Psalm 47 – Juich, o volken, juich!

Preek gehouden in Heemse op 14 mei 2015 (Hemelvaart)
Tekst: Psalm 47

Geliefde gemeente van onze Heer Jezus Christus,
[dia 1] Juicht, o volken, juicht, handklapt en betuigt … een oproep om te juichen en te applaudisseren voor onze God klinkt door in Psalm 47. Een oproep aan de volken: Hoe vaak zal die oproep vandaag niet klinken over heel de wereld? Waar christenen samenkomen om de hemelvaart van Christus te vieren wordt als sinds de vroege kerk Psalm 47 gezongen. Wat is het goed om juist vandaag deze psalm te zingen. God verdient ons applaus, God verdient het dat we muziek voor Hem maken, God verdient het dat we met blijdschap voor Hem zingen. Het is vandaag Hemelvaartsdag: we vieren Koningsdag en Bevrijdingsdag op één dag! Jezus is onze Koning: Hij ging naar de hemel, ging zitten en aan de rechterhand van zijn Vader, en regeert daar. Hij is zo’n machtige heerser dat alle volken aan Hem onderworpen zijn. Hij onze Bevrijder uit de macht van de duivel, Hij houdt de scepter, het teken van macht en regering in zijn hand. De Heer alleen regeert!

[dia 2] Als je psalm leest, zoals we net deden, dan buitelen de woorden om voor hem te zingen en te juichen over elkaar heen. Klap in de handen, jubel, juich. God steeg op onder gejuich, bij hoorngeschal. En dan staat er tot vijf keer toe: Zing voor de Heer een lied! Het maakt je wel nieuwsgierig. Waarom is de dichter zo uitgelaten? Waarom is hij zo blij, dat er een loflied gezongen gaat worden? Wij kunnen ons dat alleen voorstellen als er een club heel blij is dat ze de beker gewonnen hebben, en zo hard juichen dat de aarde trilt. Of als koning Willem-Alexander koning wordt en het gejuich van buiten binnendringt in de kamer waar Beatrix en hij de documenten voor de troonsoverdracht tekenen.

[dia 3] Je zou kunnen zeggen dat de dichter op drie manieren heel blij is. Allereerst past deze psalm in de serie van koningspsalmen. De dichter denkt aan God en zegt: Hij is de allerhoogste. Hij heeft alle macht. In Psalm 46 kwam Hij naar voren als de allerhoogste, als de veilige burcht bij wie je kan schuilen. In Psalm 48 wordt de stad van onze koning bezongen: God houdt zijn stad voor eeuwig in stand. En straks in 97 en 99 komt het thema weer terug: De Heer alleen regeert. God is koning, hij sticht zijn heerschappij!
Het tweede wat de dichter blij maakt, waar hij van gaat juichen is dat hij in de geschiedenis, in zijn leven ook kan aanwijzen dat God machtig en je niet loslaat. Het volk van Abraham, dat zo klein was en veracht, waar bijna geen toekomst voor leek, dat uit leek te sterven in Egypte, heeft Hij zelf geleid en verzorgd. Hij heeft het gebracht naar het land waar het hoorde, ‘een eigen land’ (vs. 5). Hij liet zijn macht zien door andere volken te onderwerpen. Hij dwong die volken op de knieën, legde ze onder onze voeten. Je moet je voorstellen dat men toen vaak een voet op de nek van de tegenstander zette om te laten zien dat men hem verslagen had. Het volk mocht nu veilig wonen in het eigen land dat God gegeven had. God liet zien dat Hij niet alleen de allerhoogste is, maar dat Hij ook werkelijk regeert en zijn macht laat zien door in te grijpen in de geschiedenis.
Dan de derde reden: Hij is blij omdat deze God ook te midden van zijn volk wil wonen. De ark die eerst in de tabernakel stond, die bij Obed-Edom was onder gebracht. Die heilige kist waarmee God liet zien dat hij zijn volk wilde wonen, die ark mocht naar Jeruzalem gebracht worden. David ging dansend en juichend voor de ark uit, als de ark opvaart naar de berg Sion. Wat een blijdschap mocht het geven dat God omzag naar zijn volk. Dat de ark met het verzoendeksel in Jeruzalem mocht komen. Het verzoendeksel dat liet zien dat er door God een weg geopend was om bij Hem te komen. Dat Hij zijn volk niet zou vernietigen, maar sparen, dat Hij zelfs in hun midden wilde wonen. Wat was het die dag een feest geweest! De koning had het volk getrakteerd op allerlei geschenken, ze hadden gratis eten gekregen, ze hadden gejuicht en gezongen: want God was in hun midden. Dat was al zo, maar nu mochten ze dat ook samen echt zien aan de ark en samen vieren.

[dia 4] Wat een juichstemming … maar hoe ging het nu verder? Dit lied was gemaakt. God had zijn macht laten zien. In de tijd van Salomo waren er inderdaad volken onderworpen aan Israël. Maar het volk was snel vergeten dat God de enige en hoogste koning was. Ze gingen op het leven van elke dag. Ze vergaten de allerhoogste koning, en gingen knielen voor de afgoden van die andere volken. Tegen een steen zeiden ze: dit is nu Baal, tegen een paal zeiden ze: dit is Asjera. Ze brachten hun offers: ze raakten verwend, en vet. Als vetgemeste koeien, trapten ze achteruit en vergaten hun God. Dachten niet meer aan de tempel in Jeruzalem, gingen niet meer naar het huis van de Heer, maar ze besteden hun tijd met de afgoden, leefden voor aards geluk en aardse roem. Het waren net zulke mensen als wij: als de baas je vraagt voor een promotie en 500 euro meer verdienen, dan lukt het soms wel om 5 uur extra te werken. Maar wat kan het soms veel gevraagd zijn om tijd te maken voor de Gever van dit alles en Hem echt te danken: bij te dragen aan zijn gemeente en zijn huis. God was boos op zijn volk. Er bleven er maar weinig over die niet hun knieën voor het geld, voor de Baal gebogen hadden. Het volk werd weggevoerd, andere volken leken machtiger, en spotte met de God van Israël. Geen god hield stand tegen de Babyloniërs, de god van Moab en Edom niet. Waarom zou de HEER wel stand houden tegen Edom? Calvijn zegt: het is alsof tussen Salomo en Jezus de aarde openscheurde, en het is alleen Gods genadevolle hand geweest dat het volk er niet in verdwenen is. Hij ging door: Hij was trouw aan zijn belofte aan Jakob! En zo bleef er een groep mensen over die wachtte op de Messias, op de grote koning: een groep die bleef zingen over de hoogste koning en toch riep: Juich voor de Heer, Hij regeert!

[Dia 5] En dat was niet voor niets! Want God zag om naar zijn volk. Hij gaf zijn eigen Zoon als redder voor deze wereld. De engelen in de hemel juichten toen Hij geboren werd: Eer zij God in de hoge en vrede op aarde! God deed zijn eigen Zoon afdalen naar de aarde. Hij zocht zijn volk op: waar het verzoendeksel van de ark vooruitwees naar Hem, kwam Hij zelf (niet als een schaduw) maar om met zijn eigen lichaam de straf van God over de zonden te dragen. De mensen hadden het gezien, ze hoorden Hem, ze zagen hoe rondom Hem iets van het koninkrijk zichtbaar werd: zieken werden genezen, doden werden levend, het goede nieuws klonk. Hij stierf aan het kruis, maar stond op uit de dood. Nu gaat Hij met zijn leerlingen naar de olijfberg. Ze zijn benieuwd naar de verdere plannen van God, maar Hij legt uit dat die dingen in handen van de Vader zijn. En dan verlaat Hij hen: zegenend stijgt Hij op van de berg. Een wolk komt tussen hen in. Vol vreugde keren de leerlingen terug naar Jeruzalem. Er staat niet over groot gejuich op aarde, maar ze weten wel dat Christus gezegd heeft: Ik ben met je, alle dagen! In de hemel klinkt wel gejuich! Christus heeft de duivel verslagen. We lezen in Openbaring 12 dat de duivel dan de hemel uit moet. Juich hemel! Wees blij! God stijgt voor ons oog met gejuich omhoog: Hij is de hoogste vorst. Hij regeert! Daarom vieren we vandaag het feest van bevrijding: Christus liet zien dat hij sterker is dan de duivel. Daarom vieren we vandaag het feest van onze koning. Jezus regeert … laten we voor hem zingen, laten we voor Hem juichen, laten we Hem groot maken en eren. Hem alle lof geven!

[Dia 6] Dat mogen we dan ook doen om die drie redenen: Als je ziet dat God de grote schepper is van alle dingen. Hoe Hij alles heeft gemaakt. Hoe Hij het leven geeft. We zijn hier maar niet toevallig, nee, er is een hoogste Heer, die alles gemaakt heeft.
Je mag het ook doen omdat je ziet hoe God zijn Zoon gegeven heeft. Hij heeft laten zien dat Hij zijn redding wereldwijd wil maken. Als je aan kan wijzen dat ook jij tot het geloof in die God gekomen bent en Hem wil volgen, als je gelooft dat Hij je draagt, dag aan dag, en dat Hij uiteindelijk volkomen uitredding wil geven.
Maar je mag Hem ook prijzen omdat Hij hier in ons midden wil zijn. Het volk ging naar de tempel, bracht de offers. Maar wij mogen samen komen rond het woord. Christus wil hier door het woord, door de bijbel in ons midden zijn. We mogen met elkaar gemeente zijn en samen God groot maken en loven. Hij troont op onze lofzangen en de muziek die we met elkaar maken. Hij is opgevaren naar de hemel, maar tegelijk wil Hij door zijn Geest en Woord hier in het midden van de gemeente blijven werken. Hij laat ons niet alleen!

[Dia 7] Toch kan het zijn dat je maar weinig van deze blijdschap mee kan maken. Wat zie ik er van dat God regeert? Als er zoveel gewapende conflicten zijn en er nog steeds wereldwijd bommen vallen. Zit Christus wel aan Gods rechterhand? Als er op het journaal steeds weer berichten zijn over bootvluchtelingen en aardbevingen, is het dan niet beter om jezelf maar te verdoven met sport, muziek of plezierprogramma’s? En als je zelf dreigt vast te lopen: niet meer ziet hoe het verder moet, om hoe het in je leven gaat. Als er zo’n zwarte rand om je leven is gekomen of je met je handen in het haar zit? Wat moet je dan met zo’n gloriastemming: juicht, handklapt, maak muziek!?

[Dia 8] Laten we dan nog eens de laatste verzen lezen van de Psalm. God heerst als koning over de volken, God zetelt op zijn hoge troon. De vorsten van de volken zijn bijeen in het gevolg van Abrahams God. Zij zijn schildwachten op aarde. Het is alsof iedereen al luistert naar God. Toch was dat niet zo toen de dichter dit gedicht maakte. En ook al is Gods naam nu verspreid onder veel volken, na het pinksterfeest, nog steeds luistert niet elke vorst naar de Heer. De dichter bezingt niet alleen wat er al is, maar hij bezingt hoe het zal worden. Niet voor niets worden juist in het boek openbaring veel gedeelten uit deze psalm weer aangehaald. Straks zal alles nieuw worden, zal elke knie zich buigen voor God. En waar we nu nog tegen de rafelige onderkant van het borduurwerk aankijken zullen we dan helemaal begrijpen hoe het Gods plan was om zo uiteindelijk alles goed te maken.
Dat vraagt wel een keus: blijven we ons richten op die God, of verlies je het zicht op Hem. Laat je je meeslepen door verleidingen die op je af kunnen komen.
Wanneer Paulus in Romeinen 8 zingt over de macht van God, dan spreekt hij de mensen moed in. Ook al hebben we het moeilijk, worden we vervolgd en verdrukt, toch is er niets dat ons zal kunnen scheiden van de liefde van God in Jezus Christus. Jezus zit in aan God rechterhand: Hij heeft alle macht en regeert. Hij zal alles goed maken. Laten we daarom juist vandaag met elkaar juichen en zingen, muziek maken en God groot maken: Hij is koning, en als koning is Hij opgestegen naar de troon. Juicht alle volken en juicht, God vaart voor ons oog met gejuich omhoog!

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: