van je ellende vandaan. Nee … ook dat is niet antwoord van de catechismus.

[#4] Maar ken je je ellende dan misschien vanuit je geweten. Als je geweten je influistert: dit is misschien niet helemaal goed, dan zit je verkeerd. Je geweten dat gevormd wordt tijdens je opvoeding en door wat andere mensen gewoon vinden? Maar ook dat kan het antwoord niet zijn. Ik las bijvoorbeeld over een vrouw in Duitsland die in de oorlog Joden had geholpen. De mensen waren in nood en vreesden voor hun leven. Maar toen ze het later aan de buren vertelde vonden die het heel raar. Toen vroeg ze zich af: heb ik wel het goede gedaan. Zo zie je maar dat je je geweten niet kan vertrouwen. Je geweten moet je ergens op afgesteld zijn: zoals je een klok af moet stellen op de juiste tijd.

[#5] We hebben een duidelijke bron nodig waaruit we onze ellende leren kennen. Die bron ligt buiten onszelf: God zelf heeft ons duidelijk gemaakt, waaruit we onze ellende kennen: De catechismus geeft dan ook een helder antwoord: die kennis van onze zonden komt uit de wet van God. De wet die God zelf met zijn eigen vingers op de stenen platen geschreven heeft, die wet die we elke week weer horen. Die de kinderen op school leren. Die wet houdt ons voor wat wel en niet goed is, die ontdekt ons er ook aan dat er momenten zijn waarop we die wet niet houden. En dan gaat het maar niet om de uiterlijke wet. Dat je luistert en dan denkt, bijvoorbeeld bij het zesde gebod: ik heb niemand doodgemaakt, dat doen alleen die mensen die in de zwaarbeveiligde gevangenis zitten. Maar dat je werkelijk je afvraagt: heb ik niemand uitgescholden, heb ik niemand gekwetst. Koester ik in mijn hart en gedachtengeen wrok en wraakgevoelens. Of om het zevende gebod te noemen: niet alleen dat je geen overspel pleegt, maar dat je het begeren uit je ogen. Dat je de ander niet ziet als lustobject, maar als mens door God schapen. En dan gaat het echt om je hart: waar ben je vol van? Het kan zomaar zijn dat je vol bent van het geld. Nee, je denkt voor jezelf: ik heb nooit gestolen, dus dat gebod dat raakt me niet. Maar je bent steeds bezig met je geld. Je bekijkt steeds je bankrekening. De kerk of goede doelen komen amper in de aandacht. Nee: in je hart ben je gierig en wil weer steeds meer voor jezelf hebben. In de diepte van je hart wordt dan duidelijk dat er meer liefde is voor het geld, dan voor God. Meer liefde voor het geld dan voor de naaste.

Deze wet had God bij Adam en Eva ingeschapen. Zodat ze die wet helemaal konden houden. Zodat de mens werkelijk de kroon op Gods schepping was. Zodat ze God in volmaaktheid kunnen dienen. Daar was het leven en paradijs. Daar was het leven goed. Daar konden ze de wet helemaal volbrengen! (vgl. vraag 5!) Wanneer wij de wet lezen, leer je hoe goed het leven zou kunnen zijn.

[#6] En dan is het geen algemene vraag: waaruit zie je wanneer mensen slecht doen. Nee, dan vraagt de catechismus het heel persoonlijk. Niet in het algemeen: ‘wat is ellende?’, maar waaruit kent u uw ellende, ken jij je ellende? Heb je zelf onder ogen gezien hoe volmaakt die wet van God is. Wat God van ons vraagt? Ben je dan ook zelf tot God genaderd: heb je werk gemaakt van de zelfbeproeving voor het HA? Heb je ’s avonds een vast moment om te overdenken wat niet goed was: dat je je leven legt naast die wet van God? Dan leer je steeds meer wat goed is, wat God welgevallig is, en dan ontdek je ook steeds meer hoeveel er in je leven ontbreekt. Hoezeer je God nodig hebt!

 

[#7] 2. Wat God van je vraagt

Maar wat vraagt God dan van ons? Daarvoor gaat de catechismus naar de Here Jezus toe. In de ontmoeting met Hem zie je de diepte van de wet. Het gaat dus niet om ons uiterlijke handelen: heb ik alles goed gedaan? Heb ik het goede gezocht? Maar Christus vraagt om ons hart: heb ik God lief boven alles, en de naaste als mezelf. In het Oude Testament wordt die samenvatting ook wel gegeven, maar in Jezus Christus komt alles samen. Hij verbindt de liefde voor God en de liefd en de liefde voor de naaste aan elkaar. Het was zijn eten en drinken om Gods wil te doen. Hij heeft Gods wet helemaal vervuld. Hij heeft ons het goede geleerd. Zoals Petrus in Christus Gods grootheid zag en zijn eigen zonde, zien wij dat ook in de samenvatting die Christus geeft.

[#8] Niet voor niets staat hier de samenvatting. Je zou kunnen zeggen: hier had toch ook heel de wet kunnen staan. Maar die komt later pas in de catechismus: in het hoofdstuk van de dankbaarheid. Als we leren hoe we mogen leven op een manier die past bij een nieuw leven. Hier staat een samenvatting: omdat dit echt terug gaat naar de kern. Het blijft niet staan bij de uiterlijke daden: het gaat om je hart. Zoals de rijke jongeling wel alle geboden gehouden had, maar uiteindelijk niet zijn bezit kon verkopen en de opbrengst aan de armen geven, omdat hij uiteindelijk geen liefde had voor God. God stoot door naar de kern van ons hart: hebben we werkelijk God en de naaste werkelijk lief?

Dat vraagt allereerst liefde voor God. Dat Hij in ons leven op de eerste plaats staat. Zijn dag, zijn naam, Hij alleen. Zoals dat geleerd wordt in de samenvatting van de wet: heb ik Hem lief, met heel met hart, met heel mijn ziel, met al mijn krachten. Wil ik helemaal voor Hem leven?

Heb je ook de naaste lief? Als mezelf: niet boven God. Niet boven mezelf. Maar als mezelf. Het gebod van de liefde voor de naaste is een beperkt gebod. Het kan namelijk nooit zijn dat je wel naar je naaste luistert, en niet naar God. We moeten God meer gehoorzaam zijn dan mensen. Als je vader zegt: ik bepaal mijn eigen snelheid op de weg wel of dat ik ga appen achter het stuur, terwijl jij hem dan tegenspreekt omdat je weet hoe je daarmee levens in gevaar brengt. Als je vriend zegt: laten we stiekem even wat meenemen uit de winkel. Iets kleins: ze merken het toch niet. Als een familielid zegt: zondag vier ik mijn verjaardag tijdens kerktijd, terwijl Christus je roept naar de kerk. Dan val je je vader, vriend of familielid misschien af. Heb je hen dan niet lief? Jawel, maar je bent God meer gehoorzaam dan mensen.

Dit gebod is begrenst: en tegelijk is het misschien nog wel moeilijker. Je kunt misschien God liefhebben dat je veel tijd voor Hem maakt. Je kunt misschien veel over hem weten en zeggen hoe het moet. Maar … Je kunt niet God liefhebben en ondertussen je naaste haten. Wie niet liefheeft, kent God niet. Leert de apostel Johannes. En dan niet alleen met de mond, maar waarachtig, met de daden. Ik vraag me wel eens af hoe het mogelijk is dat iemand vanuit liefde voor God, liefdeloos kritiek levert op zijn naaste in de kerk. Laten we onze liefde voor God daarom laten zien, vooral door wat we voor de naaste doen.

[#9] 3. Wat je dan ontdekt.

We hebben ontdekt hoe de ellende kan kennen. We hebben gezien hoeveel God vraagt. Maar dan: wat ontdek je dan? In de ontmoeting met de wet? De wet die in het paradijs volmaakt werd nageleefd en door Jezus vervuld? Dan zie je dat er bij ons van nature een andere neiging is. Het gaat er dus niet om om je in de put te praten of te zeggen: wat zijn we allemaal slecht. Maar als je je leven vergelijkt met Gods wet, dan is er bij ons de neiging, steeds weer, om ervan af te wijken. Het is te vergelijken met een kar die op een schuine helling staat en steeds de neiging heeft om naar beneden te rollen. Zo zijn wij steeds geneigd om de verkeerde kant op te rollen. Zijn we niet gericht op de ander, maar zoals Augustinus zegt: dan ben je in jezelf gekeerd, aan jezelf geketend. Dat is de gevangenis van de mens zonder liefde. Wat uit de mens die zonder God leeft voortkomt, is het tegenovergestelde van de liefde: dat is ik gerichtheid, dat is haat. Dat zijn de werken van het vlees en niet van de Geest.

Bij iemand die dat heel openlijk doet zie je dat duidelijk. Maar als je nou het toch probeert netjes te doen allemaal. Als je niet uit de band springt, als je je tuintje netjes aangeharkt hebt, als je leeft volgens de regels. Kun je dan zeggen: ik ben geneigd om het verkeerde te doen. Om niet lief te hebben, maar een ander af te stoten.

Als je vindt dat je alles wel goed genoeg doet, dan heb je Jezus niet nodig. Dan ben je als gezonde die geen dokter nodig heeft. Dan kun je jezelf wel redden. Maar de vraag is, of je je dan vergelijkt met anderen, met wat je geweten zegt, met wat men goed vindt of dat je je vergelijkt met Jezus en zijn wet. Als je je daarmee vergelijkt, kan het niet anders of je gaat uitroepen: ‘Heer, ik ben een zondig mens’, zoals Petrus riep toen Jezus dichtbij hem was.

[#10] Als je zo ontdekt hebt wie Jezus is, mag je op je knieën: want Petrus knielde neer. Voor de voeten van Jezus. Hij zegt: Jezus, ga weg van mij! Bedoelt hij: ‘Jezus ga uit mijn boot?’ Het zal wel niet in de boot geweest zijn dat Petrus knielde, want daar zal geen ruimte geweest zijn tussen de vissen. Nee: Petrus bedoelt: “Jezus, die band tussen U en mij kan niet bestaan. Hoe kunt U mij uitkiezen als een leerling. Gaat U maar weg, ik blijf visser. Wat een wonder heeft U laten zien, een bovennatuurlijke kracht. U bent God! Dan ben ik maar een zondige man. Ik geloofde niet dat u zoveel vissen in het net kon laten zwemmen. Ik ben het niet waard om met U verbonden te zijn. Om een volgeling van U te zijn en één te worden met uw lichaam en bloed.”

Het is opvallend dat Petrus deze woorden zegt. Voor het eerst wordt hij hier Petrus genoemd: op de belijdenis van deze rots, dat Jezus de Zoon van de levende God is, zal de kerk gebouwd zal worden. Juist deze rots noemt zichzelf niet waard om met Jezus verbonden te zijn. Als hij de macht van Jezus ziet. Het is niet vanuit onszelf dat we avondmaal vieren: hoe meer je Jezus liefde en macht ziet, hoe meer bij mij, bij u en bij jou hopelijk de vraag opkomt: Wie ben ik dat ik dat mag ontvangen, dat ik daarin mag delen. Ben ik dat wel waard, met mijn leven?

Maar dan zegt de Here Jezus. Wees niet bang. Wees niet bezorgd of angstig. Nee, Ik ga niet van je weg. Maar Ik laat mijn genade juist schitteren! Ik schakel, jou, Petrus juist in. Jij wordt heel bijzonder met Mij verbonden. Je wordt een visser van mensen, net als Johannes en Jakobus.

Zo leert Petrus de juiste grondhouding: niet vanuit zichzelf kan hij helpen om mensen aan Jezus te verbinden, om vissen te vangen. Om mensen het eeuwige leven geven, maar vanuit de kracht van God. Zoals hij niet op eigen kracht het net vol vissen kreeg, maar door een wonder van God. Niet uit eigen kracht kan Petrus, kan Paulus de netten uitgooien en mensen vertellen over de redding voor zondaren.

Niet uit uzelf kunt u leven in Gods redding en het licht laten schijnen: het is vanuit Gods genade en zijn liefde in Christus die zichtbaar wordt juist rondom de avondmaalstafel. Zijn liefde en genade deelt Hij uit aan tafel. Jezus zegt: volg Mij. Hij wil zich nu ook aan anderen verbinden. Wie, door Gods genade, voor Jezus kiest en Hem volgt, wordt met Hem verbonden. De discipelen lieten de enorme vangst van vissen achter op het strand. Daar zorgden anderen wel voor en ze luisteren, ze kwamen tot Jezus. Ga zo bij het avondmaal vandaag: vergeet de zonde, vergeet wat achter u ligt, het is vergeven en zie wat voor u ligt: de redding waarin Hij u wil doen delen tot een nieuw leven. Amen


Jesaja 40 – Wees niet bang, de morgen gloort!

december 7, 2017

Preek Heemse, 3 december 2017

 

Geliefde gemeente van onze Heer Jezus Christus,

[dia 1] Ben jij klaar om bij de kribbe te gaan staan? We gaan straks kerstfeest vieren en daar werken we deze weken van Advent naar toe. Door een bijbelleesrooster, door de kaarsen en met aandacht ervoor in de preken. Ouders van een kindje mogen negen maanden wachten: men had Jezus eeuwenlang verwacht. Eens wilde Hij dichtbij ons zijn, werd geboren in de stal. Wij verwachten nu de komst van de Here Jezus in deze wereld. God is echt mens geworden. Zijn lichaam en bloed geeft Hij voor ons. Hij wil in  ons midden zijn.

[dia 2] Maar ben je klaar om naar Hem toe te gaan? Kan het kerst worden in de duisternis van je leven? We leven in een gebroken wereld. De wereld met zoveel pijn en zonde, met kwaad en verdriet. Wanneer God verschijnt kan het zomaar zijn dat je wegduikt en je verstopt, omdat je bang bent voor deze God. Adam die eerst met God wandelde, verstopt zich, wanneer God vraagt: ‘Adam, waar ben je?’. Kaïn doet ook of hij niets weet, wanneer God vraagt: ‘Waar is je broer?’. Ben ik soms mijn broeders hoeder? En de herders duiken weg wanneer het felle licht verschijnt op Efrata’s velden en de engel moet zeggen: ‘Wees niet bang!’. Dat zegt de engel ook tegen Johannes en Maria wanneer hij aan hen verschijnt.

Vanuit ons gezien kan er soms allerlei reden zijn om angst te hebben voor God. Om weg te duiken. Er kan soms van alles in ons leven zijn, waardoor er een kloof is tussen God en ons. Adam en Eva hadden van de boom gegeten uit het midden van de hof. Kain had zijn broer vermoord. Het volk Israël had keer op keer God verlaten. Het volk was God vergeten en was zijn eigen leven gaan leiden en had God naar de achtergrond doen verdwijnen. Jesaja had steeds weer gewaarschuwd. Maar het was duidelijk: dit volk moest in ballingschap. God zou zijn volk straffen om de zonde. Terecht dat er angst is voor God.

[dia 3] Maar dan plotseling, midden in de nacht, midden in de duisternis mag het licht van kerst beginnen te schijnen. God zoekt Adam en Eva wel op en geeft zijn belofte: ik zal vijandschap zetten. Bij Jesaja klinkt “Troost”, en nog een keer “Troost, troost”. Is het dan toch waar? Wil God toch naar ons omzien en bij ons wonen? Kan ik de Heer ontmoeten?

 

Weest niet bang: de morgen gloort!

  1. Ruim op wat Jezus’ komst verstoort
  2. Vertrouw Hem op zijn woord
  3. Zorg dat je de stem van Herder hoort

 

[dia 4] 1. Ruim op wat zijn komst verstoort

Laten we even teruggaan naar de tijd van Jesaja 40. Het volk is ver weg in ballingschap gevoerd. Het volk heeft het idee dat ze niet meer in het beloofde land mogen wonen. Dat ze niet meer het volk van de Here mogen zijn. Er ligt een enorm gebied van wildernis, van woestijnen, van bergen en dalen tussen dat verre land en het beloofde land. Het lijkt wel of God hen vergeten is. Ze zijn vol van verdriet en er is afstand tot God.

Maar dan mag Jesaja roepen: troost, troost mijn volk. Die hele oude profeet, die zo vaak gewaarschuwd had, mag de mensen moed inspreken. Maar niet met een paar lege woorden. Zo van: kop op joh. Moed houden. Het valt vast wel mee. Zo kan iedereen wel helpen en troosten. Dat konden ze zelf ook wel tegen elkaar zeggen. Maar Jesaja mag echte troost bieden: troost die ergens op gebaseerd is. Die echt waar is. Troost en nieuwe moed omdat het werkelijk goed zal komen. Omdat er één is die de hoofdzaak van alle ellende aanpakt. Die de kloof wil overbruggen. God is zijn volk niet vergeten God wil het weer goed maken met zijn volk. God wil het licht in de duisternis laten schijnen. Daarom mag er troost klinken.

Jesaja vertelt ook waarom het weer goed kan komen. Er is betaald voor de schuld. Het volk is nu lang genoeg gestraft in de ballingschap. Er is dubbel betaald: dat wil zeggen dat er volkomen verzoening is gedaan voor de zonden. Het volk is genoeg gestraft, een straf die vooruit wees naar de straf die Christus voor ons gedragen heeft.

[dia 5] God zal zelf weer verschijnen. Hij gaat geweldige dingen doen. Daarvoor moet de weg gebaand. Zoals vroeger wanneer de koning zou komen de  wegen vlak gemaakt moesten worden. De kuilen eruit. De bulten geëffend. Bij asfaltwegen is dat wat minder nodig, maar bij zandwegen uit die tijd des te meer. Tegenwoordig gebeurt het ook nog vaak dat de plaats waar de koning komt op koningsdag veel stoepen opnieuw worden gelegd.

Zo zegt Jesaja: de heerlijkheid van de Here zal verschijnen. Alle volken zullen Hem zien. Het volk Israël mag terugkeren uit het verre land. Het volk mag weer in het beloofde land wonen. Baan dan de weg waarlangs God kan gaan. Zorg dan dat alle hindernissen opgeruimd zijn. De kronkelwegen recht, en de obstakels weg.

Zo stond ook Johannes de Doper later te roepen in de woestijn. Hij was maar een kleine profeet, maar hij was wel de belangrijkste in die zin dat hij Jezus met de vinger aan kon wijzen. Hij riep ook op om de weg te bereiden, om alles wat in de wegstond weg te nemen.

[dia 6] Wat staat er in jouw leven in de weg om God te ontmoeten? Waarvoor zou jij je liever verstoppen? Of wat zou je liever hebben dat de Here God niet zou zien? Wat maakt misschien dat je bang bent voor God? Er is van alles wat ons leven met de Here kan belemmeren. Misschien is het je hebzucht, waardoor je steeds meer wilt hebben en daar je geluk in probeert te vinden. Of je heerszucht, waardoor je wilt heersen en anderen maar naar jou moeten luisteren. Je jezelf belangrijk vindt waar anderen onder moeten lijden. Het kan ook je eigenwaan zijn: dat je denkt dat jij alles wel goed doet en dat anderen niet moeten zeuren. Of misschien is er bij jou vooral gebrek aan vertrouwen. Durf jij werkelijk te geloven dat je wanneer je Gods weg gaat, je in goede handen bent. Of laat jij je leiden door je lusten? Dat je je leegte en angst vooral probeert weg te stoppen door toe te geven aan allerlei verlangens? Adam en Eva hadden zich laten leiden door verlangen naar macht, doordat de vrucht mooi was. Kain had zijn broer gedood. Het volk was z’n eigen gang gegaan. Daarom werden ze bang. God zegt: maak je klaar om Mij te ontmoeten, [ook in het avondmaal.] Hoor de stem die roept in de woestijn: Effen de hoogten die zich heffen tussen de Heer en U!

 

[dia 7] 2. Vertrouw Hem op zijn woord

Terwijl God oproept om het volk te troosten: ‘Roept! Vertroost mijn volk! God zal komen.’ Kan er misschien toch een vraagteken komen. Zal God dan wel kunnen komen? Kan ik de hindernissen wel opruimen? Alles wat in de weg staat ook echt doen. Je hoort het hier ook in de tekst, want als er een stem zegt: roep! Dan klinkt er ook een stem die zegt: ‘Wat zal ik roepen?’

[dia 8] De mens is als gras! Gras dat even groeit, maar dan weer verdwijnt. Denk aan de woestijn waar soms na regen er wat gras kon groeien, maar soms ook zomaar weer weg kon zijn. Of denk aan hoe kort een bloem soms kan bloeien. Voordat je het weet is hij al weer verwelkt. En is ons mens-zijn soms niet net zo?

Als je jong bent denk je misschien dat je wel een heleboel voor elkaar kan boksen. Maar uiteindelijk zul je ook merken dat je een keer moe wordt. Als je ouder wordt merk je steeds meer de beperkingen. Kun je minder. Zul je ook steeds vaker ervan bewust zijn dat het een keer afgelopen is. Heb je verdriet over mensen om je heen die ziek zijn of mis je mensen die al overleden zijn. Inderdaad, zeg je dan … de mens is als gras, als een bloem die verwelkt. Als ik verstrikt zit in een liefdeloze relatie, als ik wacht op de liefde, maar geen partner vindt. Als je bestaan donker is door ziekte, depressie of verdriet. Waar haal ik dan de moed vandaan om door te gaan. Welke troost kan God me dan werkelijk geven, als het leven zo teer en kwetsbaar is. Kan God wel werkelijk helpen?

[dia 9] Maar dan klinkt het antwoord uit de tekst. Inderdaad, de mens is als gras, maar wat je nu te horen krijgt zijn geen mensenwoorden. Dit zijn geen woorden met lege troost, die nergens op gebaseerd is. Het is Gods Woord. Zijn woord is eeuwig. Zijn woord wil jou troosten en bemoedigen. Over dat woord staat: zijn woord houdt voor eeuwig stand. God zocht Adam en Eva op met zijn woord en zei: ik ga vijandschap zetten en het zaad van de vrouw zal overwinnen. God koos het volk van Israël uit. De mensen waren zwak en ontrouw, maar God ging verder. De maagd werd zwanger. Gods Woord kwam uit. Jezus Christus werd geboren. Een mens met lichaam en bloed, maar een mens die voor ons het eeuwige leven mogelijk maakt.

[dia 10] Wie volgende week avondmaal wil vieren, mag daarin iets proeven van het eeuwige leven. Als je het baseert op je eigen kunnen en prestaties moet je misschien wel zeggen. Kan ik dat wel? Mag ik dat wel? De mens is als gras … En je wordt misschien bang en onzeker. Maar God heeft zijn Woord gegeven. Zijn woord is een vaste grond, op zijn beloften kan je aan. Je mag leven van de vergeving. Christus is aan het kruis gestorven en zo is de kloof tussen God en mensen door Hem dicht gedicht. Wees niet bang! Zie op Jezus Christus. Hij wil je vertroosten en doen delen in zijn heil. Kracht voor vandaag, blijde hoop voor de toekomst. Vanwege Gods eeuwige beloften mag je zo tot Christus komen. Knielen voor Hem die je mee wil nemen naar het eeuwige leven!

 

[dia 11] 3. Zorg dat je de stem van Herder hoort

Onze angst om tot God te naderen kan komen door de zonde. Dat zagen we in het eerst punt. Er kan van alles in de weg staan. Laten we dat opruimen!
Onze angst om tot God te naderen kan komen omdat we ons zwak voelen. God zegt: wees niet bang. Zie op mijn woord en mijn belofte. Die zijn waar en zeker.

In vers 9-11 zie je nog een keer dat God zijn volk gaat overtuigen dat ze niet bang hoeven te zijn. Vrees niet. Roep het dan maar van de hoogste berg. Schreeuw het maar uit! Want als je nu nog niet komt, en nu nog niet weet hoe je Mij moet vinden … weet dan dat ik je zelf zal leiden en nabij zijn!

Zoals God eens Israël met een machtige arm uit Egypte heeft geleid, zo zal Hij nu zelf ook met macht zich openbaren. Zijn arm zal heersen. Zijn heil gaat voor hem uit.

[dia 12] Dan zal Hij zijn als een goede herder. Hij kent onze zwakte. Hij kent onze angst.

Maar wat doet een herder? Als een lammetje niet goed mee kan komen. Als een lammetje zwak is, dan tilt hij het op. Neem het op zijn arm. Vertroost het. Doet zijn mantel er deels omheen. Zo wil God zijn met degenen die angst voelen en onzeker zijn. Zo mogen ook de gedoopte kinderen bij de kudde horen. Hij zorgt voor de kudde. De grote schapen. De ooien, de moederschapen leidt hij veilig. Zodat ze krachtig zijn en voor de lammetjes kunnen zorgen als de moeilijke periode weer voorbij is. De Heer is je herder. Hij geeft alles wat je nodig hebt.

[dia 13] Ik hoop dat je zo steeds weer mag in vertrouwen vooruit mag zien. Jezus kent jouw leven. Er kan soms van alles zijn waardoor je vraagtekens krijgt. Soms snap je niet waar de weg heengaat. Maar wees ervan verzekerd: Hij is de goede herder. Je mag in vertrouwen aan Hem overgeven. Hij is de goede herder die zelf zwak werd, die geboren werd in Bethlehem stal, om zo ons bij de hand te kunnen nemen. Ga je mee op weg? Op weg om Hem te ontmoeten? Wees niet bang! Verberg je niet! Zijn hand wil je vellig leiden op weg naar de ontmoeting met Hem! Amen.