Zondag 22, H.C. – De aardse tent wordt afgebroken, ik krijg een hemelse woning

Preek gehouden in Beilen en Hooghalen, september ’10

Tekst: Zondag 22 / 2 Kor 4:7-5:10

Geliefde gemeente van onze Heer Jezus Christus,

[dia 1] Een jonge vrouw, waarvan de vader is overleden, vertelde mij: voor mij was het leven heel mooi. Ik was gelukkig als kind, het was alsof ik allemaal witte en vrolijke bladzijden omsloeg. Maar sinds de dood zo dichtbij is gekomen, is het net alsof er veel donkere bladzijden in mijn leven.

Vroeg of laat, krijgen we allemaal te maken met het sterven.

Hoe ouder je wordt, hoe meer je merkt dat dit lichaam voorbij gaat.

Je kunt het merken aan dat je minder goed kan zien, minder goed kan horen.

Dat je minder makkelijk kunt bewegen. Dit leven is een vergankelijk leven. Iedereen van ons zal eens sterven, voor ons ligt het graf, tenzij … tenzij Christus eerder terugkomt.

We kunnen daar met Paulus verschillende beelden voor gebruiken.

Ons lichaam is als een kruik, van broos aarde werk, die op een gegeven moment kapot zal gaan(4:7). Ons lichaam is als een tent (5:1). Paulus die zelf tentenmaker was, weet maar al te goed waar tenten voor gebruikt werden.

Tenten werden gebruikt door reizigers en door nomaden.

Een tent is snel op te zetten, maar niet zo stevig en in een tent zit je niet zo beschermd.

Bij een harde storm kan een tent wegwaaien en de levensduur van tenten wordt in weken dat ze opstaan uitgedrukt.

Ook Hizkia gebruikte dit beeld al. Als hij terugkijkt op zijn ziekte, nadat Jesaja bij hem is geweest zegt hij: Mijn woonplaats werd ontruimt en lag open, zoals de tent van een herder. Ik rolde mijn leven op als een wever het tentdoek, hij heeft mijn draad afgesneden.

Paulus gebruikt nog een derde beeld: het beeld van de kleding. Het lichaam is als een tijdelijk kleed dat we straks gaan afleggen (5:4). Zoals je trui of broek na een tijd versleten is en weggedaan wordt, zo zal dat ook gaan met dit lichaam dat we hier hebben.

Paulus geeft aan: ons uiterlijk bestaan gaat verloren. Toen ik van de week met oudere mensen over de tekst sprak, zag ik het aan hen. Je huid is niet meer jong en soepel, je met veel sneller moe. Je mogelijkheden worden minder

Maar Paulus geeft ook aan dat het leven zelf, hier op aarde niet altijd een pretje is. Hij zegt: we worden van alle kanten belaagd, we worden aan het twijfelen gebracht, we worden vervolgd, we wonen ver bij de Heer vandaan, we zuchten onder een zware last.

U kunt zelf invullen op wat voor manier er moeiten in het leven zijn. De HEER kent u daarin!

Maar ik hoop dat je zegt, het leven is hier juist moeilijk omdat ik geloof. Het is moeilijk omdat ik nu met Hem leef, want wat levert dat soms een afkeer en minachtende blikken op als ik begin over Jezus.

Maar ook dat je zegt: ik zou graag willen zijn waar Jezus is. Wat ben ik nu ver van Hem vandaan!

[Dia 2] Paulus spreekt over zijn verlangen naar het eeuwige leven. We zullen straks de eeuwige heerlijkheid bezitten. Geweldig mooi … mooier dan we ooit hadden durven dromen. Geen oog heeft het gezien, geen oor heeft het gehoord en het is in geen hart bedacht. Wanneer Calvijn daarover schrijft in zijn institutie dan zegt hij: Als christen hoef je geen angst voor de dood te hebben. Hoe komt het dat veel christenen dan toch angst voor de dood hebben? Natuurlijk, je schrikt van de dood, maar, zegt Calvijn, echt geloof wint het van de dood. Hij schrijft zelfs: Je kunt je vroomheid, je geloof in God afmeten aan je verlangen naar de dag van de wederkomst (Inst. III, 9, 5).

