Numeri 13 – Laat je meenemen op weg naar het beloofde land!

Preek Heemse en Ommen, 30 juli 2017

Tekst: Num 14:8b-10

 

Geliefde gemeente van onze Heer Jezus Christus,

[Dia 1] Soms kun je heel bang zijn. Dat je angstig bent voor iets wat je wilt gaan doen. Als kind bijvoorbeeld dat je bang bent voor een grote hond. Of dat je bang bent om alleen ergens naar toe te gaan. Het kan ook zijn dat je bang bent om met het vliegtuig te gaan vliegen. Stel je voor wat er allemaal kan gebeuren: je hoort nog wel eens dat een vliegtuig neerstort. Je krijgt al buikpijn als je eraan denkt! Soms kun je heel erg opzien tegen een gesprek of een telefoontje, zeker als je iemand wil wijzen op iets wat niet klopt. Zo kan er op allerlei manieren angst zijn voor de onzekerheid die gaat komen, bijv. dat je opziet tegen lijden en ziek zijn, of misschien nog we erger het lijden van een ander.

[Dia 2] Vanmorgen zien we dat het volk van Israël bang is. Terwijl God zulke grote wonderen had gedaan in Egypte. Terwijl ze zoveel van zijn macht hadden gezien: in het water dat in bloed veranderde, in de sprinkhanen of de duisternis. Terwijl ze het wonder van de doortocht door de Schelfzee hadden meegemaakt … overvalt hen voordat ze het nieuwe land binnengaan opeens een enorme angst en ongeloof. Het wordt zo erg dat ze het beloofde land niet kunnen binnengaan.

[Dia 3] Dit is een gedeelte dat veel aangehaald wordt verder in de bijbel. In psalm 95, maar ook later nog in Hebreeën. Want het kan ook zomaar gebeuren dat jij, dat u, dat ik door een ongelovig hart afvallig word(t) van de levende God, wanneer we niet vasthouden waarop we hopen. Wanneer we het doel en God uit het oog verliezen: door de zorgen van elke dag over geld, plezier, werk, of wanneer we door luiheid en laksheid, of misschien wel door een sterkte angst: kan ik wel op God vertrouwen, heeft het wel zin om naar de kerk te gaan. Is geloven voor mij wel weggelegd en mag ik wel hopen op Gods liefde en genade?

Laat je meenemen op weg naar het beloofde land

1) Laat angst en ongeloof niet overheersen

2) Maar leer in geloof kijken

3) Zodat je niet afvallig achterblijft

[Dia 4] 1) Laat ongeloof niet overheersen

We hoeven geen grote woorden te spreken over de angst van dit volk. We hoeven niet te doen alsof het vreemd is dat de tien spionnen bang zijn om dit land binnen te trekken en dat dit volk denkt: dit komt nooit goed. Het was ook best spannend!

De Israëlieten waren etappe voor etappe, geleid door de wolk aangekomen bij de zuidelijke rand van het land. Ze zijn nu in Kades Barnea, een plek 75 km onder Hebron. Ze komen steeds dichter bij het beloofde land. Het doel van de reis is bijna bereikt. Daarom wordt er een eerste verkenningsmissie op uitgestuurd. Verkenners die in kaart mogen gaan brengen wat voor land dit is, en daarbij moeten ze op de mensen letten en ook hun ogen goed de kost geven wat voor land dit is. Het is slechts een paar maanden na hun vertrek bij de Sinaï dat de grote volksmassa met de tabernakel in hun midden deze plek vlak bij het land heeft bereikt.

Wanneer de verkenners rapporteren vertellen ze inderdaad allemaal geweldige dingen over het land. Het is werkelijk het land van melk en honing zoals God dat gezegd heeft. Nu is Israël niet zo vruchtbaar als ons Nederland, maar in vergelijking met de smalle strook vruchtbaar land in Egypte en de droge woestijn, was het werkelijk een paradijs: hier regende het regelmatig zodat er gras groeide en je runderen kon houden, zodat de melk ging stromen. Hier bloeiden bloemen zodat er bijen waren die honing konden produceren. [dia 5] Er zijn ook veel vruchten: als de mannen terugkomen uit het land dan nemen ze vijgen en granaatappels mee, en grote druiven: druiven bijna zo groot als pruimen wordt wel eens over verteld. In ieder geval hebben ze maar een stok gepakt om de druiven tussen zich in te kunnen dragen. Dit land is bijna te mooi om waar te zijn!
En zo beginnen tien van deze mannen ook te praten en te kijken. [dia 6] Ze wijzen erop dat Achiman, Sesai en Talmai in Hebron wonen, Enakieten. De gewone mensen waren al lange mensen, maar deze waren nog langer: dit waren werkelijk reuzen. Ze zullen ook onder de indruk gekomen zijn van Hebron: die stad rijst voor je op als je nadert vanuit de woestijn. Langzaam klimt het land omhoog en uiteindelijk bots je tegen de hoge vestingmuren van die stad aan: een onneembare vesting. En bovendien: er zijn zoveel volken die dit vruchtbare land wel willen hebben en het ligt zo tussen de grootmachten in. Het land verslindt zijn inwoners: de mensen vechten met elkaar en zouden wij ons daar ook nog tussen moeten begeven? We zullen omkomen …

[dia 7] De mensen van het volk horen deze woorden. Ze worden er bang van. Angstig. Eerst zullen ze in kleine groepjes het gezegd hebben, vervolgens klinkt van verschillende kanten angstgeroep, en tenslotte klinkt heel het oosterse weeklagen door het kamp heen, zoals dat hartverscheurend kan zijn. Ze zien het helemaal niet zitten: moeten we daar binnentrekken? We worden afgeslacht en onze kinderen ook! Waren we dan maar hier in de woestijn gestorven, of in Egypte. Laten we een andere leider kiezen! Iemand die ons terug kan brengen naar Egypte. Liever het slavenbestaan daar, dan afgeslacht worden in dat mooie land, vloeiend van melk en woning, maar nu toch nog in het bezit van machtige mensen.

[dia 8] Angst en ongeloof overheersen. Kom jij dat ook tegen om je heen? Kom ik dat nu ook tegen in de gemeente? Zie je dat ook in je eigen leven? Het lied over het land van louter licht dat we straks zingen zegt: ‘Hing niet een wolkendek zo zwart, van twijfel om ons heen’. Is het niet vaak door angst dat je niet gelovig de weg gaat die de Heer van je vraagt? ‘Maak je geen zorgen voor de dag van morgen’ … maar ik kan niet anders dan steeds weer bezig te zijn met hoe het verder allemaal moet.

God vraagt: Toon mijn liefde voor de ander bijvoorbeeld door hem te helpen met geld … maar kom ik zelf dan geen geld tekort?

Wees trouw in je huwelijk … maar word ik dan niet ongelukkig?

Kom op voor mijn rustdag en mijn naam, zeg wat van het vloeken … maar wat zullen anderen dan van mij zeggen?

Wat kunnen we ons klein voelen. Zwak. Zondig.

Dat je naar jezelf als christen kijkt of naar de gemeente en zegt: die anderen zijn net reuzen en wij … we zijn net nietige sprinkhaantjes, en in hun ogen zullen ook wel zo geweest zijn.  Als we niet oppassen kunnen we zomaar, om het met de Hebreeënschrijver te zeggen, halsstarrig worden doordat we door de zonde verleid worden en vergeten om tot het einde toe resoluut vast te houden aan ons vertrouwen van het begin.

 

2) Maar leer in geloof kijken

Tja, hoe moeten Mozes en Aaron reageren op zo’n reactie van het volk. Hoe moeten die twee gelovige verkenners, Jozua en Kaleb reageren. Hoe zal God reageren?

Of het komt omdat Mozes en Aaron al ouder zijn, het volk beter kennen of een andere reden, we weten het niet, maar in ieder geval: zij gaan niet in discussie met het volk. Zij werpen zich ten overstaan van de voltallige gemeenschap op de grond. Zij gaan bidden tot God en wachten of hoe Hij zelf zal reageren.

Maar de jongere Kaleb en Jozua proberen het volk nog anders te laten kijken. We lezen dat ze eerst hun kleren scheuren: een teken uit die tijd, waarmee je tot uiting bracht wat er binnen in je leeft. Zij voelden schuld en diepe gebrokenheid. Pijn om deze reactie van het volk. Ze herhalen dat het land een buitengewoon goed land is. Van de vruchten en de melk zullen we kunnen eten en drinken. Een goed en gezond land. En bovendien de Here zal ons er brengen. Hij heeft dit beloofd en aan deze belofte mag je vasthouden!

Dus zeggen zij juist: wees niet bang! Ze hebben wel in de gaten dat het angst is die de mensen drijft. Dat ze daarom zo jammeren. Dat ze bang zijn voor wat er gaat komen als werkelijke de tocht naar het beloofde land wordt ondernomen. Maar je hoeft niet bang te zijn. En waarom niet?

Zij hebben niemand die hen beschermt: hun goden zijn geen echte goden. Hun leven is een leven dat niet verbonden is met de levende God. Zij zeggen niet: onze hulp komt van God die hemel en aarde gemaakt heeft. Zij vertrouwen op hun houten beelden en opgerichte stenen. Er is niemand die hen beschermt. En wij? Wij worden bijgestaan door de HEER. Hij is de levende God. Hij is ons zon en ons schild. Kijk maar naar de wolk die met ons meetrekt en ons beschermt tegen de hitte en de kou. Die ons de weg gewezen heeft. Wij hebben een God die ons beschermt: Wie in de schuilplaats van de Allerhoogste woont en overnacht in zijn schaduw, zegt tegen de Heer: Mijn toevlucht, mijn vesting, mijn God! Ik vertrouw op U.

De Hebreeën schrijver zegt ook: U allen die deel hebt aan de hemelse roeping, richt uw aandacht op Jezus. Laten we luisteren naar zijn stem. Laten we elkaar ook terechtwijzen, zoals Jozua en Kaleb hier in doen en elkaar aansporen om in geloof naar de dingen te kijken. Denk aan Petrus die wanneer hij loopt op de golven en naar de golven gaat kijken opeens begint te zinken, maar wanneer hij naar Jezus kijkt en vol vertrouwen gaat de kracht krijgt om zelf op water te lopen. Laten we bidden dat we in geloof naar de dingen mogen kijken.

Ik bid dat je door de Heilige Geest dat geloof mag ontvangen. Het is niet altijd makkelijk om vol te houden. Het is echt niet zo vreemd dat de Israëlieten er tegen op zagen om het land binnen te gaan. Het is voor ons niet zo vreemd dat het soms moeilijk is om vol te houden: heeft het echt zin om elke week een hele dag voor de HERE af te zonderen? Heeft het zin om steeds weer tijd vrij te maken om naar de kerk te gaan en de bijbel te bestuderen? Zal Christus wel geloof vinden op aarde als Hij terugkomt? Mag ik op God vertrouwen ook als ik zo worstel met allerlei vragen rondom mijn ziek-zijn, rondom die handicap waardoor ik niet zo kan genieten als anderen, of als ik me als puber zo onzeker voel over wie ik ben… Ik hoop dat je in geloof mag zien op Christus: bij hem rust en bescherming mag vinden. Wie met geloofsogen leert kijken, ziet dat het leven hier niet de eindbestemming is, maar die zoekt Gods rijk. Iets waarvan je hier hopelijk als steeds meer iets mag ervaren in liefde en vrede, maar waar je straks uiteindelijk mag binnengaan.

 

3) Zodat je niet afvallig achterblijft

Het komt er dus wel op aan waar je voor kiest: ga je mee op weg naar het koninkrijk of leef je uiteindelijk voor je eigen rijk? Wanneer Jozua en Kaleb de mensen daarop wijzen wordt het hen niet in dank afgenomen. De mensen beginnen stenen op te rapen, kleine en grote stenen, wat ze maar kunnen vinden. Ze willen de stenen richting de boodschappers gaan gooien. Maar dan komt plotseling de wolk in beweging: de wolk die boven de tabernakel hangt. God is toornig en boos en de wolk van de ontmoetingstent komt naar hen toe, God toont zijn heerlijkheid, misschien wel met donder en bliksem. God legt zijn straf uit. Eerst is Hij van plan om het volk helemaal te vernietigen, maar dan doet Mozes voorbede. God toont zijn genade en zal doen wat Hij belooft heeft: het volk in het beloofde land brengen, maar zonder deze zondige mensen. Want nu na tien keer een opstand is de maat voor Hem vol. De straf is dat ze voor elke dag dat het land verkend is, voor al die veertig dagen een jaar in de woestijn moeten blijven. Hun lijken zullen straks in de woestijn liggen. Al die mannen die aan het begin van Numeri geteld zijn, zullen niet binnengaan. Behalve Jozua en Kaleb en de levieten. Die mogen wel binnengaan, voor zover ze dan nog in leven zijn.

Met deze straf geeft God het volk eigenlijk waar ze zelf om vragen. Ze hadden gezegd: laat ons dan liever in de woestijn sterven. Nou, dan zullen ze ook in de woestijn sterven. Dan kunnen ze ook niet binnengaan. Want als ze het even later wel proberen, dan lopen die eigenwijze mensen zich te pletter op de muren van Hebron. Dan lukt het hen inderdaad niet om in het beloofde land binnen te gaan.

Veertig jaren verbleef het volk in de woestijn. Toen mochten ze binnen gaan. Ze waren niet in staat geweest om in de beproevingen staande te blijven. Wanneer het aan ons ligt, zouden we ook niet op eigen kracht in het hemels Jeruzalem kunnen binnengaan. Maar, we hebben een hogepriester. Hij die veertig dagen lang in de woestijn is geweest. Die toen wel in staat was de aanvallen van de duivel te weerstaan. Die heel de weg voor ons gelopen heeft.

Wanneer we elkaar vandaag aansporen om niet bang te zijn, niet angstig zijn maar vertrouwen te hebben, dan is dat niet omdat wij zo groot zijn en zoveel kracht. Wij voelen ons soms klein. Maar we hebben wel een leidsman, een Here en redder die ons voorgaat. Die voor ons de straf gedragen heeft. En als we elkaar dan aansporen om niet achter te blijven, om niet te verzwakken dan zeggen we vooral: leer in geloof te zien op Christus. Als je niet bij Hem schuilt, bereik je je doel niet. Als je niet van zijn vergeving en zijn offer aan het kruis leeft, worden je zonden niet vergeven. We waarschuwen elkaar, en dat wordt misschien niet altijd in dank afgenomen. Maar daarmee zijn we wel gehoorzaam aan de roeping van onze Heiland. Om elkaar aan te sporen en mee te nemen. Om te zeggen met Jozua en Kaleb: wees niet bang, leef niet zonder een beschermer, maar vertrouw op God en Jezus. Want wij hebben een beschermer die over ons waakt! Luister dan steeds weer naar zijn stem. Doe je dat? Amen

 

Liturgie zondag 30 juli 2017, 9.00u en 11.00u
Votum, Zegengroet en gezongen amen (staande)

Zingen Psalmen voor Nu 84 (staande) De HEER beveiligt ons, Hij heeft zijn liefde nooit ontzegd aan mensen, eerlijk onderweg.

Wet

Zingen Psalm 91:1,7

Gebed

Lezen Numeri 13:25-14:11
Zingen Psalm 95:3,4,5
Lezen Hebreeën 3:12-4:3a
Tekst Numeri 14:8b-10

Preek

Zingen LvK 290: Er is een land van louter licht
Gebed

Collecte
Zingen Opwekking 717: Stil, mijn ziel, wees stil (staande, aangekondigd na de collecte)
Zegen en gezongen amen (staande)

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: