Filippenzen 4:18 – Mij ontbreekt niets …

november 2, 2010

Preek gehouden in Hooghalen, Dankdag 2010

Tekst: Fil. 4:10-23

 

Geliefde gemeente van onze Heer Jezus Christus,

[Stap 1/Dia 1] ‘Iemand bedanken’, hoe doe je dat goed? Al van heel jong leer je om ‘dankjewel’ te zeggen als je een snoepje of koekje krijgt, als je een feestje hebt gehad zeg je ‘bedankt voor alles’. En ook als je een cadeautje voor je verjaardag krijgt zeg je ‘Bedankt!’.

Paulus zit in de gevangenis. Hij heeft verteld over de Here Jezus en daarom is hij nu een gevangene van de keizer van Rome. Maar hij is blij! Epafroditus is net bij hem gekomen en heeft een geldbedrag meegenomen vanuit Filippi. Zo wordt er ook voor Paulus in de gevangenis gezorgd. Deze brief in de Bijbel, is een brief om te bedanken. We kunnen veel leren van hoe Paulus ‘bedankt’ zegt tegen de mensen in Filippi.

In onze gemeente is er een oproep gedaan om ook geld te geven voor de kerk. Een gift om als kerk aan onze verplichtingen te kunnen voldoen. Waarom geef je aan de kerk? Wat krijg je ervoor terug? Hoe word je bedankt voor dat wat je gegeven hebt?

Bedanken thuis, door Paulus, in de kerk … en dan is het nu dankdag. Er ligt weer een seizoen achter ons. Als ik door de tuin loop zie ik hoeveel moois ik gekregen heb van de rozenstruik, maar de laatste bloemen zijn nu aan het verdorren. Ik zie de druif die zijn blad laat vallen, maar veel vrucht gegeven heeft. De rode bes heeft ook al herfstkleuren en de kronkelhazelaar begint groen te worden. Je mochten genieten van de siertuin. De meeste producten zijn van het land gehaald, de dieren hebben hun vlees, hun lammetjes, hun kalfjes, hun kuikens, hun eieren gegeven. Er was eten en drinken. Hoe kunnen we God onze dank geven. Dank brengen voor alles wat Hij gedaan en gegeven heeft?

Paulus zegt het open en eerlijk: De Heer heeft mij veel vreugde gegeven. Hij is gewoon heel blij! Blij met wat hij van de mensen in Filippi ontving. Hij is de Heer dankbaar, want al kwam het via mensen. Hij zegt: het kwam uiteindelijk van God. Zoals je dat zelf ook mag zeggen van al die gewone manieren waarop geld bij je binnenkwam: via je werk, via een uitkering, via een gift. Het is zorg van de Heer.

Paulus is vooral ook blij voor hen: Nu hebben jullie mij kunnen laten zien hoeveel zorg en medeleven jullie met mij hebben. Zo zegt hij dank je wel: door te wijzen op God. En ook door te zien op de ander: jullie hebben zo liefde kunnen tonen. Wat wordt Paulus daar blij en dankbaar van. Voor al u goede gaven Heer, zij u de dank en eer!

 

[Stap 2/Dia 2] Het kan zijn dat je het helemaal niet zo makkelijk vindt om vanavond in de kerk te zitten. Om God te danken. De gevolgen van de economische crisis zijn nog steeds merkbaar, ook in de hoeveelheid werk die er is. Wat is het vervelend als de bank vraagtekens bij je bedrijf krijgt. Op de velden is het erg nat, wat het moeilijk maakte om de oogst eraf te halen. Het kan zij dat je erg iemand mist met wie je het leven kan delen. Misschien steiger je wel als er gezegd wordt: ‘we leven in een welvarend land’, want hoe komt het dan dat jij maar met moeite rond kan komen? Hoe erg moet het in arme landen dan zijn.

Als Paulus bedankt voor de steun die hij gekregen heeft, dan geeft hij aan dat hij zelf wel weet wat het is om gebrek te lijden. Ik heb zelf honger meegemaakt, zegt hij.

Hij weet dus wat het is om met een knorrende mag weer aan de slag te gaan en op zoek te gaan naar eten. Hij heeft gebrek meegemaakt: dat hij maar met moeite aan onderdak en kleding kon komen.

Maar hoe praat hij over die moeilijke tijden? Ik heb geleerd om in alle omstandigheden voor mezelf te zorgen, zegt hij. Als je dat zo los leest, dan klinkt dat niet erg gelovig. Eerder zo van: ‘Ik red me wel’. Een levensmotto wat iedereen zou kunnen hebben: ‘je moet er maar mee om zien te gaan, de dingen een plek geven en zelf ervoor vechten’. Toch is dat niet waar dit gedeelte op uit loopt.