Dat is ook de manier waarop Paulus vol vertrouwen over de wederkomst kan spreken: ‘De Heer zal mij veilig naar zijn hemelse koninkrijk brengen’ (2 Tim 4:18). Paulus zegt in onze tekst: We leven vol goede moed. Ook al zouden we ons lichaam liever verlaten om onze intrek bij de HEER te nemen (5:8). Wat is het mooi als je met heel je hart kan bidden: Kom, Here, Jezus kom. Wat mag dat verlangen juist rondom het avondmaal bij je naar boven komen.

Maar toch … soms kan het moeilijk zijn om dit te verlangen. Paulus zegt: We willen niet dat ons aardse kleed wordt uitgetrokken (5:4). En inderdaad wat kun je nog verlangen om die éne bruiloft mee te maken, dat feest nog mee te maken, om nog een kindje geboren te zien worden. Wat kunnen we blij zijn met het leven.

God wil ook niet dat we expres negatief over dit leven praten. Pas als je weet hoe mooi het leven hier kan zijn, hoe mooi God dit geschapen heeft, kun je echt gelovig verlangen naar de wederkomst. Wie niet schrikt van het sterven, wie te weinig vreugde in het leven heeft, die zal ook moeite hebben om zich goed op de wederkomst te richten.

Laat de spanning er maar zijn, zoals Paulus die hier en later ook in Fil. 1 beschrijft: ik wordt naar twee kanten getrokken. Ik wil hier zijn, maar ook bij Jezus zijn, want dat is verre weg het beste. Laat het een gelovige spanning zijn. Als je daar geen spanning tussen voelt is het niet goed. Dan kan het zijn dat je de wederkomst wegduwt en zonder God gaat leven. Nee een spanning: inzien hoeveel God hier geeft en ook te doen geeft (vs. 16). En daarom juist uitzien naar dat moment dat je bij Jezus mag komen.

Dat daarbij blijft er een zekere ‘schrik en angst’ voor de dood is niet erg. De dood is een laatste vijand (1 Kor 15). Wat zou het mooi zijn als we de dood niet hoefden mee te maken. Als we die enge deur van de dood, soms plotseling, soms via een weg van lijden en aftakeling niet hoefden door te gaan. Als we nu direct bekleed konden worden (vs. 4). Dat is ook Paulus verzuchting. Het sterven kan moeilijk zijn, kan veel verdriet brengen, je laat geliefden achter … en toch: vertrouw maar op God. ook bij die pijn en strijd, wil God je dragen. Staat Christus klaar om je tot zich te nemen. Zullen de engelen je in Gods heerlijkheid dragen.

[Dia 3] Het lastige van de verwachting van de opstanding en het eeuwige leven, is dat we moeten zeggen: we ‘geloven’. Wat we hier en nu om ons heen hebben, dat kun je zien. Maar wat na dit leven komt is een kwestie van geloven en niet van zien (5:7). Een bekend lied zegt: Zalig hij die durft geloven, ook wanneer het oog niet ziet (LvdK 293). Doordat je het niet kan zien, kan soms de twijfel toeslaan … is het allemaal wel zo? Mag ik wel geloven in een leven na dit leven? Zal God mij wel helpen? Hoe zal het allemaal zijn?

Paulus benoemt dat in vs. 8 en 9 van hoofdstuk 4. Steeds beschrijft hij wat er vanuit menselijk gezichtspunt gebeurt: hij wordt opgejaagd als een wild dier, ontmoet het zwaard en de ziekte, wordt aan twijfelen gebracht.

Maar hij beseft dat hij ook het lijden van Christus moest doormaken, om te kunnen delen in zijn leven (vs. 10). En hij heeft gemerkt: in al die moeite was het God die mij te hulp kwam. Daardoor werd ik toch gered en raakte ik niet vertwijfelt. Hij haalt dan Ps 116 aan: Ik bleef vertrouwen, daarom kon ik spreken. In geloof kan hij het zeggen. Zo mogen we ook bidden of God ons de kracht wil geven om te blijven geloven en te blijven vertrouwen op zijn grote naam!

En dan merk je wel dat deze tent wordt afgebroken … maar ik krijg er wel een woning voor terug. Een stevig huis.

Niet kwetsbaar als een tent, niet tijdelijk als een tent, maar eeuwig.

Ik krijg een huis om te wonen, dat niet door mensen handen gemaakt is.

Een huis in de hemel. Waar naartoe Christus mij voorgegaan is om mij woning te bereiden.

Wat wil het nu zeggen dat we een huis in de hemel krijgen? Er zijn wel negen verschillende verklaringen voor. Maar ik volg de uitleg, dat dit wil zeggen dat we een geestelijk lichaam ontvangen in de hemel. Een geestelijk lichaam waar we altijd in zullen mogen blijven wonen. Het is een eeuwige woning! Geen tent die je weer moet verlaten. Als je ziel terstond na het sterven naar Christus gaat in de hemel, zal er voor hemelse huisvesting worden gezorgd. We zwerven dan niet ergens tussen hemel en aarde, maar mogen bij God thuis komen! (T.E. van Spanje, CNT III). Onze hoop is echter niet uiteindelijk gericht op dat we straks in de hemel zullen zijn. We mogen verder kijken: we geloven de opstanding van het lichaam. Straks zullen de graven open gaan en dan zullen we opstaan uit de dood. Hierbij komt Paulus terug op het beeld van het kleed. Weliswaar hebben we nu een sterfelijk kleed, maar God zal er een nieuw kleed over aan trekken. Een onsterfelijk lichaam zullen we krijgen, en we zullen een lichaam hebben dat aan Christus verheerlijkte lichaam gelijk zal zijn. Waarom is Paulus zo zeker van de opstanding van het lichaam? Waarom gelooft hij in het eeuwige leven. Dat is met name in vers. 14 naar voren gekomen: zo zeker als Christus is opgewekt, zo zeker is het dat God met dezelfde kracht ons op kan wekken uit de dood.

Wat doe je nu? Nu je weet dat je straks bij God mag komen?

Als je zolang nog in de woning van dit lichaam moet blijven?

Hoe richt je je leven dan in?

Paulus zegt: (vs. 9) in dit bestaan hier, maar ook in het bestaan straks, wil ik doen wat de God wil. Straks bij God zullen we vanuit zijn kracht altijd het goede doen.

Maar hier, hier op aarde … we zullen straks voor Gods troon verschijnen.

Zullen geoordeeld worden over wat we gedaan hebben, goed of slecht.

Als we dan straks maar niet naakt zullen zijn. Als dit aardse lichaam verdwijnt.

Als er maar een hemelse woning is en eeuwig kleed!

Dat is er als we geloven dat Christus  voor ons gestorven is.

Als we nu al willen leven vanuit zijn liefde en genade.

Paulus zegt het ook: we zijn wel zwak. Breekbare vaten en kruiken.

Maar in ons zit een schat. Daar draait het om!
Niet het vat, maar de schat! Net als vroeger in zo’n kruik soms kostbare muntstukken bewaart kunnen worden. Laten we leven uit de kracht van God.

In geloof mag die schat in ons komen [juist ook met H.A. à leven vanuit opstanding]
Maar laat het een waarschuwing zijn: zorg er voren dat er straks kleren zijn, dat als je aardse kruik stuk gaat, je een schat van God in je hart hebt.

Want zegt Paulus dat kan. Ook al gaat je uiterlijk bestaan verloren,

Je innerlijk bestaan kan van dag tot dag vernieuwd worden.

Zeker als je geloof in de opstanding, mag er nu al blijdschap in je hart komen.

Een prille vreugde, een klein begin. Een begin van de eeuwig sabbatsvreugde.

Een vreugde die mogelijk is door het lijden en sterven van Christus.

Duur hebt Gij uw volk verworven
en alleen van U zijn wij.
Heer, zowaar Gij zijt gestorven,
maak ons nu ook waarlijk vrij.
O, uw heil zal spoedig komen,
Gij laat ons niet ledig staan:
schoner dan de schoonste dromen
breekt de dag der vrijheid aan (Lied 435).

Liturgie zondagmiddag 12 september Hooghalen (14.15) en Beilen (16.30)

Welkom / mededelingen / votum (gez) / zegengroet / amen (gez)

Lied 262:1 en 2 (Op waakt op): zijn uw lampen wel ontstoken, gij maagden die de Heer verbeidt?

[Beilen: H.A., Formulier III, belijdenis, lezen dankzegging, zingen Gz 90:2 (Gij sterft ..) +]

Gebed

Lz 2 Kor 4:7-5:10

Ps 116:1.2.4.5: ook in de moeite bleef ik vertrouwen

T Zondag 22

Lied 262:3 (laat ons u ter ere zingen)

Preek met beamerpresentatie

Ps 16:3.4.5

[HH: Gz 123:1 en 5 (+ tussen deze twee verzen gelezen 2e gedeelte van de belijdenis)]

Gebed

Gz 111 Jezus leeft in eeuwigheid (aangekondigd na collecte)

Zegen / Amen (gez)

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: