Zondag 36-37 – God heeft zich een naam gemaakt

Preek gehouden in Heemse, 1 november 2015
Tekst: Zondag 36.37

Geliefden van onze Here Jezus Christus,
[dia 1] What’s in a name? Zo kunnen de Engelsen doen alsof een naam niet belangrijk is. Als het beesje maar een naampie heeft. Een naam zou niets uitmaken: zou niets meer zijn dan een etiket en volstrekt niet belangrijk. Nu zou je kunnen denken: als een naam toch niets uitmaakt, waarom maken christenen zich er dan zo druk om als er gevloekt wordt met Gods naam of mensen woorden gebruiken die lijken op vloeken? Dan kun je daar toch wel boven staan?
[dia 2] Toch kun je dat niet zo stellen. Wanneer Mozes in de woestijn God ontmoet en God hem de opdracht geeft om Israël uit de slavernij weg te halen, dan vraagt Mozes: Hoe moet ik U dan noemen? Wat is uw naam? Dat wilde niet zeggen dat Mozes God nog niet kende. Dat hij alleen maar een naam hoefde te horen. Maar hij was bang dat de mensen zouden zeggen: Mozes, je hebt mooie praatjes, maar wie stuurt jou eigenlijk? En hoe kunnen we geloven dat we hier veilig uitkomen?
Kijk en op dat moment geeft God ‘zijn naam’. Dan maakt Hij bekend dat Hij JHWH is. Dat betekent: Ik ben die Ik ben. Deze God is wie Hij is, Hij doet wat Hij zegt. ‘Ik ben die Ik ben’ is uw eeuwige naam; Onnoembaar aanwezig deelt U mijn bestaan; Hoe adembenemend, ontroerend dichtbij:uw naam is ‘Ik ben’, en ‘Ik zal er zijn’.
Vroeger heeft Hij waargemaakt wat Hij aan Abraham, Isaak en Jacob beloofd heeft. Hij heeft het volk in het beloofde land gebracht. Maar ook vandaag mogen we God zo kennen: deze God heeft zich laten kennen in Christus. Wie zijn naam kent, wie Hem aanroept: die zal nooit beschaamd uitkomen. Want deze God zal doen wat Hij beloofd, ons vergeven en redden en uiteindelijk voeren naar het hemelse beloofde land!
God heeft zich een naam gemaakt!
1. Doe niet alsof Gods naam niets voorstelt
2. Voorkom dat anderen hem misbruiken.
3. Prijs die naam!
[dia 4] God maakte zich een naam door het volk uit te leiden. Wanneer de andere volken de naam van JHWH hoorden, dan was dat met ontzag. Wat heeft Hij veel laten zien toen het volk bevrijd werd! Met de tien plagen had Hij laten zien hoe groot Hij was, en hoeveel machtiger dan de Egyptische goden.
Maar toen de Israëlieten uitgetrokken waren, waren er niet alleen Israëlieten uitgetrokken, maar er was ook een mengelmoes van anderen meegetrokken, lezen we in Ex 12, 38: een grote groep mensen van allerlei herkomst. Nu lazen we net dat er een conflict ontstond tussen een Israëliet en iemand die de zoon was van een Egyptische vader en Israëlitische moeder, namelijk van Selomit. Samen kregen ze ruzie, en dat bleef niet bij woorden: ze raakten slaags met elkaar en er vielen een paar rake klappen. In het conflict komt de ware aard van die halve Egyptenaar naar voren – en hoe vaak laten ook wij in boosheid niet ons echt kennen? – Zijn aard komt daarin naar voren dat hij Gods naam lastert. Hij beschimpt Gods naam, de God die zulke grote wonderen heeft gedaan. Daarmee vloekt hij. Daarom wordt hij naar Mozes gebracht. Daar wordt hij gevangen gezet en wordt er gewacht wat de HERE zelf aangeeft wat voor straf hij zal krijgen.
Letterlijk staat er dat deze man Gods naam ‘licht maakte’. Dat kan ook bij mensen onderling gebeuren. Wanneer de enorme reus Goliath voor David staat maakt hij ook David ‘licht’. Hij doet alsof David niets voorstelt. Of David niets kan. Moet zo’n jonge, kleine vent tegen mij vechten? Laat me niet lachen! Ook Hagar deed dat: wanneer Sara geen kinderen krijgt, drijft de slavin Hagar de spot met haar en doet alsof Sara helemaal niets meer voorstelt nu zij geen kinderen meer heeft. Zo doet deze halve Egyptenaar alsof de God van Israël helemaal niets voorstelt. Onbelangrijk is. Verachtelijk is. Helemaal niets kan. Terwijl God net zulke grote daden in de uittocht heeft laten zien. Hij heeft zich een goede naam opgebouwd, juist in zijn werken.
De man probeert zijn tegenstander onderuit te halen, door belachelijk over zijn God te spreken. Te doen alsof die God niets voorstelt.

[dia 5] Het is precies dit woord wat ook in het derde gebod staat. We mogen Gods naam niet lichtvaardig, niet ijdel gebruiken. Niet zomaar optillen en op de lippen nemen. Als je dat doet, dan doe je wat een houthakker met een bijl zou kunnen doen. Als je een bijl zomaar optilt, zonder erbij na te denken en er mee rond gaat zwaaien alsof het niets is, dan ben je gevaarlijk bezig! Zo’n scherpe bijl moet je voorzichtig en met respect gebruiken. Daarom moet je ook Gods naam ook niet zomaar gebruiken en al helemaal niet doen alsof die naam niets voorstelt.
Soms kan dat heel bewust gebeuren: dat mensen zeggen ‘God stelt niets voor”. Ik hoef geen rekening met hem te houden. Hij kan toch niets doen in deze wereld. Waarom voorkomt Hij dan niet de ellende en moeite. Als Hij echt God was en sterk was, dan had Hij er wat aangedaan. Jobs vrouw spoort Job eigenlijk aan om dat te gaan zeggen: dat God niets voorstelt. Hij moet God vervloeken: zeggen dat God er niets aan kan doen. Maar dat weigert Job. Hij wil niet doen alsof God niets kan.

[dia 6] Vloek jij wel eens? Doet u wel eens of God niets voorstelt?
Weet je op wat voor manieren wij kunnen doen alsof Gods naam niets voorstelt? Dat is wanneer mensen zonder erbij na te denken vloeken. In elke zin als een stopwoordje Gods naam gebruiken. Ook dat is erg, dan doe je alsof God niets voorstelt.
Het kan ook zijn dat mensen God wel heel bewust noemen, maar hem voor hun eigen doeleinden gebruiken. Bij de kruistochten werd gezegd: “God wil het!”. Hitler had op de soldatengordels gezet: Gott mit uns. In de naam van God hebben veel christenen oorlog gevoerd. Afschuwelijk als je zo vloekt met Gods naam! Als je in de kerk je eigen wil doordrijft en zegt: “God wil het!”
Maar het gaat niet alleen over Gods naam, het gaat ook over Gods werken: als je verkeerd omgaat met de schepping, met de schepselen dan haal je Gods naam eigenlijk ook door het slijk. Als wij de schepping vervuilen: met olie, met stinkende sloten, met dode bossen, met verontreinigde rivieren. Dan spot je met Gods naam en werk.
Vloeken is het ook als je onder ede iets gezegd hebt, maar ondertussen de boel bedriegt. Als je met een stalen gezicht dingen beweerd, maar er ondertussen niets van klopt. Als mensen voor een enquêtecommissie de waarheid verdraaien of verzwijgen. Wanneer je niet nadenkt bij belijdenis, bij het avondmaal, wanneer je zomaar aan tafel gaat, maar ondertussen huichelt, ja dan is je woord tegenover God, ook eigenlijk een vloek geweest.
Maar het meest bekend is het vloeken zelf. Dat God verwenst wordt. Soms uit woede, soms zomaar, om niets. God vindt dat heel erg. Je ziet het aan de manier waarop de Egyptenaar wordt gestraft. Hij moet omkomen door steniging. Gelukkig leven wij niet meer in die tijd, maar het laat wel zien hoe je met een vloek God pijn doet. Er is geen groter zonde zegt de catechismus. Het eerst gebod is erg, omdat je je van God afkeert, het twee omdat je een beeld gaat vereren, maar het derde is het ergste: met een vloek geef je God als het ware een klap in zijn gezicht.

2. Voorkom dat anderen hem misbruiken.
Als je weet hoe erg God vloeken vindt, dan zul je het niet snel doen. Maar toch hoor je steeds weer mensen om je heen vloeken. Wat moet je dan doen?
Laten we kijken wat er met de halve Egyptenaar gebeurden: de mensen moesten voordat hij gestenigd werd, de handen op zijn hoofd leggen. Zelf waren ze als het ware door zijn vloek ook mee besmet. Het raakt je als iemand Gods naam beledigt. Maar nu mogen ze die schuld bij die man neerleggen.
Daarom zegt de catechismus: laat het niet zomaar gebeuren dat mensen vloeken, maar zeg er wat van. Het is verleidelijk te doen alsof je oost-indisch doof bent. Om het maar te negeren. Maar God vraagt dat je in actie komt, als het maar even kan. Een moord of een diefstal laat je ook niet zomaar gebeuren, dan kom je ook in actie. Daarom wordt dat ook van je gevraagd als je in actie komt. Bij vloeken in een boek of op televisie is dat niet zo moeilijk. Die kun je gelijk uitdoen of wegleggen. Maar mensen met wie je hele dag optrekt, samen op je werk zit of samen sport??
Ja maar hoe moet dat dan? Moet ik er altijd wat van zeggen? Allereerst is het belangrijk dat de mensen van je weten dat je christen bent! Dat je daarvoor uitkomt in je gesprekken, dat je dat laat zien in je zondagsbesteding, dat je niet als de ongelovigen je lunchpakket aanvalt alsof het de normaalste zaak van de wereld is, maar dat God dankt omdat hij zorgt voor eten en drinken. Dan is het al heel wat makkelijker om van anderen respect te vragen.
Dan kun je als iemand vloekt zoeken naar een goede manier om er wat van te zeggen. Niet te zwaar, maar misschien kun je er een draai aangeven. Op een ontspannen manier er iets van zeggen. Doe in ieder geval niet te verontwaardigt, probeer als er ruimte voor is uit te leggen waarom het je pijn doet als Gods naam misbruikt wordt.
Ik las een verhaaltje van iemand die met Spurgeon op een schip zat en die regelmatig vloekte. Spurgeon had er al een paar keer wat van gezegd maar hij ging gewoon door. Die man heette Smith. Toen ging Spurgeon terwijl hij bij die man in de buurt was, tijdens de krant lezen, steeds zijn naam noemen. Die man vroeg: waarom doe je dat. Hou eens op. Ik vind het irritant en vervelend. Toen vroeg Spurgeon kunt u zich voorstellen dat God dat ook irritant en vervelend vind als zijn naam steeds misbruikt wordt!?

3. prijs die naam
God wil niet dat we doen alsof zijn naam niets voorstelt, maar dat we juist beseffen dat zijn naam veel voorstelt. Niet licht is, maar zwaar: heilig, vol van heerlijkheid. Dat die naam dan ook niet leeg, of ijdel, maar heilig en met eerbied gebruikt moet worden. De Joden hebben dat zover doorgevoerd dat ze Gods meest eigen naam, JHWH, HERE geschreven met allemaal hoofdletters, dat die naam door hen niet meer genoemd wordt. Maar dan wordt Gods naam te heilig gemaakt. Natuurlijk kun je nooit te eerbiedig zijn, maar het kan ook niet zo zijn dat Gods naam niet meer genoemd wordt. God vraagt juist dat we hem aanroepen, prijzen! Dat we Hem belijden voor de mensen!
Dat wil echt niet zeggen dat we van ons leven een eindeloze kerkdienst moeten maken. God wil juist ook gediend worden als met ons dagelijks werk bezig zijn. Door te werken, naar school te gaan, te ontspannen en plezier te hebben voor Gods aangezicht, terwijl Hij het ziet en kan genieten, maak je zijn naam ook groot. Door goed met zijn schepping om te gaan, prijs je Hem om zijn werken.
We kunnen zijn naam ook goed gebruiken in de eed. Als de overheid, of ons beroep dat van ons vraagt. Laten we, als de gelegenheid zich voor doet ons niet schamen voor die naam, maar die naam vrijuit gebruiken, ook in de eed. Mensen gebruiken die eed steeds minder. Dat is jammer. Juist door de eed kun je je afhankelijk van God opstellen. Laat je niet zien dat je zelf een naam kan maken, maar dat je vertrouwt op Gods grote naam.
God gaf ons zijn naam: HEER, de God van het verbond. Maar die naam hebben we het best leren kennen in Jezus Christus. Hij heeft Gods naam bekend gemaakt: In Hem hebben we de liefde van God voor ons schepselen leren kennen. Hij heeft ons verlost uit de ellende, zodat we heilige kinderen van God zijn. zodat we Hem kunnen loven en prijzen! Laten we in gedachten, woorden en werken steeds meer Gods naam groot maken. Niet om er iets mee te presteren, maar juist: om te laten zien hoe dankbaar we zijn dat deze God zijn naam aan ons verbindt. Die grote naam van God wordt daarvoor nooit genoeg geprezen in ons leven!
O Naam aller namen, aan U alle eer.
Niets kan mij ooit scheiden van Jezus mijn Heer:
Geen dood en geen leven, geen moeite of pijn.
Ik zal eeuwig zingen, dicht bij U zijn. Amen

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: