Psalm 51 – Gedoopt: door Christus schoongewassen van de zonde

oktober 18, 2018

Preek Heemse 23-9-2018

Tekst: Psalm 51

Geliefde gemeente van Jezus Christus,

[#1] Wanneer een kindje wordt geboren dan zijn we onder de indruk van hoe mooi het door God geschapen is. Psalm 139 bezingt het wonder van hoe God al in de moederschoot zo’n kindje heeft geweven. Vanaf het eerste begin is het omringt door Gods zorg en liefde. Zoals je onder de indruk komt van Gods grote scheppingswerk: de zon, de maan, de wolken, de luchten, de sterren, zo kun je ook onder de indruk komen van hoe God uit de liefde van man en vrouw een kindje doet groeien. Waar wetenschappers tegenwoordig veel kunnen en steeds meer ontdekken van het bijzondere van de schepping, blijft het een wonder hoe God ‘leven’ kan geven. Een uniek, kostbaar leven, waarvan de dagen in zijn boek staan. Om met Psalm 19 te zeggen: een verhaal zonder woorden over de almacht van God.

[#2] Toch vraag je bij de doop: ‘Erkent u dat Nick zondig en schuldig ter wereld is gekomen en uit zichzelf niet goeds kan doen en dat hij van nature blootstaat aan Gods toorn?’ Waarom wordt zo’n vraag gesteld? Als kerklid zit je misschien al te denken: nou, zoveel verkeerds zie ik nog niet bij zo’n klein babytje. Zo zondig is dit kindje toch nog niet. En zeker als er buren of vrienden zijn die niet naar de kerk gaan, kunnen zij ook vragen krijgen: is dit een kerk waar je somber wordt gemaakt, waar ze alles wat zwart zien, waar steeds weer over zonde wordt gepraat?

Ik begreep dat er dominees zijn die dan de vraag maar wat aanpassen. Het minder over dit kind laten gaan, maar meer in het algemeen houden. Dat ze zelf ook niet zo goed met die vragen uit de voeten kunnen. Zou dat een goede weg zijn? Of is dit iets waar je juist meer nadruk op zou moeten leggen? Iemand ging een keer weg hier bij de kerk en zei: er wordt te weinig over zonde gepreekt. Je hoort bijna niets meer over wat verkeerd is. Iedereen krijgt vooral een aai over de bol en te horen dat we een parel zijn in Gods hand, maar volgens mij klopt dat niet.

 

[#3] Gedoopt: door Christus schoongewassen van de zonde

  1. De zonde in beeld
  2. In zonde ontvangen
  3. Schoongewassen!

[#4] Om een goed beeld te krijgen wat het formulier bedoeld met ‘zondig en schuldig ter wereld gekomen’, moeten we eerst ontdekken wat zonde precies is. Als je op straat vraagt wat ‘zonde’ is, dan volgen er heel verschillende antwoorden. Zonde, dat is dat die mooi bloem geknakt is. Zonde dat we die wedstrijd verloren hebben. Zonde dat dat die mooie vaas kapot gevallen. Iets wat heel is, is kapot gegaan. Je kunt niet het doel bereiken wat je graag had willen bereiken. [#5]  Bij schuldig denken we aan iets wat je verkeerd hebt gedaan: jij hebt een nota nog niet betaald, dus je staat in de schuld. Je hebt een misdaad begaan: een overval, een inbraak, dus de recht zegt dat je schuldig bent. ‘Zonde doet zich voor als een kwaad dat niet recht doet aan wat we ons bij het leven voorstellen’ (Brink/Kooi).

[#6] Als we in de kerk over zonde en schuld praten komt er nog wat bij. We geloven dat God ons gemaakt heeft en dus ook zijn regels en wetten geeft over hoe het goed is om te leven. Op zondag horen we de wet: niet vloeken, niet stelen, niet verlangen dat wat van de ander is. Regels die God geeft om ons leven goed te maken. Op het moment dat we zonde doen, missen we dus niet alleen ons doel, we doen dan ook zonde tegen God. We doen Hem pijn wanneer we geen liefde aan Hem of de naaste hebben getoond, wanneer we zijn regels overtreden.

[#7] Dat is ook wat in deze Psalm 51 opvalt: David had zijn buurman Uria gedood, hij had gekeken hoe mooi Batseba was en overspel gepleegd. Maar dan zegt hij: tegen U heb ik gezondigd, ik heb gedaan wat kwaad was in uw ogen. Daar ontdek je de diepte van de zonde: hij had bloedschuld op zich geladen door Uria te laten doden, zijn nabestaanden zouden zich op hem willen wreken. Hij had zijn vrouw afgepakt. Hij had in een machtspositie Batseba verleid en meegenomen. Hij heeft de naaste pijn en gedaan en daarmee God pijn gedaan.

Wanneer David hier zijn schuld beleid dan spreekt hij eerlijk tegenover God uit wat hij verkeerd heeft gedaan. Dat is wel het knappe en indrukwekkende van deze boetedoening. Als je bidt, zul je misschien vaak vragen: Here, vergeef mijn zonden. Maar denk je dan ook aan wat verkeerd is? Heb je dan ook werkelijk iets voor ogen, of denk je meer: als ik dat maar zeg dan is alles wat tussen God en mij instaat weer opgeruimd. Je merkt bij David dat hij echt spijt heeft van zijn zonden, dat hij er niet omheen draait en het niet goed praat, dat hij zich ook voorneemt om het goede te gaan doen: hij wil graag een nieuw hart, hij vraagt Gods Geest. Daarvoor moet je eerst weten wat je verkeerd hebt gedaan: dan kun je God vragen of hij wil helpen om het beter te gaan doen.

[#8] Moet je dan altijd alles precies kunnen benoemen? We lazen ook Psalm 19. Daar bidt de dichter of God hem ook van zijn verborgen zonden vrij wil spreken.

Hoe goed je ook je best kunt doen om zonde te ontdekken, soms ben je blind voor wat verkeerd is. Daarom is het goed als iemand je uit liefde wijst op dingen waar je ander mee kwetst, waarmee je de ander pijn doet, waarmee je niet aan de bedoeling van God beantwoord. Als iemand je aanspoort om met God te leven. Maar soms kunnen we ook als samenleving verborgen zonden hebben: eeuwenlang werd slavernij geaccepteerd, maar hoeveel onrecht is daar niet geleden. Hadden de mensen hun ogen op slot? En tegenwoordig: kun je schoenen en kleren kopen, die bijna niets kosten. Maar ben je je bewust van hoe daarvoor soms mensen uitgebuit worden en als slaven moeten werken. We mogen bidden dat God onze ogen opent: voor kwaad dat we anderen aandoen, voor pijn die we anderen bezorgen, voor verdriet dat wereldwijd pijn veroorzaakt.

 

[#9] 2. In zonde ontvangen?

We hebben zo helder wat zonde is, maar dan die vraag over zo’n babytje. Dat heeft nog geen zonde gedaan, maakt nog geen plannen om iets verkeerds te doen, en moet je dan op zoek gaan naar iets verkeerds. Het is toch vooral heel lief, kwetsbaar, snoezig?

Een belangrijke tekst in dit verband is Psalm 51,7. Ik heb die tekst al heel vaak gelezen maar nooit geweten dat het eigenlijk zo’n moeilijke tekst is. Als je de Hebreeuwse woorden gaat lezen, is het heel moeilijk te vertalen. David zegt: ik was schuldig toen ik (en dan wordt er meestal vertaald) werd geboren, anders is het niet te begrijpen. En dan gaat hij nog een stapje terug: naar hoe zijn bestaan begon. Sommigen zeggen dat dat moment dan al ‘zondig’ was, alsof seksualiteit iets zondigs is, maar David wil vooral zeggen: ik ben vanaf het eerst begin al zondig. Hij wil niet de schuld aan zijn moeder, aan zijn ouders geven. Hij zegt juist in vers 6: ik heb gezondigd. Hij vindt zichzelf schuldig en hij zegt: er deugd niets aan mij. Daarmee gaat hij terug naar het eerst begin, niet om een excuus aan te voeren, zo van: we zijn nu eenmaal zondig, dus ik kan er ook niet zoveel aan doen. Nee, juist om open en eerlijk tegen God te zeggen. Ik was niet goed, en dat zit heel diep in mij. Ik wil het niet goed praten, ik wil geen uitvluchten verzinnen, ik ben zelf de schuldige in deze situatie.

[#10] Hoe komt dat David zondig is? Dat wij zondig zijn? Wanneer we dan bij de doop van een kindje zeggen: zondig en schuldig ter wereld gekomen bedoelen we niet dat zo’n kindje nu al zonde doet. Maar, eens, lang geleden hebben Adam en Eva in het paradijs tegen God gezondigd. Daarmee werd het leven gevangen in de dood: er is ziekte, handicap, pijn en verdriet gekomen. Uiteindelijk is het leven hier op aarde sterfelijk geworden. Zonder dat we het willen, weten we dat we hier op aarde het paradijs niet zullen vinden. Het koninkrijk van God, het eeuwige leven, het paradijs kunnen we niet meer binnengaan, met dit lichaam. We leven in een gebroken wereld. En wanneer dan een kindje geboren wordt dan kunnen we niet anders dan dat beamen: het is pril, het is kwetsbaar, want deze wereld is niet volmaakt. We delen allemaal in de gevolgen van de zonde. Dit leven op aarde is eindig. Het is niet mee de hemel op aarde.

Kunnen we het daartoe dan beperken? Bedoelen we alleen maar dat we allemaal sterfelijk mensen zijn? Nee, het gaat wel een stapje dieper. Want hoe komt dat, hoe is de dood in de wereld gekomen? Doordat Adam God verliet. Adam en Eva hadden de mogelijkheid om het goede te doen en ze kozen tegen God. Daarmee is elk kind dat de geboren wordt de mogelijkheid ontnomen om een volmaakt leven te leiden. Bij elk mens komen vroeger of later zonden naar voren. Pas dan zijn ze persoonlijk schuldig, nu deelt een babytje in de schuld van Adam. Daar is als het ware de wortel van de plant verrot en grijpt die verrotting om zich heen.

Ook al is het al Gods genade, dat Hij ook nog veel goeds in de mens heeft laten bestaan. Ook als je niet gedoopt wordt, groeit er nog veel moois in je leven, hebben we verstand, kun je van alles doen, kunnen we in liefde leven. Maar dat is dan wel beperkt tot het leven hier en nu. Duikt ook steeds weer de zonde de kop op.

 

[#11] 3. Schoongewassen!

Vaak wijs ik er bij de doopvont op dat de doop het teken is van schoonwassen. Zoals je onder de douche gaat en het vuil van je afspoelt. Zoals je je handen wast nadat je slijm hebt gemaakt. Zo wil de doop ons schoonwassen. David gebruikt in Psalm 51 ook heel duidelijk dat beeld: hij vraagt God om schoon gewassen te worden. Daarbij gebruikt hij een beeld uit de tempeldienst: met hysoop of majoraan, een plant die gebruikt werd om bloed te sprenkelen in de tempel wil hij schoongewassen worden. Hij wil graag weer witter worden dan sneeuw. Hij vraagt of God zijn ogen wil sluiten voor de zonden: of hij ze wil vergeven en wegdoen. Heel zijn schuld wil vernietigen.

[#12] Vandaag hebben we wat meer gelet op wat God dan weg wil wassen. Het is geen vrolijk en makkelijk onderwerp, maar wel goed om te weten en te beseffen wat Christus van ons weg wil nemen. Hoe beter je dat beseft, hoe meer je onder de indruk komt van Christus liefde. Hij wil ons schoonwassen van alle zonden, van de gevolgen van dat de zonden in de wereld gekomen zijn. Je bent zo schoon dat de weg naar het paradijs weer geopend is. Dat je voor God zelfs heilig bent, zonder zonde. Omdat Christus voor onze zonden gestorven is. Omdat hij ontvangen is uit de maagd Maria, zonder zonde. Omdat hij heel de weg gelopen heeft. Omdat hij aan het kruis met zijn bloed de schuld gedragen. Zo kan er vergeving zijn en vernieuwing.

Laten we tegelijk op onze hoede zijn. God wil niet dat je te makkelijk over vergeving praat. Dat zonde toegedekt wordt. Kwaad moet kwaad genoemd worden. David zegt: mijn zonden staan mij voor ogen. De pijn van wat hij heeft aangericht, iemand gedood, het huwelijk van Batseba kapot gemaakt, is bijna niet weg te doen. Hebben we in de kerk voldoende aandacht voor mensen die het slachtoffer geworden zijn van kwaad en zonden? Iemand die dat zijn leven lang mee moet dragen. Is daar oog en hulp voor? Of spreken we te snel over vergeving? We leven, helaas!, in een gebroken wereld. Ook met de doop wil het niet zeggen dat de wereld nu heel is. Ons leven lijdt ons de gevolgen van de zonden en is kent vaak pijn en verdriet. Ook ons blijft dat niet bespaard.

En toch … het is vandaag feest. Er klinkt een goede boodschap, het evangelie. God heeft zijn Zoon gegeven. Hij heeft voor ons de weg naar het paradijs geopend. Hij heeft gezegd wie gelooft en zich laat dopen zal gered worden. Juist waar Hij verschijnt, ontdekken mensen hun eigen zonde: denk aan de belastingbeambte Zacheüs die opeens zag hoe fout hij was geweest; denk aan Petrus die zich naast Jezus opeens heel klein en zondig voelt en uitroept: Ik zondig mens! Soms is het moeilijk om je zonde concreet te zien: maar hoe dichter je bij Jezus leeft, hoe meer je zonde in beeld komt en je concreet dingen kunt benoemen. Maar juist rondom Jezus komt dan ook de verandering op gang: de ziekte wordt genezen, de boze geesten uitgedreven, Zacheüs gebruikt zijn geld weer goed en Petrus vertelt over de goedheid van Jezus.

Waar David om bidt is gebeurd: God heeft zijn heilige Geest uitgestort. Zullen we bidden om die Geest, zodat er ook werkelijk bevrijding en vernieuwing in ons leven mag zijn. Dat je niet alleen bidt om vergeving, maar ook bidt om een nieuw hart. Dat de vrucht van de Geest in je leven mag gaan groeien. Zo mag je van geslacht op geslacht het feest van de bevrijding vieren en gaan op de weg dit God je wijst. Amen.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Advertenties

Zondag 31 – blaas op de ramshoorn!

oktober 18, 2018

Preek gehouden Heemse

Tekst: Zondag 31

 

Geliefde gemeente van Jezus Christus,

Gelukkig zijn er mensen die ons land bewaken! Er mochten moslims opgepakt worden die een aanslag wilden plegen. Misschien waren er wel tientallen mensen om het leven gekomen op een station of bij een voetbalwedstrijd als er niet iemand heel wakker en oplettend was geweest en gezegd had: deze mannen moeten gearresteerd! En gelukkig zat de AIVD ook niet te slapen toen een paar Russische spionnen achter de geheimen van het atoomagentschap probeerden te komen. De mannen werden opgepakt en het land uitgezet. Als inwoner van Nederland ben je blij dat zo rampen voorkomen worden!

 

Maar wat als ze daar wel hadden zitten slapen? Dan was er misschien wel een aanslag gepleegd. Dan waren er misschien wel doden gevallen. En dan: je mag hopen dat ze het zelf overleven, maar daarna zullen ze wel moeten uitleggen waarom ze het niet in de gaten hadden. Moet de verantwoordelijk minister misschien wel aftreden. Wordt het “hoofd” geëist van de minister, omdat hij niet goed opgelet heeft.

 

Niet alleen ons land kan in gevaar zijn. Ook je leven kan in gevaar zijn. We lazen in de catechismus dat God een boodschap van redding heeft, voor wie het gelovig aanneemt. Maar eens komt de grote dag, Ezechiël spreekt over Gog en Magog, een dag van oordeel waarop degene die zich niet bekeert, niet in God gelooft verloren zal gaan. Wanneer jij niet in Jezus gelooft, wanneer je niet je afkeert van de zonden en je keert tot Hem, dan komt er een enorme ramp: dan zul je Gods toorn voelen over je leven. God zal het kwaad niet laten bestaan, maar Hij zal het straffen.

 

Het is dus maar goed dat God ook voor dat oordeel waarschuwt. Dat Hij wachters en wakers aangesteld heeft die moeten waarschuwen als dat oordeel komt. Over die mensen hebben we het vandaag als we het hebben over de twee sleutels van het koninkrijk: de verkondiging van het woord en de kerkelijke tucht, zeg maar: de preken en de momenten dat je persoonlijk aangesproken wordt. We zijn geroepen om elkaar te waarschuwen tegen de zonden, maar met name de ouderlingen en predikanten zullen ook in de bezoeken thuis moeten troosten, onderwijzen, maar ook waarschuwen.

 

Is het dan zo erg? In de tijd van Ezechiël hoorde men hem ook wel praten. Hij was een profeet, door God aangewezen om te waarschuwen tegen het gevaar. Toch gingen de mensen naar hem toe en zeiden: wat kan hij mooi praten, wat kan hij mooi spelen. Bijzonder zo’n man met van die mooie verhalen. Hij kan het goed brengen. Maar ondertussen gaan ze gewoon door met hun zonden, hun afgoden, hebben ze hun mond vol van liefde, maar denken ondertussen vooral aan hun eigen voordeel. De mensen nemen Ezechiël niet serieus.

 

Maar ondertussen bereikt wel verschrikkelijk bericht Ezechiël. Hij was zelf al 11 jaar geleden uit Jeruzalem weggevoerd. Hij woonde al in Babel. Samen met veel belangrijke mensen, met de notabelen, was hij al weg uit het land. Maar nu hoort hij dat Jeruzalem helemaal in puin ligt. Dat God zijn volk gestraft heeft. Dat de muren van Jeruzalem omver gehaald zijn en de tempel verwoest is. God is gekomen met zijn straf. God heeft niet eindeloos geduld gehad. In Jeruzalem is duidelijk geworden: God kan komen om zijn oordeel te geven.

 

Juist daarom wordt hier in dit hoofdstuk nog één keer de opdracht van Ezechiël herhaald. Ezechiël: je bent aangesteld om bovenop de stadmuur te staan. Als de stad in rust is en de mensen slapen, als de mensen bezig zijn met hun eigen dingen, moet jij op de uitkijk staan. Als het zwaard dan komt, als er gevaar dreigt: dan moet jij op de hoorn blazen. Dan moeten de sirenes afgaan. Dan moet er gewaarschuwd worden. Zodat de wapens gepakt kunnen worden, de poorten gesloten worden, zodat de stad voor een ramp wordt bewaard en niet wordt ingenomen.

 

Maar wat als Ezechiël wel slaapt? Als hij net een spelletje zit te doen of gezellig met zijn vrienden zit te kletsten. Dan komt de vijand wel de stad binnen. Dan worden er mensen gedood. En mocht Ezechiël het er levend afbrengen: dan zal hij voor de krijgsraad verschijnen en zal hij gestraft worden voor zijn fouten.

 

Wat een verantwoordelijkheid draagt Ezechiël. Wat een verantwoordelijkheid dragen dus ook de ouderlingen en met name de predikanten om te waarschuwen. Om het kwaad ook kwaad te noemen, zonde zonde te noemen, om op te roepen tot bekering als mensen op een verkeerde weg zijn. Zoals het ook staat in het formulier van ouderling; ze gaan op bezoek om de mensen te waarschuwen. Ook de Hebreeenschrijver zegt: uw voorgangers zijn het die waken over uw zielen. Zij houden de wacht!

Doe je dat ook als ouderling? Doe ik dat als dominee? Wanneer heb je dat voor het laatst gedaan? Wanneer heb je verteld dat het uitmaakt hoe je leeft en wat je gelooft en wat je kiest, en dat het een keus is tussen eeuwig leven en eeuwig straf. Vroeger werd wel gezegd: neem de tekst van Ezechiël maar niet al te zwaar. Dan kun je als ouderling of dominee toch bijna niet meer slapen. Als jij verantwoordelijkheid hebt. Dat het jou aangerekend wordt als je iemand niet gewaarschuwd hebt. Maar zijn we de laatste jaren niet erg makkelijk gaan denken over de taak van de ouderling?

Misschien voel jij, als ouderling, dat wel als een verantwoordelijkheid. Maar laten we eerlijk zijn, kun je in deze tijd nog wel iets met de tucht. Dat iemand jou gaat zeggen dat je niet teveel moet drinken, dat je beter voor je huwelijk moet zorgen, dat je meer oog moet hebben voor je naasten, dat je beter met de schepping om moet gaan. Je leeft toch je eigen leven? Je bepaalt toch zelf wat je doet? Die tijd zijn we toch wel voorbij dat iemand jou ga zeggen wat wel niet kan. Tucht: elkaar aanspreken is toch van vroeger. Dan krijg je toch zo’n benauwde wereld waarin iedereen elkaar in de gaten houdt?

 

Waarom laten we niet gewoon iedereen toe tot het avondmaal? Waarom kan niet gewoon iedereen zijn kinderen laten dopen? Past het niet meer bij deze tijd om gewoon een soort ‘volkskerk’ te zijn, zonder dat je elkaar gaat zeggen wat wel of niet past bij het evangelie? Waarom moet een kerkenraad toezien op leer en leven?

 

Als antwoord zou ik willen geven: omdat je zo laat zien dat je om elkaar geeft. Dat het je niet koud laat wat de ander doet. En dan is het niet alleen iets van de kerkenraad. Ieder in de gemeente wordt opgeroepen om elkaar aan te spreken. Dat kan alleen als je er bent voor elkaar, op de goede momenten, maar ook op de moeilijke momenten. Om elkaar aan te sporen.

Je waarschuwt je kinderen voor het verkeer, en hoopt dat veilig thuis komen.

Alcohol: nix onder 18; Niet roken-dodelijk;

ouderen: niet mopperen; oog voor je kinderen of druk met werk en schermpjes

Voor het geloof ook waarschuwen?

Want zegt God: ik ben vind het niet fijn als een zondaar omkomt. Ik heb er geen plezier in als de spotter verloren gaat. Ik vind het niet fijn als iemand zonder mij leeft en zich niet bekeert. Waarom stel Ik een wachter aan? Om te zorgen dat iemand tot inkeer kan komen, dat je gered kan worden. Waarom heb ik mijn zoon gezonden als de grootste profeet: omdat Hij zo door zijn sterven kon laten zien dat Hij wil dat een ieder die in Hem geloofd niet verloren gaat, maar eeuwig leven heeft. De wereld ligt als onder het oordeel, dat komt hij niet vertellen. Uit onszelf zouden we al verloren gaan: maar de goede boodschap van de wachter is juist dat je gered kan worden. Dat je eeuwig leven kan krijgen. Dat God deze wereld liefheeft.

 

Je kunt je voorstellen dat de mensen het niet altijd fijn vinden als je wijst op iets wat niet goed is. Als je iemand ontdekt aan zonden. Op dat moment is Jeruzalem al een keer geplunderd en de stad van God wordt helemaal verwoest. Juist op dit moment zien sommigen dat de waarschuwing niet voor niets was. Ze zeggen: Onze misdaden en onze zonden, ze worden ons aangerekend. Al die momenten dat we niet luisterden en deden wat God van ons vroeg. Al die jaren dat we God zijn vergeten. Hoe kan er nu redding zijn. Kennelijk kun je zo in de put raken van je zonden: je hebt een verkeerde keus gemaakt. Jij bent degene die is gaan rijden met zoveel drank op, jij hebt een zonde gedaan waar een ander bijna aan onderdoor gaat. Kun je dan gered worden?

 

Juist dan mag Ezechiël zeggen: God wil dat je gered wordt. Hij wordt blij als je tot inkeer komt. En Hij noemt ook voorbeelden van wat er dan gebeurt. Diegene die iets in onderpand had genomen, en het niet teruggegeven had, geeft het weer terug. Diegene die gestolen heeft die geeft het weer terug. Denk aan hoe Zacheüs weer orde op zaken bracht. Bekering wil zeggen dat je met je hart voelt, met je mond zegt, maar ook in je daden laat zien dat je anders wil. Wat geweldig als de mensen zo weer tot inkeer komen.

 

De catechismus wijst aan dat er twee sleutels zijn. Aan de éne kant de preken. God laat op de preekstoel horen dat het rijk open kan gaan en dicht kan. Dat wordt gezegd tegen ieder gezamenlijk, maar ook tegen jou persoonlijk. En dan is het niet: ik ben binnen, dus er dreigt geen gevaar. Nee: steeds weer moet je wakker geschud worden. Elke keer als je het met een geloof hart aanneemt dat Christus voor je gestorven is, dan wordt je gered. Mag je zeker zijn van je redding. Maar als je je niet bekeert, als je een huichelaar bent en doet alsof, dan blijft Gods toorn op je, zolang je je niet bekeert. Wat is het belangrijk dat de preken ook zo klinken: dat het aankomt op een keus. En dat je zelf de preken ook zo hoort!

 

De tweede sleutel is de meer persoonlijke sleutel. Dan komt er iemand op je af, en spreekt je ergens op aan. En als het niet landt, neemt hij een ander mee. Hij probeert je te overtuigen om te stoppen met dat wat niet goed is. Wat geweldig als je dan tot inkeer komt. Voor niemand gaat de deur dicht, als je tot inkeer komt en je redding bij Jezus zoekt. Maar als je volhardt. Als je de boodschap niet aan wil nemen, dan kan de ouderling komen met de boodschap: ‘als het klopt dat je zo in het leven staat, dan is het koninkrijk van God voor jou gesloten.’ Hij blaast op de hoorn en waarschuwt je voor gevaar. De catechismus zegt: dan word je dus uit het rijk van Christus gesloten. Het is niet een ouderling of kerkenraad die iets beslist: het is een kerkenraad die na wil zeggen wat we in de bijbel lezen, wat de wachter vertelt: laat je redden door de enige naar die er is, laat je redden door Jezus Christus.

 

Ezechiël is weer op zijn post gaan staan. Ook toen het land verwoest was. De mensen dachten nog: als God aan Abraham gedacht heeft, zal hij ook wel aan zijn kinderen denken. Maar, Ezechiël, moet helaas zeggen het onheil komt! En pas daarna zal God, als de straf betaald is, zich ontfermen over zijn kinderen.

 

Wij weten het: eens mogen we binnengaan in de lichtstad met de paarlen poorten. De stad van God. Het is een tehuis voor moede pelgrims. We bidden voor iedereen, we sporen elkaar aan om mee te gaan, we bidden voor onszelf, om niet achter te blijven, maar met elkaar straks juichend te staan in het nieuw Jeruzalem. Dat God u, jou en mij dat in zijn genade mag schenken. Amen

 

 

 

 

 


Ezechiel 38 en 39, Op. 20 – Gog en Magog

oktober 1, 2018

Preek Heemse/Lemelerveld

Tekst: Ezechiël 38/39; Openbaring 20:8

 

Geliefde gemeente van Jezus Christus,

[#1] Wanneer je op internet kijkt dan kom je soms filmpjes tegen waarin gezegd wordt: de laatste oorlog, de beslissende slag komt eraan! We leven in de eindtijd en nog even dan gaat het gebeuren. Ik zag bijvoorbeeld een filmpje waarin gezegd werd: nu er een top geweest is waar Putin van Rusland, Erdogan van Turkije en Rouhani van Iran elkaar ontmoet hebben: nu gaat het gebeuren. Nu komt er een grote aanval uit het noorden. Nu hebben de machten die noordelijk van Israël liggen de handen in elkaar geslagen en zullen optrekken naar Jeruzalem. Nog even en dan is het einde! [Groeit Ester wel op in een veilige wereld?]

 

[#2] Ongeveer 200 jaar geleden komen we deze manier van bijbellezen al tegen. Profetieën uit de bijbel worden heel direct betrokken op de machten die het nu voor het zeggen hebben. In Nederland heb je al heel lang ‘het zoeklicht’, dat ook steeds op zoek gaat naar hoe profetieën nu in vervulling gaan. In de jaren zeventig had je Hal Lindsey. Van zijn boek zijn miljoenen exemplaren verkocht: het is één van de best verkochte boeken uit die tijd. De staat Israël, die sinds 1948 bestond, was voor hem het teruggekeerde volk van God, een vervulling van de profetie. Maar ook hij besteedt zijn vijfde hoofdstuk een strijd die nog zal komen. Niet de Arabieren, maar uiteindelijk de Russen, met bondgenoten, zullen uiteindelijk een grote aanval op Israël inzetten.

 

[#3] Nu heb ik niet het idee dat je heel snel met deze discussie en voorspelling in aanraking komt. Maar toch zijn het wel vragen die op kunnen komen als je je afvraagt hoe de eindtijd zal gaan. Ds. Heij heeft al gepreekt over de duizendjarige periode, Ds. Dunnewind over de plaats van Israël, vandaag willen we het hebben over Gog en Magog. We lazen net dat als de periode van duizend jaar voorbij is, Satan Gog en Magog zal verleiden en de volken uit de vier hoeken van de aarde bijeenbrengt. Wat wordt hier bedoeld? Over wie gaat het hier? In welke tijd gaat dit in vervulling?

 

[#4] Vertrouw op God die een eind maakt aan alle kwaad

  1. Hij heeft de volken in zijn macht
  2. Volken die staan voor het kwaad
  3. De eindoverwinning komt van God
  4. Hij heeft de volken in zijn macht

Wanneer openbaring spreekt over Gog en Magog zijn dat termen uit het boek Ezechiël. Ezechiël was een profeet die sprak voor de ballingen in Babel. De mensen die ver van hun eigen huis leefden, in een vreemd land, ver bij Jeruzalem vandaan. Ezechiël lijkt op andere profeten, wanneer hij het volk waarschuwt tegen zonden, wanneer hij het heeft over de straf van God. Maar het bijzondere is dat Ezechiël niet alleen profeteert, maar ook de toekomst onthult, openbaart. Net zoals Johannes een openbaring krijgt. Hij heeft apocalyptische, eschatologische gedeeltes. [#5] In de eerste drie hoofdstukken als hij een groot apparaat ziet, met wezens eromheen. Aan het eind ook als hij van hoofdstuk 40-48 de nieuwe tempel beschrijft. Een geweldige droom van de Israelieten: dat er weer een tempel zou zijn.

[#6] Dat is de verre toekomst: de Messias komt terug en zit op de troon. Maar in hoofdstuk 36 en 37 heeft hij al mogen vertellen dat het volk weer terug mag gaan naar het land. God zal herstel geven. Israel en Juda worden verenigd. Het dal met doodsbeenderen komt tot leven. God geeft zijn Geest en ze zullen leven onder het nieuwe verbond. Israel keert terug en het heil gaat gloren!

In hoofdstuk 38 lezen we dan hoe Israel in vrede leeft. Ze zijn net van de oorlog hersteld. Ze zijn wonen weer op de bergen die lang onbewoond waren. Ze leven daar zonder zorgen. Ze hebben geen muren om de steden. Ze hebben geen grendels en poorten. Een kwetsbaar volk, dat geloofde dat ze eindelijk iets van de vrede hadden die God beloofd had.

[#7] Het is alsof de vlaggen uitgestoken zijn op bevrijdingsdag, maar plotseling beginnen de sirenes te loeien. Maar dan grijpt God Gog uit Magog. Wie dat is? Men heeft dat op veel manieren willen verklaren en opzoeken. Het land Gaga in Noord-Syrie, Gyges in Lydie, of men dacht het gaat om GUG dat duisternis en kwaad betekent. En Magog dan: waar ligt dat. We komen het wel tegen in Genesis. Het zou kunnen gaan om gebieden in de Kaukasus. In ieder geval in het noorden: uit het noorden kwam altijd het kwaad voor Israel. Anderen spelen met de letters en maken er Babel van of Moskou. Ik denk dat we in ieder geval hier niet precies moeten gaan invullen. Het is openbaring, toekomstprofetie: Gog uit Magog is de onbekende vorst van de duistenis, die van ver komt om ons met zijn kwaad en onheil te treffen.

Als een gevangen wild dier grijpt God hem bij de kaken en sleurt hem mee. Hij laat hem en zijn gevaarlijke legermacht optrekken naar Gods volk. Vele andere volken sluiten zich erbij aan. Dat doet denken aan openbaring: talrijk zijn ze als de zandkorrels van de zee. God schakelt hem in: zo was het met de Farao uit Egypte, zo was het met Nebukadnessar uit Assur, en later in de geschiedenis met Egyptische en Romeinse machthebbers. Zo is het eeuw in eeuw uit. De groten van de aarde: ook de Amerikanen, Russen, Chinezen, Moslims. Ze zijn in de handen van de almachtige God. Hij houdt de teugels van het wereldbestuur vast. Hij regeert.

[#8] Wat dat betreft mag dit stuk enorm bemoedigend zijn. Als je zelf het overzicht verliest en net snapt wat er met de volken gebeurt. Als je hoort van een grote Moskee in Duitsland die Erdogan opent, een aanslag die verijdeld wordt, als je de vluchtelingen stromen ziet, als je een president ziet in Amerika die anders is dan alle anderen. Dan hoef je niet krampachtig die terug te zoeken in de bijbel. De bijbel is geen puzzelboek. Maar je mag wel weten, wat Psalm 2 al zingt, wat je hier ook ziet. Al die volken zijn uiteindelijk een werktuig in Gods hand. Hij regeert, zijn koninkrijk staat vast. God heeft zijn plan vastgesteld en zal dat uitvoeren. Soms herken je misschien iets van de tekenen van de tijden. Je hoeft niet verbaasd te zijn dat er oorlog, verdrukking en hongersnood komt. Je mag geloven: ondanks al die dingen voert God zijn plan uit. Hoe raadselachtig Gods leiding soms ook is, Hij is de almachtige. Niet alles wat gebeurt is zijn wil, maar wat Hij wil dat zal altijd gebeuren.

 

[#9] 2. De volken die staan voor de macht van het kwaad.

Wat je ziet gebeuren als Gog optrekt, is dat de volken met hem meegaan. Opvallend is dat ze denken dat ze zelf dit bepalen. Ze weten niet dat ze door God ingeschakeld zijn. Ze hebben hun eigen plannen. Ze willen er zelf beter van worden. Ze denken: zo’n volk zonder muren en verdediging dat gaan we aanvallen en dan kunnen we er zelf rijk van worden. Ze gaan er heen om het te plunderen, te beroven en er buit te halen. Eindelijk denkt Israël rust te hebben, maar toch komt de vijand er dan aan. En anderen die ervan horen gaan mee: zij willen ook wel delen in de buit. Wat dat betreft is er maar weinig veranderd: wie de macht heeft plundert en rooft om er zelf beter van te worden en zwakken leiden er onder. Zo was het, zo is het en zo zal het zijn.

[#10] Maar dan volgt het opvallende vers 17: Ben jij de man die ik zou sturen? Waarvan ik al bij monde van de profeten gezegd heb dat hij zou komen? Een heel bijzondere uitspraak. God heeft op veel plaatsen de komst van de Messias versteld. Dat Jezus zou komen klinkt steeds weer door in de bijbel. We staan er vaak genoeg bij stil als het weer kerst wordt: “ik zal vijandschap zetten”; “Sterkte vorst, Zoon van God”; “Zie de maagd wordt zwanger”: “En jij, Bethlehem Efrata”. Maar er is ook een andere lijn in de profetie. Er zal een macht komen om Israel aan te vallen. Hier wordt die macht Gog genoemd en op andere plaatsen de Satan, de mens van de wetteloosheid of de heerser van de duisternis. Dat is ten diepste de lijn die we hier zien.

[#11] Er zijn mensen die ervoor kiezen om dit historisch te lezen. Dan is het geen profetie over de eindtijd, maar dan gaat het in vervulling op het moment dat Israël uit de ballingschap is teruggekeerd. Dan zou dit allemaal al gebeurd zijn, nadat Haggai en Zacharia met het volk waren teruggekeerd. Dan hoef je vandaag niets met deze profetie, want het is toen al gebeurd tegenover de teruggekeerde Israëlieten, voordat Jezus terugkwam. Nu kan het best zo zijn dat een gedeelte al in vervulling is gegaan. Maar laten we vooral ook op het unieke van deze profetie te letten. Hier komt nergens naar voren dat Israël gestraft wordt om de zonden. Dit is geen nieuwe ballingschap. In het boek Ezechiël, dat vertelt over herstel, over een nieuw verbond past dit heel duidelijk in een finale eindtijd. God geeft herstel. God zal eens een nieuwe volmaakte tempel geven. Hij zal zitten op zijn troon. En voor die tijd komt nog één keer de hele volkerenmacht in opstand.

Dan is het niet aan ons om dat precies in te gaan vullen, zoals Hal Lindsey deed. Het bijzondere is ook dat het boek nu bijna 50 jaar oud is en je ook ziet hoe gedateerd het is. Toen met de spanning van de koude oorlog, een prille staat Israël lijkt het allemaal precies aan te wijzen. Maar je ziet nu dat sommige dingen toch echt niet kloppen. Dat hij te snel lijnen getrokken heeft. Wij hebben niet het inzicht dat de profeten hadden, om heel precies alles in te vullen.

Maar wat we hier wel van leren, wat we ook beschreven zien in Openbaring 20, is dat er als Christus terugkomt alle volken bijeen zullen komen. Dat ze denken dat ze alle macht kunnen pakken. Dat ze in hun eigen ogen het goede zullen doen. Dat zal, wanneer de vredetijd aanbreekt, dan even lijken alsof het nog mis dreigt te gaan. De satan is machtig, volken staan op, het is voorzegd, maar uiteindelijk zal hij het onderspit delven. Is zijn macht gebonden door de macht van Jezus Christus.

 

[#12] 3. De eindoverwinning komt van God

Wat gebeurt er als al die volken samen optrekken? Dan zijn het niet de kinderen van God die in hun vrederijk toch nog wat wapens bij elkaar moeten zoeken. Dan houdt Gods volk niet stand omdat ze toch nog sterk zijn. Nee, dan laat God zien hoe Hij toornt tegen het kwaad, tegen Gog en de volken, tegen die duivelse machten. Er zal een enorme aardbeving komen waardoor muren en bergen instorten. Dat zal hun aanval verijdelen. Bovendien zal God paniek zaaien (net als Gideon bij de midjanieten) en ze zullen tegen elkaar het zwaard opnemen. God zal besmettelijke ziektes sturen. Hij zal hagelstenen sturen en vuur op hen laten neerkomen. Het is niet door de kracht van mensen, maar door de kracht van God dat de overwinning komt. Hij zegt: Ik zal laten zien dat Ik heilig ben!

Vervolgens beschrijft hoofdstuk 39 hoe de wapens van de vijanden gepakt worden en verbrand worden. Hoe de lijken verzameld moeten worden en voorgoed begraven worden. Het land moet weer heilig worden. De vogels: de aasgieren zullen komen om ervan te eten. Die vijand wordt vernederd en vernietigd.

Dan legt God ook uit waarom Hij dit deed: Hij heeft zelf zijn volk gestraft, maar nu wil Hij hen ook weer in vrede laten wonen. Hij wil laten zien dat Hij heilig is. Dat Hij groot is en geen kwaad verdraagt. Hij wil met zijn Geest een nieuw begin maken. Een geweldige beschrijving die laat zien dat God troont boven de geschiedenis en dat je je bij die God veilig mag weten.

[#13] Waarom doet God dit zo op deze manier? Waarom komen eerst die volken samen? God wil als de duizendjarige periode voorbij is, de tijd waarin we nu leven, een eind maken aan de macht van de volken. Nog één keer komt heel duidelijk hun kwaad naar voren. Dit zijn de mensen die slecht willen. Die willen plunderen en leven ten koste van anderen. Maar juist als die dan verzameld zijn. Zullen alle volken door God gestraft worden, zal God hen van de aarde weghalen en ook de landen waar ze vandaan komen. Elk oog zal hem zien als hij komt! Eens zal de hele wereld nieuw worden. God is heilig en dan zal zijn heilige tempel kunnen komen. Dan kan Hij op de troon zitten. Dan is het voorgoed gedaan met het kwaad.

Daarmee komt de vraag terug bij u, jou en mij. Die vraag is niet: kun je vandaag precies aanwijzen in welke periode we zitten. Ezechiël en Openbaring zijn geen boeken die je leest als een zo’n boek dat door een draaiorgel heen draait en dat stap voor stap uitkomt. Er zijn allemaal lijntjes. Soms herken je iets, zie je iets van de geestelijke strijd en de macht van God. Merk je zelf die macht van het kwaad om je heen. Maar de vraag is: waar wil je wonen? Waar wil je schuilen? Leef je je leven tegenover God, los van God? Of wil je wonen in Gods huis, vertrouw je op Jezus Christus die eens de macht van het kwaad verslagen heeft en eeuwig zal heersen op de troon. Kies daarom vandaag wie je dienen wilt en leg je leven vol vertrouwen in de handen van de machtige God. Amen.


Efeze 1:13,14 – Bij God mag je je veilig voelen

september 17, 2018

Preek Heemse, 16 september 2018

Tekst: Efeze 1:13-14

 

Geliefde gemeente van Jezus Christus,

[#0!] Het is alsof je een enorme kathedraal inloopt als je deze brief van Paulus begint te lezen. Wat een grote woorden spreekt Paulus in dit gedeelte. Hij is wel heel zeker van Gods liefde voor ons. Hij brengt lof aan God in de hemelse heerlijkheid. Hij mag iets van Gods grote plannen zien. Wat geweldig als je zo onder de indruk kunt zijn van God, de drieenige. Zijn uitverkiezende werk als Vader, het verlossende werk van de Zoon, het werk in ons van de Heilige Geest.

Wat geweldig als je vanmorgen bij doop hoort:

God de Vader is degene die het kwaad bij me vandaan houdt of hij laat het bijdragen aan het goede;

God de Zoon neemt al je zonden weg en garandeert je een nieuw leven.

God de Geest: garandeert dat hij in je komt. Dat je één bent met Jezus.

Wat God vooral wil met zijn boodschap is een enorme zekerheid, troost en bemoediging geven. Je mag je veilig voelen bij God.

 

[#1] Maar voel je je ook veilig. Voel je zekerheid en troost? Zijn dit niet te grote woorden? Kun je je niet eerder vaak heel angstig en onzeker voelen. Gaat het je allemaal lukken, komt het goed? Dat je je zorgen maakt over je opleiding of baan. Wat er allemaal gebeurt in de samenleving (ongelukken, drank, vereenzaming), wat er allemaal gebeurt in de wereld (orkanen, raketten, handelsconflicten). Zorgen over een relatie, over je gezondheid, psychische moeite. Lijkt de weg die we moeten gaan niet eerder op een bergpad langs de rand van een afgrond, waarbij je moet zoeken waar je je nog af aan vast kan houden, dan op een brede, stevige, nieuw geasfalteerde N34 waarbij je bijna niet afvraagt of je de witte paal wel zult bereiken.

Vanmorgen mogen we leren hoe we toch, ondanks alle dingen die gebeuren, ons veilig mogen voelen bij God. Hoe God ons wil helpen om dat vertrouwen in ons leven te krijgen, omdat hij zelf betrouwbaar is. Daarom de volgende boodschap:

[#2] Bij God mag je je veilig voelen

  1. Vertrouw op de redding door Jezus
  2. Hij merkt je met het stempel van de Heilige Geest
  3. Hij geeft een voorschot op de erfenis

 

[#3] 1. Paulus verwijst naar de boodschap van de waarheid. Hij spreekt grote woorden, maar tegelijk weet hij dat het voor de mensen in Efeze ook niet allemaal zo makkelijk liep. Hij wist van de spanningen die ze hadden. Spanningen tussen de joden, die het teken van de besnijdenis hadden, en niet joden zich af en toe af vroegen of ze er wel helemaal bij hoorden: lukt het om samen op te trekken?

In de tweede helft van de brief proef je ook verdriet. Jullie manier van leven botst met de boodschap die Jezus geeft. Hij spoort hen aan toch totaal anders te leven. Om te letten op hun woorden, hun gedrag, hun keuzes. Hij zegt zelfs: pas op dat je de heilige Geest niet bedroeft. Als hij zo spreekt dan krijg je het idee dat hij het juist onzeker maakt voor de mensen in Efeze. Mogen ze wel zo zeker zijn van hun redding? Kunnen ze er wel op vertrouwen dat ze door God uitgekozen zijn? Zullen ze wel in het licht blijven. Vragen die ons ook zomaar kunnen overvallen: mag ik me wel veilig weten bij God, als ik mijn zonden zie, mijn laksheid, mijn taalgebruik, mijn fouten?

Zeker als Paulus dan aan het eind nog spreekt over een geestelijke strijd. Niet tegen de heersers van de aarde, maar tegen de machten en krachten in hemelse gewesten. Hoe lukt het je om staande te blijven als er zoveel op je afkomt. Paulus heeft toch zelf ook meegemaakt dat hij niet altijd veilig was? Als je zijn zendingsreizen leest dan kom je onder de indruk van de gevaren die hij liep. Hij werd gearresteerd en in de gevangenis gegooid, hij kwam bijna om omdat het schip waarop hij zat in de storm terecht kwam, hij leed honger en had dorst, allemaal moeilijke omstandigheden. Allemaal zaken die meer lijken op dat smalle bergpad. Waar je dan maar moet zoeken waar je je houvast moet vinden.

[#4] Je kan soms denken: kun je wel zo zeker zijn. Als me zoveel kan overkomen in mijn leven. Als er zoveel gevaren zijn. Als Paulus ook zo waarschuwt om de goede strijd te strijden. Kun je dan juist ook niet makkelijk verliezen, verslagen worden, het onderspit delven. Dan is het toch juist heel spannend. Dan ben je toch niet veilig, maar mag je blij zijn als je de eindstreep haalt. Blij zijn als het schip waarop je zit niet zinkt.

Toch wil Paulus hier ons zekerheid leren. Want waar waarschuwt hij voor? Wat ziet hij als een groot gevaar? Als je op eigen houtje de geestelijke strijd gaat voeren. Als je weg gaat bij Jezus en alleen door het leven wil gaan. Als je je zekerheid gaat zoeken bij allerlei andere zaken. Wanneer je je zekerheid gaat zoeken in je opleiding of baan, dan raak je de veiligheid kwijt. Wanneer je bij je familie of je gezondheid je laatste houvast zoekt, kan je de grond onder je voeten voelen wegglijden. Als je vertrouwt op eigen kracht of krachten van andere zaken, raak je aan het wankelen. Paulus wijst erop dat je juist niet veilig bent, als je je zekerheid in iets anders dan God zoekt. Paulus waarschuwt, wijst op gevaren: maar dat is met name om je te wijzen op wat er gebeurt als je Jezus loslaat. In Jezus hoef je niet bang te zijn. Alleen in Jezus Christus ben je veilig en heb je echt houvast.

[#5] Wat is je enige troost in leven en sterven. Wat is echt een houvast? Waar je je aan vast kan grijpen als je wankelt. Dat is Jezus. Net hiervoor heeft Paulus hem heel vaak genoemd, meestal bij zijn naam, maar ook door te verwijzen naar hem: in hem, door hem. Wanneer het gaat om Gods eeuwige plan, God verkiezende liefde, zijn vergeving en zorg, dan krijgen we daar deel aan door Jezus. Wie in Christus zijn houvast zoekt, die mag de veiligheid en bescherming vinden die God belooft. Die vindt vaste grond. Daarom kan Paulus hier zeggen: dit is het evangelie van de redding. Dit is de boodschap van de waarheid. Die boodschap hebt u aangenomen. Of je nu van geboorte Jood bent of niet, alles draait om Jezus. Zijn weg door aanvechtingen, moeite en pijn. Zijn weg die uiteindelijk een bloedige weg werd aan het kruis, waar Hij zijn leven losliet om het ons te geven. Zijn weg is Hij gegaan: om voor ons een veilige weg te openen. Nu is er niets meer dat ons kan scheiden van de liefde van God in Jezus Christus.

 

[#6] 2. Hij merkt je met het stempel van de Heilige Geest

Om deze zekerheid extra te onderstrepen wil Paulus met name wijze op de Heilige Geest. Hij alleen kan ook dat gevoel van zekerheid in je hart brengen. En dan gebruik hij twee woorden, twee voorbeelden om het werk van Geest duidelijk te maken: het woord stempel en het woord voorschot. Laten we eerst letten op het woord stempel. Dat woord kan verschillende betekenissen hebben. Het wordt ook wel vertaald met zegel.

Je kunt bijvoorbeeld denken aan een handtekening. Wanneer vroeger een koopovereenkomst of een contract getekend moest worden, dan zette je geen handtekening, maar je liet wat zegellak op het document lopen. Dan drukte de koning daar zijn zegelring in: vaak stonden daar de letters van zijn naam in. Dan wist je: het is waar en zeker. De koning heeft zelf dit contract ondertekent.

Het tweede waar zo’n zegel voor gebruikt is, is om iets af te sluiten. Te verzegelen: in openbaring is er een verzegelde boekrol. Die mag niet zomaar geopend worden. De leeuwenkuil van Daniel wordt verzegeld met het zegel van de koning en van de bestuurders. Niemand kan er meer bij komen.

En het derde waar zo’n zegel op kan wijzen, is dat iets van jouw eigendom is. Het is jouw bezit, dus je merkt het met jouw zegel, met jouw stempel. In de boeken van de bibliotheek zit een stempel dat die boeken van de bieb zijn, op de kerkboeken van de kerk staat: eigendom Kandelaarkerk. Ik las dat vroeger slaven soms een teken kregen dat ze van hun heer waren, een soort tatoeage en dat ook vee wel gemerkt werd met een stempel.

Heb jij, heeft u het stempel van de Heilige Geest ontvangen? Tja, wat is dat. Het is niet zo dat we bijvoorbeeld een tatoeage aan kunnen wijzen en dan zeggen: kijk ik hoor ook bij Jezus. Al is het natuurlijk wel mooi als je laat zien dat je bij Jezus hoort, bijv. door een kruisje te dragen. Zou je mogen zeggen: ik ben gedoopt dus ik heb het stempel van de Heilige Geest ontvangen? Is de doop het merkteken van de Geest?

In de bijbel wordt wel vaak verbond tussen doop en Geest gelegd. Wanneer Jezus wordt gedoopt ontvangt hij de Heilige Geest. Petrus roept op om te dopen, en dan zegt hij: dan zal de Heilige Geest u geschonken worden. Paulus zal hier ook aan de doop gedacht hebben: de Joodse mannen hadden het teken van de besnijdenis, je kon zien dat ze bij God hoorden. Nu hadden joden en niet joden, mannen en vrouwen, Jezus aangenomen en geloofden ze in hem. Paulus zegt: u bent, door uw geloof, gestempeld met de Heilige Geest. De doop is een teken en zegel, God garandeert dat hij zeker voor ons zal zorgen. Dat teken mag Tom, mag ieder die gedoopt is zijn leven lang meedragen. Wat een mooie belofte is dat voor jullie als ouders.

[#7] Zo ben je gemerkt met het stempel van de Geest, door uw geloof! Uiteindelijk kan de doop zelf je niet redden. Je geloof in Christus. Je geloof dat je belijdt, je geloof dat door de doop onderstreept wordt, dat geeft je zekerheid dat je het stempel van God draagt. Je vertrouwen dat je bij God veilig bent, dat Christus ook jou vrijgekocht heeft. We moeten onze zekerheid en rust niet zoeken in het uiterlijke teken van de doop, maar in Christus zelf.

Zoals de koning een contract ondertekent met zijn zegelring: zo zegt God zelf. Ik zet mijn naam onder je leven. Ik zal doen naar mijn belofte!

Zoals een kuil afgesloten en verzegeld kon worden, zo zegt Jezus: Ik verzegel je leven: je bent bij mij veilig tegen alle aanvallen van de duivel.

En door dit zegel weet je het zeker: je bent van mij.

 

[#8] 3. Hij geeft het voorschot op onze erfenis

Paulus heeft uitvoerig beschreven wat we in Christus ontvangen. We krijgen deel aan hemelse gaven. Je krijgt vergeving van de zonden, je mag weten dat God voor je zorgt, dat Hij je bewaart. Je ontvangt door de Geest ook een nieuw vernieuwd leven. Toch noemt hij het ‘een voorschot’. Een onderpand, wordt ook wel vertaalt.

Wat is een voorschot of onderpand. Het is geen term van de Grieken zelf, maar een term die in de internationale handel werd gebruikt. Stel iemand leent wat van jou, hoe weet je dat het terugkrijgt. Iemand geeft je een opdracht, maar hoe weet je dat hij betaalt. Iemand reserveert een plaats op de camping, maar hoe weet je dat hij komt. De camping kan dan een voorschot vragen, dat je vast een gedeelte betaalt. Of toen we in Barcelona een fiets gingen huren wilden ze daar een copy van onze mastercard als onderpand.

Zo is de heilige Geest voor ons ook een onderpand. Nu al krijgen we iets van de geestelijke gaven. Mag je soms iets van de vrede van God ervaren. Mag je geloven in de vergeving van de zonden. Steeds opnieuw heeft Jezus beloofd dat hij zijn Geest zou geven. De Geest kwam met kracht op het pinkersterfeest. Maar daarmee is het doel nog niet behaald, hebben we nog niet deel aan de volmaakte erfenis. Die Geest is een zekerheid voor ons dat Jezus eens weer zal komen. Dat het eens helemaal volmaakt zou zijn. We zijn niet alleen met de Geest gestempeld, de Geest is zelf voor ons een onderpand, een bewijs dat we straks zullen delen in de heerlijkheid.

[#9] Zo wil God je zekerheid geven. Door de verzegeling, maar ook door het onderpand van de Geest. Daar mag je je aan vasthouden, op al de verschillende momenten van je leven. Ook als de weg soms op een gevaarlijk bergpad lijkt. De weg gaat nu nog door strijd en zorgen, maar straks mag je delen in de volmaaktheid: de erfenis, waar jij als kind van God recht op hebt, deel aan krijgt.

Zo rond Paulus dit geweldige gedeelte af. Het is alsof je even in de hemel rondloopt. Iets ziet van zijn geweldige werk, hij vertelt voor wie hij het doet: om ons zekerheid te geven. Opdat allen die hij zich verworven heeft gered zullen worden. Maar uiteindelijk komt alles weer terug bij Hem. Straks zal Hij alles zijn in allen krijgt zijn naam voor eeuwig alle lof. Alles is: tot eer van zijn grootheid. Amen.

 


Zondag 28 – Blijf delen in het lichaam van Christus

september 11, 2018

Preek gehouden in Heemse, 9 sept 2018

Tekst: Zondag 28 / 1 Kor 10

 

Geliefde gemeente van onze Heer Jezus Christus,

Wel eens meegemaakt dat iemand tot geloof komt? Indrukwekkend hoe God zo levens leidt dat iemand gedoopt wil worden.

Daar waar sommigen zeggen: ‘het geloof zegt me niets’; ‘ik kan ook wel zonder kerk’, is het bijzonder als iemand juist kiest om gedoopt te worden, door de doop één wil zijn met Jezus. Misschien pink je wel een traantje weg als je zoiets ziet gebeuren. Dat is nu de kracht van het teken, het sacrament van de doop: God laat zien hoe Hij zich met mensen verbindt, opneemt in zijn verbond.

Een teken van God voor volwassenen, en voor onze kinderen.

 

Vandaag gaat het over het avondmaal. Het andere teken, sacrament dat God geeft. Je zou kunnen zeggen: de doop verbindt je met Jezus, door het avondmaal blijf je verbonden. Maar raakt het avondmaal je net zo als de doop? Of kijk je op je horloge en zeg je, deze dienst duurt wel langer. Kijk je maar wat naar de mensen die langskomen en denk je: dat heb ik nu wel vaker gezien?

Ik hoop dat je ontdekt dat het avondmaal eigenlijk net zo’n indrukwekkend teken is. Minder bijzonder: want het gebeurt niet één keer, maar vaker.

Maar aan de andere kant een groter wonder: Gaan geloven is één, maar met Jezus en zijn gemeente verbonden blijven? Wie kan dat?

Verliefd worden en trouwen is één, maar trouw blijven in het huwelijk is twee!

  • Wie van degenen die in al die jaren dat we hier gemeente zijn gedoopt is, als kind of volwassene, is nog verbonden met Jezus?
  • Hoe sterk ben jij verbonden met Hem?

Blijf delen in het lichaam van Christus

1 – Ook al ben je zondaar, Hij laat je zeker delen in zijn lichaam!

2 – Al ben je in de wereld, wordt alleen één met Jezus Christus.

3 – Al ben je verschillend, samen ben je één in Jezus Christus.

Kort gezegd: Blijf delen in het lichaam van Christus!

1 – als zondaar

2 – als mens in de wereld

3 – als gemeente

 

1 – Ook al ben je zondaar, Hij laat je delen in zijn lichaam!

De eerste moeite die de kop op kan steken als het gaat om verbonden blijven met Jezus, is de zonde in ons eigen leven. We zijn verbonden met Jezus, maar hoe snel krijg je niet weer te maken met de zonden?

Je hebt gelezen in de Bijbel, maar even later val je uit naar een ander.

Je viert hier het avondmaal en ondertussen denk je misschien: kan dat wel voor mij bestemd zijn, is het niet schijnheilig als ik hier het avondmaal vier.

De zonde kan er zomaar zijn en kan zomaar tussen jou en God in komen te staan. Verwijdering geven tussen God en jou.

Dat is ook wat Paulus de Korintiërs voorhoudt. De Israëlieten waren allemaal opgenomen in het volk, ‘ze lieten zich allemaal in de naam van Mozes dopen, in de wolk en in de zee.’ ‘Ze aten allemaal hetzelfde geestelijke voedsel’. ‘Ze dronken allemaal dezelfde geestelijke drank’. ‘uit de geestelijke rots die hen volgde – en die rots was Christus’.

Toch mopperden later veel mensen op God en op Mozes. Ze werden door de slangen doodgebeten. Het is een voorbeeld voor ons: Iedereen die overeind staat, moet oppassen dat hij niet valt. Dat je niet omkomt in de woestijn, op weg naar het beloofde land. Dat je Jezus kwijtraakt!!

De bevrijding was een groot feest geweest, maar toen het volk eenmaal in de woestijn was, was het niet makkelijk om te blijven vertrouwen. Welke weg moesten ze gaan? Zouden ze wel komen in het beloofde land? Moesten ze nu elke dag weer datzelfde voedsel eten, dat hun neus uitkwam: manna en kwakkels?

Onze doop, onze belijdenis, ons eerste avondmaal was een groot feest. (Of als je niet gedoopt bent: het wordt een groot feest, als je gedoopt wordt!) Maar als je al jaren gelooft? Misschien vind je het maar moeilijk om je aandacht bij de dienst te houden en denk je de hele tijd aan hoe het met je paarden gaat of aan een voetbalwedstrijd. Misschien merk je dat je bezig bent met dat project op je werk of met dat wat nog geregeld moet worden voor de verjaardag. En denk je dan: ben ik wel echt met Christus verbonden? Is het wel voor mij, als ik zo weinig ervaar. Als ik hoor van Jezus liefde, en ondertussen denk aan de manier waarop ik me gisteravond tegenover mijn vrienden gedroeg; de manier waarop ik met je computer omging of als ik denk aan hoe weinig ik deze week bewust gelezen en gebeden heb?

Onze zonde en laksheid, onverschilligheid, traditie kan zomaar een levende relatie met God in de weg staan. Maar wat mocht het volk doen toen ze mopperden in de woestijn? Op het moment dat ze zeiden: ‘Wij hebben gezondigd’, mochten ze zien op de verhoogde, koperen slang. Dat was Gods teken voor zondige mensen. Het is zijn bevel, maar ook zijn belofte dat Hij je dan zal sparen.

Wat mag jij doen? Wanneer je zegt: ik heb gezondigd, mag je zien op Jezus Christus en dan word je echt met hem verbonden: daar hoef je niet aan te twijfelen. Je zonden kunnen dat niet in de weg staan!

Wat hoor je dan als je het brood en de wijn ontvangt: het brood dat wij breken maakt ons één met het bloed van Christus. De wijn maakt ons één met het lichaam van Christus. Als je dat hoort mag dat al je twijfels wegnemen: Christus komt naar je toe. Hij zegt: ‘het is mijn opdracht om het avondmaal te vieren. Doe het! Niet om wat jij gedaan hebt, maar omdat Ik je roep en ik het zeg. Ik beveel het, maar ook: ik beloof het. Je mag er zeker van zijn dat ik je zonden wegdoe! Ook jij: net zo zeker als jij nu met je ogen ziet dat het brood gebroken wordt en de beker je gegeven wordt. Zo zeker is het!

Wat is zeker? Dat dat toen en daar gebeurd is? 33 na Christus, op Golgotha? Nee, zo zeker is het: dat dat toen gebeurd is, voor u, voor jou en voor mij!

Lees Zondag 28 maar goed. Zijn lichaam is ‘voor mij’ aan het kruis geofferd. Zijn bloed is ‘voor mij’ vergoten! Het is zeker dat het voor mij is, om mij weer nieuwe kracht te geven, mijn ziel te verkwikken, om mij te doen delen is zijn genade. Dat is net zo zeker als ik dat stukje brood uit de hand van de dominee krijg en in mijn mond fijnkauw. Net zo zeker als dat ik even een nipje neem van de wijn, proef en doorslik.

Besef dat Christus met jou verbonden wil zijn, als je eet van het brood en drinkt van de wijn en zeg maar: “Jezus, dank U voor wat U deed voor mij”. Als je dat beseft, dan kan het zomaar zijn dat je vanwege die rijke inhoud, zomaar een brok in je keel krijgt en je ogen niet droog houdt!

 

  1. Krijg geen deel aan de wereld

Het tweede wat de eenheid en verbondenheid met Jezus kan verstoren, is de wereld die aan je trekt. Daarmee bedoel ik: er zijn zoveel dingen om ons heen, die ons het idee geven dat je daar je geluk kan vinden. Dat je vooral leeft voor je familie, buren, vrienden of kinderen, en dat die helemaal op de eerste plaats komen. Dat je onbewust steeds maar bezig bent om meer geld om je heen te verzamelen, zodat je altijd druk, druk, druk bent en daardoor … een mooiere auto, een beter huis of duurdere vakantie kan betalen. Word je zo meegesleept in de liefde voor je passie dat andere dingen er onder lijden? Als je je mee laat nemen door de wereld kan dat zomaar je verbondenheid met Jezus in de weg staan: blijf je ook na de viering met Jezus verbonden? Zie je dat het leven in en met de wereld (waar we natuurlijk allemaal mee te maken kunt hebben) je liefde en blijdschap voor het geloof in de weg kan staan? Je enthousiasme kan doen bekoelen. En zo dat je eerst helemaal vol was, een vereniging of bijbelstudie bezocht, je actief inzette in de gemeente, er gewoon twee keer per zondag was, maar dat langzamerhand je denkt ‘het kan ook wel wat minder, er zijn ook andere dingen belangrijk’.

Welke ontwikkeling zie je bij jezelf en bij je kinderen?

Groei je in liefde voor de Here en de tijd die je voor Hem maakt?

Of groei je in liefde voor de wereld en de tijd die je daarvoor maakt?

Reken er maar op dat kinderen feilloos aanvoelen wat je echt belangrijk vindt!

Deze keus is geen keus, die nieuw is voor christenen. Paulus neemt er in zijn brief uitgebreid de tijd voor om op deze moeilijk vraag in te gaan. De mensen van Korinthe vonden zichzelf heel ‘verstandig’. Ze wisten wel dat afgoden niet bestonden, dat vlees offeren aan afgoden bijgeloof is. Zij zeggen ook: doe niet zo moeilijk, alles is toch toegestaan. Ik kan echt wel vlees eten dat in de tempel geofferd is, want afgoden bestaan niet. Zo kun je ook best zeggen: ik doe mee aan allerlei dingen waar de wereld aan meedoet. Juichen voor een sportevenement, uitgaan, leven voor geld en goed. Ik weet wel dat we uiteindelijk leven voor Jezus Christus.

Maar dan wijst Paulus op het volk in de woestijn: We moeten niet uit zijn op het kwade! Dien geen afgoden! Het volk in de woestijn ging zitten om te eten en te drinken, en op stond om te dansen. Ze pleegden ontucht toen ze zich inlieten met Moabitische vrouwen en ontucht met hen pleegden. Daardoor stierven op één dag 23.000 mensen.

De mensen in Korinthe zeggen: maar dat doen we ook niet! Wij weten echt wel wat wij kiezen als we in de wereld zijn of als we bij ongelovigen zijn.

Je ziet dat Paulus het moeilijk vind om heel precies een antwoord te geven op de vraag wat nu wel en niet mag, hoe je verhouding met de wereld moet zijn. Hij zegt het heel genuanceerd. Je mag best met ongelovigen eten. Toch stelt hij je het meest indringend voor de keus of het goed is, door te wijzen op het avondmaal. Bij het avondmaal word je echt één met Jezus Christus, door te eten met anderen kun je zomaar één worden met de afgoden. Ook al ga je zelf er anders mee om, je verbindt je wel met een wereld die God niet dient. Meen dan niet dat je sterker bent dan de Israëlieten, zegt Paulus, laten wij niet denken dat wij sterker zijn dan de Korintiërs. Laat dit bepalend zijn: of je eet of drinkt, doe je het tot eer van God?

Dus als je staat voor een keus: Wel of niet ingaan op de wens van je kinderen om het bijbellezen maar over te slaan. Wel of niet meedrinken op dat feest. Wel of niet naar vereniging gaan. Alles is toegestaan, maar niet alles is goed. Paulus zegt: bepalend is dat je het doet tot eer van God. Je bent immers één met zijn lichaam!

3 – Al ben je verschillend, samen ben je één in Jezus Christus. 

Het is in deze situatie dat Paulus erop wijst dat we één lichaam zijn. Wie verbonden is met Jezus Christus, wordt ook verbonden aan elkaar.

Wanneer op zondag het avondmaal gevierd wordt, dan doen wij dat samen als één gemeente. We komen uit onze huizen en gaan naar de kerk, we komen naar voren en eten samen van het ene brood. Waar het lichaam van Christus voor de leerlingen in het echt te zien was, is het voor ons zichtbaar in de gemeente van Christus. Een worden met Christus betekent één worden met elkaar. Paulus zegt dat in 12 ook: we zijn heel verschillend toch met elkaar één lichaam vormen: elk met onze eigen dingen.

Toch kan ook dat éne lichaam zorgen dat je teleurgesteld raakt. Jezus is wel goed, maar die mensen die bij Hem horen. Kan ik daar ook aan verbonden zijn? Niet alleen in jezelf, ook in elkaar kun je teleurgesteld raken. Als je niet begrijpt waarom de ander zo doet. Als er over elkaar gepraat wordt, in plaats van met elkaar. Als je je gaat ergeren aan bepaalde trekjes van anderen. Hij is altijd zo, zij is altijd is. Toch is dat de gemeente die Jezus samenroept, en tot het eeuwige leven voedt (zondag 21). Ben je niet alleen aan Christus verbonden. Maar ook aan elkaar! (zondag 21).

Hoe blijf je daar enthousiast over? Hoe blijf je als je gedoopt bent, die plek in het midden van de gemeente houden? Want ik geloof dat God juist de gemeente gegeven heeft om elkaar bij het geloven vast te houden. ‘We zijn immers allen gedoopt tot één lichaam.’. Allereerst is het belangrijk om te zien dat God je ergens plaatst. Hij leidt je leven, ook je plek naar de gemeente. Geen gemeente is volmaakt: de ene gemeente is te groot en onpersoonlijk, de andere gemeente is teveel familie, en bij de derde gaat alles zo spontaan. Waarom geeft God jou deze gemeente en op wat voor manier mag jij hier meebouwen aan het lichaam van Christus?

Het tweede is: liefde groeit door daden. Dat geldt in het huwelijk: wie iets liefs doet voor zijn man of vrouw, gaat ook meer liefde voelen. Zo geldt dat voor de stichting present: wie liefde geeft aan anderen, krijgt ook lief. Zo geldt dat in de gemeente: wie gaat, wie  viert, wie geeft, wie meedoet, mag groeien in liefde en meeleven met elkaar.

Tenslotte: Groeien in verbondenheid met elkaar kan alleen door te zien dat we allemaal leven van de genade van Christus. Dan voel ik me niet beter, maar als je ziet dat hij of zij eet of drinkt. Besef dan eens: ook voor hem, ook voor haar heeft Christus zijn leven gegeven. Hij wil één zijn met Christus. Zo ben ik één met hem of haar, omdat ook ik deel mag blijven krijgen aan het lichaam van Christus! Ik hoop dat die verbondenheid met Jezus, en die verbondenheid met elkaar vandaag gezien hebt, gevoeld en ervaren en dat je dan stil wordt vanwege de liefde van Christus voor ons allen! Amen


Matteus 22 – Jezus roept je tot het feest!

september 3, 2018

Preek gehouden Heemse

Tekst: Zondag 30, Matteüs 22

 

Geliefde gemeente van Jezus Christus, jongens en meisjes,

[#1] Stel je voor. Er komt een brief. Jouw naam staat erop.

Als je hem opendoet zie je vlaggetjes en trouwringen.

Er gaat iemand trouwen. En jij mag komen!

De juf gaat trouwen en jij mag de hele dag komen.

Het wordt feest! Lekker eten, mooie kleren, gezellige mensen.

Daar sta je dan met die kaart in de handen. Je straalt van geluk!

Je kunt niet wachten en telt hoeveel nachtjes het nog slapen is.

[#2] Tegelijk betekent het ook dat je wat moet gaan doen.

Je moet een liedje oefenen dat je gaat zingen.

Je gaat naar de winkel om mooie kleren te kopen.

Een mooie jurk, of misschien wel een stropdas.

Nieuwe schoenen. Je wil er netjes bijlopen.

Je gaat zorgen dat je er picobello uit ziet. Dat je hele mooi kleren krijgt:

kleren die passen bij een bruiloft.

[#3] Ook u krijgt deze week een uitnodiging.

Zondag vieren we weer avondmaal. Het feest van Jezus Christus.

Hij roep je op om te komen: om te eten en drinken, om samen te zijn.

Om Hem van heel dichtbij te ervaren. Hij wil de gastheer zijn.

Juist bij het avondmaal mag je al iets proeven van het grote feest dat komt.

Als Jezus terugkomt: als het leven volmaakt goed wordt.

Als Jezus de wijn nieuw met ons zal drinken in het hemels koninkrijk.

Komt u naar het feest? Vier je het avondmaal mee?

Bereid je je voor op het feest? Zie je of je klaar bent voor het feest.

Trek je je feestkleren aan?

Zing je mee met de kerk: maranatha! Geef dat het feest mag beginnen?

 

[#4] Jezus roept je tot het feest!

  1. Kom je ook?
  2. Je mag komen!
  3. Kleed je voor het feest

 

  1. Kom je ook? Jezus vertelt: er is een koning die een groot feest gaat geven.

Hij had al lang van tevoren de uitnodigingen verstuurt.

De burgemeesters, de belangrijkste zakenlui en de ministers mogen allemaal komen.

Ze hadden allemaal een uitnodiging in de brievenbus gehad.

Mijn zoon gaat trouwen.

Kom allemaal naar het feest!

 

Maar als alles klaar is voor het feest, en de knechten zeggen:

het feest is vandaag, vergeet het niet! Dan zeggen ze:

‘ik moet eerst nog een dagje werken. De klant wacht op mijn klus.

Ik moet eerst de planten nog water geven.

Ik moet nog naar de markt om een koe te verkopen. Ze sturen de knechten weg.

Dan zendt de koning nieuwe knechten. Hij zegt: Alles staat klaar voor het feest. Er is eten en drinken, ik heb het beste vlees, want ik heb een koe en een os geslacht. De zaal is klaargemaakt. Kom nou mee.

[#5] Maar wat doen ze? Ze gaan gewoon naar hun werk en sommigen waren boos en sloegen de knechten van de koning dood! Dan wordt de koning boos en zendt zijn leger om die mensen te doden en de stad te verbranden.

 

Waarom vertelt Jezus dit? God had aan Abraham, Jozef, Mozes en David, tegen alle Joden gezegd: ik zal een nieuw rijk brengen. Een groot feest geven. Maar toen God zijn profeten, priesters en koningen gaf toen luisterden de mensen niet naar Hem. Ze gingen vaak hun eigen gang. Nu komt Jezus bij de Joden: Hij heeft wonderen gedaan, vertelt over het feest. Maar … de Farizeeën en de mensen willen hem arresteren en ze gaan Hem zelfs kruisigen! Even had het geleken of het goed kwam: toen Jezus met veel gejuich op een ezel Jeruzalem binnen kwam rijden. Maar later ging het weer mis: Ze waren het volk van het verbond, maar toen God hen opzocht voor een groot feest van het nieuwe verbond gaven ze niet thuis. Zij willen niet op het feest van God komen!

 

[#6] God wil graag dat de tafel vol zit. Hij roept zijn kinderen. Ik ga even niet erop in dat je vijandig kan staan tegenover God. Dat je Jezus verwerpt. Dat gebeurt ook, dat gebeurde in de tijd van Jezus en ook nu kan je vijandig komen te staan tegenover het geloof en tegenover Jezus. Maar kennelijk vindt niet iedereen het nodig om te komen. Ook volgende week kan dat zo zijn. Dat je wegblijft van het avondmaal. Dat je niet mee gaat vieren. Waarom kom je dan niet? Het kan onverschilligheid zijn. Je bent vooral met aardse dingen bezig: met je werk, met je familie, met je gezondheid, met je bedrijf, je werk of school. Met alles wat op je afkomt. Net als die mensen in de tijd van Jezus liever naar de boerderij of hun bedrijf gingen, dan naar het bruiloftsfeest. Jouw plekje op de bank blijft leeg als er kerk is, ’s morgens of ’s middags of zelfs de hele zondag. Jouw stoel aan het avondmaal blijft leeg. We zijn moderne mensen, maar het kan zomaar zijn dat allerlei aardse zaken gaan overheersen, dat er geen tijd meer overblijft voor de hemelse zaken. Voor waar het echt om draait. Maak je tijd voor bijbellezen en bidden? Voor de mensen in je wijk? Het kan zomaar zijn dat je de week zo vol plant dat de zondag zozeer een dag voor familie wordt, dat de kerkdiensten daar zelfs voor moeten wijken. Het is geen kwade wil, maar het overkomt je, je wordt meegenomen in dat levenspatroon, je kopieert gedrag van anderen. Je wordt lauwer en minder actief. Langzaam sluipt het erin.

 

Je kunt jezelf dan makkelijk overschatten. Het avondmaal of de kerkdienst heb ik niet nodig. Ik geloof wel. Maar besef je dan wel dat geloof altijd aangevochten wordt. Dat het steeds in gevaar is. Ongeloof en kleingeloof liggen zomaar op de loer. Denk aan Petrus die zei: ik verlaat u nooit! Maar even later, toen het moeilijk werd, deed hij alsof hij Jezus niet kende. Jezus nodigt je uit: juist om je geloof te versterken, om het feest weer te vieren, om weer nauwer met Hem verbonden te zijn.

 

[#7] 2. Je mag komen

Maar wat doet de Koning als hij daar in een lege zaal staat, met veel vlees en drinken, maar zonder gasten? … Hij zegt: Het feest moet doorgaan! Daarom, knechten, ga naar buiten: ga op de hoeken van de straten staan. Nodig iedereen uit die je tegen komt. Zeg tegen hen dat ze op het bruiloftsfeest mogen komen. Jullie mogen feestvieren, omdat mijn zoon gaat trouwen!

Wanneer de Joden niet komen, mag iedereen komen. Zo is het ook gegaan: Na de dood van Jezus worden ook Grieken en Romeinen geroepen, en later worden ook Syriers, Armeniers, Engelsen, Nederlanders en Duitsers, tot het feest geroepen. En ook Joden mogen nog steeds komen, als ze Jezus aannemen. Steeds weer klinkt de uitnodiging. Mag je die uitnodiging ook weer laten klinken voor de mensen om je heen. Mag je door wat je doet iets van de liefde van Christus doorgeven. Ik denk ook an wat jongeren afgelopen zomer ook mochten doen in Beerze en in Roemenië.

Je mag komen! Gods uitnodiging is niet voor een bepaalde groep of een bepaald volk. Niet voor mensen met een bepaalde opleiding, een bepaalde manier van leven, een bepaalde geaardheid of huidskleur. Iedereen wordt uitgenodigd!

We lazen vandaag de catechismus over het avondmaal. Er wordt gesproken over wat we precies vieren. Wat geloven we van het brood en de wijn. Maar de aandacht verschuift van de gastheer en wat Hij uitdeelt, in zondag 30 naar de gasten. Voor wie het is avondmaal ingesteld? En dan is het antwoord duidelijk: gelijk aan het begin al staat er dat het is voor mensen die hun zonde kennen. Het is niet voor iemand die helemaal goed is, of bijna helemaal goed is. Nee het is voor mensen zoals u, jij en ik. Mensen die ook verkeerde dingen doen. Die het soms bij de handen afbreekt. Die moeite hebben om Gods geboden te houden. Die verlangen naar liefde, maar soms zoveel teleurstelling hebben in hun leven. Die graag anders zouden willen, maar bij wie dat niet altijd lukt. Die verdrietig zijn om ingrijpende gebeurtenissen. Die wel willen geloven, maar soms zoveel vragen aan God hebben.

[#8] Iedereen wordt uitgenodigd! De koning heeft een groot plan. Hij wil een geweldig feest geven voor zijn zoon en er is niemand die dat feest kan tegenhouden. Hij zal zorgen dat de bruiloftszaal straks vol zit. En dat gebeurt ook! We lezen in vers 10 dat de zaal vol komt. Met heel verschillende mensen.

De gelijkenis had zomaar hier op kunnen houden: je mag komen zoals je bent. Of je nu goed of slecht bent in de ogen van mensen. Er is voor iedereen een plekje. Maar in de voorbereiding van het avondmaal wordt niet alleen gezegd: je mag komen als zondaar. Daar begint het mee. De uitnodiging is voor iedereen. Maar er staan nog wel iets meer bij. En dat wordt door het vervolg van de gelijkenis ook verder duidelijk gemaakt.

 

[#9] 3. Kleed je voor het feest

Het feest is begonnen! Er wordt muziek gemaakt. Er wordt gegeten en gedronken. Heerlijke dranken, de lekkerste gerechten. Dan komt de koning binnen. Hij geniet van het feest, van de gezelligheid. Hij ziet hoe zijn zoon geniet van het feest! Wat is hij blij dat de mensen gekomen zijn. Maar dan … wat is dat? Zijn glimlach verdwijnt. Er komt een frons op zijn voorhoofd. Hij kijkt opeens heel donker. Daar is iemand die geen feestkleren aanheeft. Hij vond het niet de tijd, energie en moeite waard om een feestkleren aan te trekken. Gewoon de kleren waarmee hij net in de stal stond, waarmee hij net in de wijngaard aan het werk was. Niks feestelijks. Gewoon zijn daagse kleren. Zeg maar jongens en meisjes: de kleren waarmee je net nog in de zandbak hebt gespeeld of gevoetbald hebt.

De koning wordt heel boos! Waarom kom je zo op mijn feest? Jongens en meisjes, denk maar aan die uitnodiging die je zou kunnen krijgen voor de bruiloft van de juf: dan trek je toch mooie kleren aan! Deze man heeft er niets van begrepen. De knechten moeten de man pakken en naar buiten brengen. Hij mag niet binnen blijven. Dat voelt heel naar: terwijl iedereen lekker feest aan het vieren is, zit jij buiten in het donker, zonder eten en zonder drinken. Denk maar aan die vijf dwaze meisjes die niet meer naar binnen mochten op het feest, ook omdat ze zich niet goed voorbereid hadden. Hun olie was op. Je staat dan buiten.

Maar kon die man er wel wat aan doen? Hij was toch zo van de straat geplukt. Hij had misschien helemaal geen geld om een nieuw pak te kopen. En als hij dat al wel had: waar had hij dan zo snel een goed passend pak vandaan moeten halen? Je zou ook zelf de vraag kunnen stellen: hoe kan ik zo leven dat ik goed genoeg ben om avondmaal te vieren. Jongens en meisjes, Jezus vraagt mooie kleren. Niet nette kleren, maar net gedrag: dat je goede dingen doet. Dat je let op de woorden die je zegt, dat je eerbiedig bent tijdens het bidden, dat je deze week aardig doet tegen kinderen in je klas. En als je ouder bent, je hoort de hele lijst van de wet straks: God wil niet dat je in eigen belang wetten ontduikt, dat je op bittere toon tegen je naaste spreekt, dat je het niet goed wil maken met de ander, dat je armen om laat komen terwijl jij een vroom gebed uitspreekt. Dat je je erbij neerlegt dat je in het huwelijk langs elkaar heen leeft, in plaats van dat je tijd maakt voor elkaar.

Iedereen mag komen. Maar kan ik wel komen. Of kom ik straks, wil ik feest vieren en stuurt Jezus me dan alsof nog weg. Sta ik dan toch nog aan de verkeerde kant van de streep en eindig ik in de duisternis? Hoe kon die man er wat aan doen? Hoe kan ik er wat aan doen dat ik het feest mee mag vieren.

De gebruikelijke uitleg van de gelijkenis is dan ook dat de koning zelf bij de ingang de bruiloftsgasten feestkleren gaf. Zijn knechten deelden ze uit. Mooie, feestelijke kleren gratis en voor niets. Er zijn voorbeelden dat het zo in het oude nabije oosten gebeurde als er een feest was. Dat verklaart ook waarom die man best feestkleren aan had kunnen doen. Ze werden hem aangeboden. Hij hoefde ze alleen maar aan te doen.

En dan is het goed om te zien wat de catechismus zegt: stap 2 en 3 van de zelfbeproeving zijn niet: je voornemen goed te gaan doen en dan ook helemaal heilig worden. Nee: stap 2 is: de genade van Christus aannemen. Geloven dat Hij voor je zonden gestorven is. Zijn witte kleren over jouw vuile kleren aantrekken. En van daaruit het verlangen hebben om het goede te doen.

U wordt geroepen, velen worden geroepen: maar ik hoop dat je hoort bij degenen die de genade van Christus werkelijk begrijpen. Dat je je feestkleed aantrekt en zegt: Here Jezus, was mij schoon, bekleed mij met uw genade. Geef dat ik zo vanuit uw kracht feest mag gaan vieren, mijn leven nieuw mag maken en straks voor eeuwig binnen mag gaan in uw feest! Amen.

 

 


Lukas 12:13-21 – Christus leert wat echte rijkdom is

augustus 27, 2018

Preek gehouden Heemse, 26 augustus 2018

Tekst: Luk 12:13-21

 

Geliefde gemeente van Jezus Christus,

[#1] Neem rust, eet, drink en vermaak je!

Dat is wat de rijke man zegt als hij veel verdiend heeft.

Als hij zijn schaapjes op het droge heeft.

Dat is iets wat we, als we vakantie hebben ook zeggen: neem rust. Rust lekker uit. Doe eens andere dingen. Leg je werk even neer. Genieten van contacten, van eten en drinken en vermaak je. Niets mis mee …

Maar ja … wij zeggen dat voor die weken dat je vakantie hebt. Even geen wekker hoeft te zetten, niet naar school hoeft, niet hoeft te leren. Maar op een gegeven moment komt dan toch het moment dat je niet langer zegt: neem rust. Dat je niet langer zegt: doe wat je leuk vindt, maar als je nog naar school gaat en werkt, dan klinkt er: ga weer aan de slag, de vakantie is voorbij, en ga doen wat je moet doen om te zorgen dat er brood op de plank komt, dat je je school goed af kon ronden. Dat je je taken weer kan doen.

 

[#2] Waarom werk je dan? Waarom zou je je inspannen en de taken weer op je nemen? Met wat voor houding ga je aan het werk? Misschien deze week al, of als je nog vakantie hebt, na je vakantie? Alleen maar om zoveel mogelijk geld te verdienen en zoveel mogelijk te kunnen kopen? Om straks op tijd met pensioen te kunnen? Ga je naar school en doe je je best om een zo goed mogelijke baan te krijgen? We leven in een samenleving waar bijna alles uitgedrukt wordt in geld. We leren al jong om economisch te denken. Rijk zijn is toch: veel geld hebben? Maar is ons leven uit te drukken in geld? Hoeveel vrouwen en mannen halen hun zelfwaardering niet uit wat ze verdienen of wat voor werk ze doen? Of is er een andere manier waarop je echt rijk kunt worden? Waarop je leven echt zinvol wordt. Het leven kan zomaar afgelopen zijn, lazen we net. Met dit voorbeeld wil Jezus je echt even stil zetten.

 

[#3] Christus leert wat echte rijkdom is

  1. Laat je niet gevangennemen door het geld
  2. Je leven hangt niet af van je bezittingen
  3. maar wees rijk in God

 

[#4] Er komt een man naar Jezus toe. Hij heeft een conflict met zijn broer. Ruzie. Misschien heeft zijn broer wel gezegd: ik wil je niet meer zien. Het gaat over een erfenis. Kennelijk zijn beide ouders overleden en krijgen ze geld en bezit. Heb jij, heeft u wel eens een erfenis gehad? Je kunt heel rijk worden van een erfenis! Of in ieder geval een mooie som geld krijgen. Maar hoe verdeel je het geld eerlijk? Er zijn films gemaakt en boeken geschreven over de ruzies die hierover ontstaan. Wat er precies aan de hand is lezen we niet. Misschien gunt hij zelf zijn oudere broer het dubbele deel niet waar de oudste recht op heeft. Misschien dat de oudste zegt alles is voor mij. Jij krijgt niets, want … je keek niet om naar je ouders. Of … je hebt toch al genoeg. In ieder geval: hier staan twee mensen tegenover elkaar.

[#5] Deze broer die komt klagen, vindt dat hij zelf gelijk heeft. En daarom komt hij met zijn vraag bij Jezus. Hij noemt hem meester, leermeester. Hij ziet hem als het gezag. Zoals de rabbi’s, de leermeesters van de joden gezag hadden en wel uitspraken deden in moeilijke kwesties. Jezus moet maar zeggen dat hij gelijk heeft. Hij hoopt dat als Jezus dat gezegd heeft dat zijn broer zich ook bij de uitspraak van Jezus neer zal leggen en zal gehoorzamen.

Stel jij ook wel eens zo’n vraag aan Jezus? Dat je gebed is: Here, wilt u geven dat ik gelijk krijg? Dat als je ruzie hebt over geld dat jij dan in je recht wordt gesteld. Als er een conflict is over een bedrijf, als er verschil van mening is bij een scheiding, verschil van inzicht over wie wat moet krijgen, je het niet eens bent over je loon. Je discussie hebt met de verzekering over wat wel of niet vergoed wordt.

Je ziet hier dat de man wil dat er een uitspraak in zijn voordeel wordt gedaan. Jezus wordt een soort rijdende rechter die een conflict moet oplossen. Deze man wil dat hij er zelf beter van wordt.

Daarmee staat hij symbool voor mensen die geloof gebruiken voor een eigen voordeel. Die proberen er beter uit te komen door te gaan geloven. Die denken dat het dan ook beter met je gaat en je meer geld zult krijgen. Vinden dat God altijd voor je moet zijn en je moet helpen. Die hun gebed ook zo gebruiken dat hun eigen wensen in vervulling gaan: die zelfs kunnen bidden voor hun eigen club, hun eigen land, hun eigen belangen. Die menen dat bidden en manier is om je zin en je gelijk te krijgen.

[#6] Maar Jezus prikt er door doorheen. Hij gaat geen uitspraak doen over die erfenis. Jezus komt niet tussen beiden. Hij zegt niet: ‘jij hebt gelijk’ of ‘jij hebt geen gelijk’.  Die man weet nog niet waar hij aan toe is. Maar Jezus waarschuwt hem, en alle mensen die erom heen staan tegen de hebzucht. Tegen het steeds meer, meer, meer willen hebben. Dat je nooit genoeg hebt. Deze man wil zijn erfenis, hij wil rijker worden. Jezus had in het begin van dit hoofdstuk gezegd: je kunt Mij verliezen als je vervolgd wordt om je geloof, als je uit angst niet meer voor mijn naam uitkomt. Maar nu waarschuwt Hij tegen de hebzucht: je kunt steeds meer en meer willen, meer geld en bezit en er zo vol van worden dat je mij uit het oog verliest. Jezus waarschuwt hier tegen bezit, maar dat kunnen ook andere dingen zijn dat je steeds meer wilt: steeds meer drank, meer games, meer films, meer boeken, meer seks, meer feesten, meer vakanties. Allemaal aardse zaken, maar je kunt er zo vol van worden dat je het echte leven uit het oog verliest. Dat je je uiteindelijk druk maakt om iets wat er niet echt toe doet. Waar je ook nooit genoeg van krijgt: zoals spreuken 30 ook zei. Een uitgedroogd stuk land wil steeds meer en meer regen. Het dodenrijk eist steeds weer nieuwe levens: steeds weer sterven mensen. Het vuur verslindt. En een heel gevoelige, en begrijpelijke: een vrouw die geen kind kan krijgen, voelt dat gemis steeds weer opkomen. Jezus noemt hier de verkeerde kant: hebzucht. Steeds weer zeggen: Geef mij! Geef mij! Geef mij! Ikke, ikke, ikke!

Maar mocht die man die vraag niet stellen? Natuurlijk moeten dingen eerlijk verdeeld worden. Maar dat mag die man zelf oplossen. Jezus wil hem eerst tot redding brengen tot echte rijkdom, tot eeuwig leven en van daaruit leert Jezus hem hier hoe je tegenover geld en bezit moet staan. Wanneer geld en bezit de belangrijkste reden worden om te leven, wanneer je je laat leiden door hebzucht dan ben je verkeerd bezig. Dan zie je niet meer wat echt belangrijk is. Jezus gaat hier niet in op de vraag van de man. Hij spreekt niet over de verdeling van geld, maar over hoe je met geld omgaat. Hij leert dat geld in dit leven slechts een middel is om door te leven en anderen te helpen. Het kan de leegte in je hart niet vullen en kan je leven ook niet langer maken.

Stel jezelf daarom maar de vraag: waar laat ik me door leiden. Waar maak ik ongemerkt een afgod van? Welke rol speelt hebzucht in mijn leven?

 

[#7] 2. Je leven hangt niet af van je bezittingen

Om duidelijk te maken dat geld niet zo belangrijk is, als je soms wel denkt, vertelt Jezus het verhaal over de rijke dwaas. Kennelijk had hij een beter jaar gehad dat dan de meeste boeren dit jaar, nu het zo droog is geweest. Hij heeft zo’n grote oogst dat het niet in de schuur past. Een grote oogst: zonder kunstmest, zonder een Claas of New Holland, zonder buienradar. Hij had nog beter kunnen weten dat God het hem gaf. Maar Hij ziet het vooral als probleem. Hij moet meer ruimte hebben. Opvallend is dat hij telkens aan zichzelf denkt in deze tekst. Het gaat de hele tijd over ‘ik’. Hij ligt er zelfs wakker van.

[#8] Wat moet ik nu? Iemand zei: misschien ligt hij wel meer te piekeren dan een bedelaar die dagelijks zijn brood bij elkaar moet bedelen. Het levert hem allemaal zorgen en hoofdbrekens op. Zie je die rijke man voor je? Hoe hij maar piekert en piekert? Hij zoekt God er in niet in op. Hij denkt niet: dan geef ik wat aan de armen. Hij ziet maar één oplossing: uitbreiden. En dan maar niet de schuren wat vergroten: nee, alles afbreken en groter opbouwen. Ook al is er het risico dat volgend jaar bij een slechte oogst hij veel ruimte over heeft. In ieder geval kan hij nu vele jaren vooruit. Nu kan hij zeggen: neem rust, eet en drink, en geniet, vermaak je!

Hij zocht God niet op die nacht dat hij zijn plannen gemaakt heeft, maar nu zoekt God hem wel op. Dwaas, noemt God hem. Ik zal deze nacht nog je leven van je terugvragen! Hij zal heel plotseling sterven. Onverwachts komt er een eind aan zijn leven. Zal hij begraven moeten worden. En blijven al die bezittingen achter. Kan er misschien ruzie komen over wie ze mag hebben. Hij heeft er niets aan gehad dat hij zoveel had, want het geld kan zijn leven niet verlengen. Nog geen dag.

Niet alles is voor geld te koop. Job was ontzettend rijk, maar toch raakte hij alles kwijt. Ook hij kreeg te maken met verdriet en moeite. Freddy Heineken was ontzettend rijk, maar na zijn ontvoering moest hij altijd over zijn schouder kijken, werd hij heel angstig. Steeds weer wordt duidelijk: je kunt het leven niet kopen. Je hebt het niet zelf in je handen. Ook een rijke zal sterven.

[#9] Jezus wil met dit verhaal één ding duidelijk maken: #9 je leven hangt niet af van je bezittingen, zelfs als je er heel veel hebt. Hij zegt dus niet dat je niet rijk mag zijn: het kan een enorme zegen zijn als je rijk bent. Een goede ondernemer maakt een goed ondernemingsplan. Wat fijn als je ervan mag en kan genieten. Wat fijn als je een goed pensioen hebt. Als je na een jaar werken van een welverdiende vakantie mag of mocht genieten. Hij zegt ook niet dat je niet over geld mag piekeren: of je nu rijk bent of arm, soms kun je wakker liggen van zorgen over je bezettingen. Angst voor diefstal, hoe krijg je alles weer voor elkaar, welke weg moet je inslaan met je bedrijf. Jezus waarschuwt hier alleen heel duidelijk tegen mensen die alleen aan zichzelf denken. Tien keer staat hier het woordje ik! Voor die man bestaan de anderen niet. Bij hem is het gebed: geef ons ons dagelijks brood, geworden is tot geef mij mijn brood. Hij wil alleen maar zelf heel rijk worden, in plaats van anderen laten delen in de rijkdom. Daarom de vraag: in hoeverre denk je alleen aan jezelf of ook anderen als het gaat om je geld en bezit?

 

[#10] 3. Maar wees rijk in God

Zo vergaat het degene die schatten verzamelt op aarde, maar niet rijk is bij God. Dat is de laatste zin waar Jezus dit stukje mee afsluit. Kennelijk is dat de boodschap waarmee hij naar huis kan, waarmee hij het probleem met zijn broer maar op moet lossen. Het belangrijkste is dat hij rijk wordt in God. Wat betekent dat? Dat hij dan maar onrecht moet leiden en uit naastenliefde verder geen ruzie met zijn broer moet maken. Of dat zo is mag die man zelf bedenken, maar in ieder geval haalt Jezus hem even uit de koker van: pas als ik gelijk heb kan ik verder. Laat je nou eens leiden door wat echt belangrijk is. Zorg dat je niet in de greep van het geld bent, maar dat jij de baas over het geld bent en ziet hoe je het tot zegen kan gebruiken!

Dat is ook de boodschap waarmee jij naar huis mag: verzamel je geen schatten op aarde, zonder dat je rijk bent in God. Het gebed van Agur: maak me niet arm, maar me niet rijk mag ons hier een juiste houding leren. Natuurlijk heb je straks je taken weer. Maak je je misschien zorgen over allerlei dingen. Maak je je zorgen over je nieuwe klas, je cijfers, je werk, de oogst, je collega’s, de werkplanning. Maar Jezus zegt: ga niet piekeren over geld en aardse zaken, zonder mij. Dat is makkelijker gezegd dan gedaan. Maar Jezus bedoelt: Betrek mij erin! Zorg dat je mij kent. En dat je allereerst de echte rijkdom kent.

Wat is je ware rijkdom? Wat is dan je enige troost in leven en sterven? Is dat niet dat we zien dat in dit bestaan, waarin we sinds Adam ons in het zweet werken en sinds Eva we met pijn kinderen baren, er een diepere zin is, een diepere laag. Dat we zien dat het werk van onze handen gezegend wordt op het moment dat God het goedkeurt. Dat Christus zelf eens het hemelleven in als zijn rijkdom heeft opgegeven om arm te worden. Hij kwam hier op aarde, en liet alles los: om juist ons met zijn rijkdom te vervullen. We mogen in brood en wijn, door het water van de doop een leven krijgen dat duurt. Dat we in leven en sterven vastgehouden worden door God.

En in dat leven mogen we rijk worden voor God. Door wat we hebben en kunnen te gebruiken tot zijn eer. Dat je een zegen vraagt over je werk, dat je dankt voor alle zegen die Hij daarover geeft. Dat je ziet hoe mensen soms hulp en steun kunnen gebruiken. Dat je ontdekt hoe mensen in nood geholpen kunnen worden. Dat je niet hebzuchtig bent, maar juist vrijgevig. Dat je rijk bent in goede werken. Juist dan wordt je rijk in God!

Ik hoop en bid dat je zo in het leven mag staan: of je nu naar school gaat, werkt of niet werkt, welke taken je ook hebt. Dat je je rijkdom mag vinden in God!

Amen