Want wat is Paulus geheim? Paulus zegt (vs. 13): ‘Ik ben bestand tegen alle dingen, door Hem die mij kracht geeft’. Paulus laat zo zien dat er iemand is op wie hij terugvalt.

Dat hij zijn kracht niet bij zichzelf, maar bij God zoekt.

Dat hij zo met God verbonden is, dat hij in goede en slechte situaties op Hem vertrouwt.

Paulus prijst dus niet zijn eigen kracht, maar de kracht van God.

In rijkdom en armoede, gezondheid en ziekte, voorspoed en tegenspoed, verwacht hij het van God die Hem kracht geeft. Daardoor lijdt hij er niet onder, maar kan er mee omgaan.

Ik hoop dat je die kracht ook mag kennen of leren kennen. Of je nu al veel door het leven getekend bent of niet. Dat je zegt: Jezus Christus is gestorven voor mij. God heeft mij lief.

In zijn Vaderliefde zal Hij mij bij de hand nemen en leiden. Hoe de weg ook zal zijn.

Zelfs al betekent die weg hier moeite, of wil hij mij al thuis brengen in zijn heerlijkheid.

God belooft mij de kracht, hij schakelt mij in in zijn plan.

Daardoor kan ik omgaan met al die verschillende situaties. Daarom wil ik ook nu met dankdag in de kerk zitten. Want ook al is er armoede of zijn er problemen, ik sta hier niet met lege handen. Ik dank God voor zijn steun en kracht! Ook in de moeite wil ik God nog danken voor de dingen die ik wel heb! Zoals Paulus zelfs in de gevangenis God nog kan danken.

 

[Stap 3 / Dia 3] Als Paulus zo goed met moeite om kan gaan, wil dat niet zeggen dat hij niet blij is met het geld dat hij gekregen heeft. Hij prijst de Filippenzen. Ze hebben gedeeld in zijn moeilijkheden, staat er. Dus ze hebben meeleven getoond, ze hebben zelf meegevoeld hoe Paulus het moeilijk had. Juist deze gemeente had hem altijd ondersteund, gelijk na zijn vertrek uit Macedonie, maar ook al in Thesselonica.

Paulus maakt op andere plekken heel duidelijk dat hij geen geld wil hebben. Hij wil niet dat ze denken dat hij rijk wil worden van het apostel-zijn. Maar met Filippi, de eerste christelijke gemeente in Europa, is de band zo bijzonder, dat Hij daar wel geld van aanneemt. Door Paulus te ondersteunen werken ze zo mee aan de verbreiding van het goede nieuws en mogen steeds meer mensen die kracht van God gaan ervaren.

 

Paulus vind het geweldig dat ze geven en zo omgaan met hun geld. Paulus heeft leren omgaan met armoede en rijkdom, want God gaf hem kracht. Die kracht hebben we nodig als we met moeite de eindjes aan elkaar knopen. Soms helpen we elkaar en springen bij. Komt de diaken op bezoek. Paulus heeft ook leren omgaan met rijkdom: is dat soms niet extra moeilijk. “Het zijn sterke schouders die de weelde kunnen dragen”. Een hele verantwoordelijkheid. Voelen we die nood ook en bellen we dan ook de diaken: ik heb zoveel, hoe kan ik daar goed mee omgaan? De mensen in Filippi wilden hun geld gebruiken voor de ondersteuning van de verkondiger van het goede nieuws, voor Paulus.

 

Paulus gebruikt termen die bij de je financiële administratie horen om aan te duiden wat dit betekent. Hij zegt: door geld naar mij over te maken, loopt het tegoed op jullie rekening op. Dat zou toch mooi zijn: door geld over te maken naar iemand in nood, naar de kerk of de zending zou je banksaldo opeens omhoog springen?! Het is als een belegging die je met winst terugkrijgt, of waarover je rente en dividend ontvangt.

Wat bedoelt Paulus hier? Niet dat je er geld aan verdient om te geven. Ook niet dat je er iets mee zou kunnen verdienen voor God. Dat je met geld eerder in de hemel zou komen! Gelukkig niet! Paulus heeft het hier over de vrucht, een geestelijke vrucht. Hij verbindt  de vrucht aan de groei in geloof en de groei in liefde. Wanneer op een goede manier gegeven wordt, dan mag je groei in geloof en liefde zien. Dan is het als een offer dat God behaagt. Geen betalingsoffer, maar wel een offer uit dank.

Uit dank voor wat God gedaan heeft, wil je aan anderen geven.

Uit dank aan voor wat God gedaan heeft, wil je ook dat anderen het goede nieuws gaan horen. Wil je ook dat Gods woord kan blijven klinken.

Zo’n offer kost je wel wat. Gods Zoon heeft alles voor ons gegeven: zijn eigen liefde. Zullen wij tegen Hem zeggen: Neem mijn leven, neem uren, neem mijn geld, neem mijn liefde … laat mij toegewijd zijn aan U. Niet om God te betalen, maar om je dank te ‘betalen’. Om te laten zien hoe blij je bent met wat God jou gegeven heeft. Dan mag je geloven dat God dat offer van jou ziet en aan wil nemen.

 

[Stap 4 / vs. 18-20] Zo zegt Paulus ‘Dank jullie wel’. Hij zegt: het levert jullie veel winst op. Maar hij geeft ook aan dat hij zelf veel gekregen heeft, hij heeft nu meer dan genoeg.

Hij zegt zelfs: mij ontbreekt niets.

Het doet denken aan Psalm 23. Het is de Here die als een Herder voor hem zorgt.

Ook al gaat hij door een dal van diepe duisternis. Hij zit in de gevangenis!

Laten we in dat vertrouwen en vanuit die dank vandaag de Here danken.

Hij kan en wil geven wat we nodig hebben.

In Jezus Christus, staat er dan bij. Dat wil Paulus nooit vergeten.

Alleen door het lijden en sterven Christus, kunnen we leven en mag je vertrouwen op je hemelse Vader.

 

Paulus had geld gekregen, maar de gemeente ontvangt dan hem ook nog bemoediging.

Een bemoediging die ook wij op dankdag mee mogen krijgen.

God zal zijn kinderen geven wat zij nodig hebben. Hij weet wat je nodig hebt! Hij kent je behoefte.

Dat doet hij uit zijn overvloed, die heerlijk, stralend en machtig is.

God die hemel en aarde gemaakt heeft. Hij die alles bestuurt.

Hij zal nooit tekort komen om te geven wat je nodig hebt.
Je hoeft niet bang te zijn of hij kan geven wat je werkelijk nodig hebt.

Die bron droogt nooit op. Vertrouw daar maar op! Je mag een kinderlijk vertrouwen hebben dat de machtige hemelse vader ervoor zal zorgen.

Dat mag je leven stempelen, op die manier mag je bidden:

Paulus schreef in vers 6: wees in niets bezorgd, vraag God wat u nodig heb en dank hem in uw gebeden. Paulus prijst in zijn brief God. Laten wij ook op deze dag God groot maken. Met elkaar! Tot in alle eeuwigheid. Dat is de beste manier om tegen God: Dank u wel te zeggen. Amen

Votum en zegengroet

Psalm 65:1 en 6

Gebed

Filippenzen 4:10-23

Psalm 23

Filippenzen 4:18

Preek

Lied 465

Gedeelte uit belijdenisgeschrift

Psalm 116:3,7,10

Dankgebed + stil gebed overgaand in zingen van:

Gezang 37:2 en 8 (Uw naam worde geheiligd, heer)

Collecte

Gezang 137: ‘k Wil u, o God, mijn dank betalen.

Zegen en gezongen amen

Advertenties

Psalm 65 (Biddag) – Leer God kennen als de gevende God in Jezus Christus

maart 8, 2010

Preek gehouden in maart ’10 te Hooghalen

Lezen: Kol 1, 15-20

Tekst: Ps 65

Geliefde gemeente van onze Here Jezus,

Op deze avond gaan we met elkaar bidden.

Nu zijn er twee manieren waarop je kunt gaan bidden.

(1) Je kunt gaan bidden, terwijl je betwijfelt of God wel iets voor je kan doen. Bidden terwijl je je verloren voelt en niet ziet dat God voor je zorgt. Soms kan het nodig zijn om zo’n noodkreet tot God te richten. Here, help mij toch! Dan heb je gebeden, en hoe vaak al wel niet, bijv. dat je werk mag vinden. Maar ook na vorig jaar zit je nog zonder werk. Je hebt gebeden of de Heer je wil helpen geloven, maar ook dit jaar zit je nog vol met vragen. Dan kun je je blind gaan staren op jezelf, en op je manier van bidden en op datgene wat nog ontbreekt.

(2) Maar je kunt ook aan de andere kant gaan beginnen. Beginnen bij wat God allemaal al gegeven heeft.

Dat is wat Ps 65 doet.

Dat is de manier waarop vanavond ook met elkaar willen leren bidden.

De manier waarop we ons door Gods Geest zoals Hij spreekt in zijn woord willen laten onderwijzen.

Jezus leerde ons zelf het Onze Vader bidden in het het vaste vertrouwen: dat van God het koninkrijk is en de kracht en de heerlijkheid.

Hij is de verhoorder van gebeden.

Ps 65 begint al gelijk met te zeggen: Here, U komt de lof toe. Wij roemen in uw naam. David zegt al gelijk: de Here is groot en Hij is een hoorder van het gebed (vs. 3). Hoe kan David dat zeggen? Hoe kan Hij zo vol vertrouwen bidden?

Leer God kennen als de Gevende God in Jezus Christus

1. Hij schiep de wereld

2. Hij redt de mens

3. Hij vult het land

Hoe is het mogelijk om God te leren vertrouwen? Te zien dat je hier op aarde niet aan je lot overgeleverd bent, maar dat er een God is die voor je zorgt? Dat kan allereerst door te kijken naar het eerste begin van de wereld. Dat doet de psalm in vers 7 en 8.

In het begin was de aarde woest en leeg.

Het was donker en de aarde was vol met donkere wateren.

Maar toen kwam God naar de aarde.

Hij ging als een kunstenaar die aarde in vorm brengen.

Wees de bergen hun plek aan en zette ze vast. De woeste golven van de vloed, Hij bond ze vast en hield ze in bedwang.

Hij wees de zee zijn plek aan, Hij wees aan waar het land was.

Het bijzondere is: Christus, de Zoon van God was er toen al bij, lazen we net in Kolossenzen.

God sprak door zijn Zoon en maakte zo een mooie wereld.

Hij maakte een plek met mooie bomen, planten en dieren.

De Vader van Jezus Christus, heeft samen met zijn Zoon en de Geest deze aarde gemaakt.

Daar had God het bij kunnen laten. Een mooie plaats op aarde. Maar God deed dat niet. God wilde ook de mens maken. Hij had een mooie aarde gemaakt, met de bedoeling dat mens daar zou wonen. Dat God samen met de mens door die hof kon lopen, dat God en de mensen samen in vrede zouden leven. God maakte de mens, zodat de mens kon genieten van de schepping. Zodat God de mens lief zou hebben en de mens God. In het paradijs, maar nog steeds, gebeurt dat: dat mensen God prijzen, juist om zijn schepping. Vers 9 zegt: Daarom vrezen alle mensen op de aarde uw tekenen. Wat had de God van Israël zijn macht laten zien in de schepping. Van waar de zon op gaat, tot waar de zon weer neerdaalt komen mensen onder de indruk van de macht van deze God.

Van het Himalaya gebergte in Azië, tot de Grand Canyon watervallen in Noord Amerika.

Van de koude vlakten op de noordpool, tot het oerwoud met zijn enorme reuzebomen.

Van oost tot west komen mensen onder de indruk van de kracht van God.

Zo mag je nu je ook nu kijken naar de bergen en de wateren, en zien hoe God die gemaakt heeft. Hij heeft de aarde mooi gemaakt, voor de mens om daarop te wonen. En als je dan ziet hoe God hier de bossen heeft neergelegd, afgewisseld met zand en met heide. Hoe reeën daar hun plek vinden om te wonen. Hoe het water van de Drentsche Aa erlangs stroomt. En hoe vele dieren daar hun plek om te wonen vinden. Ja dan mag je daarin al zien, hoe God echt het goede voor heeft met de mensen, zijn zon op doet gaan, ja over alle mensen. Mensen doet leven in een wereld die voor hen gemaakt is. Daarom mag je op God vertrouwen. Vrees hem daarom! Hem vrezen, dan je hoef je niet bang zijn, maar je krijgt wel respect voor zijn mooie schepping. Wie zo Gods bedoeling met de schepping ziet, die mag bidden: met ontzag voor de God die alles gemaakt heeft, die weet dat deze God de Schepping goed gewild heeft. Die juicht voor de God die dat alles gemaakt heeft. Die prijst Hem en Die weet dat alleen wanneer het gebed tot die God gericht wordt, het gebed gehoord wordt en tot de Heerser die heerst tot aan de einde der aarde gericht is. We bidden omdat van God alle kracht en heerlijkheid is.

Leer God kennen als de Gevende God in Jezus Christus

1. Hij schiep de wereld

2. Hij redt de mens

2. Nu kun je de vraag stellen:

is het mogelijk om zo in God te geloven? Zo onder de indruk van zijn schepping? Zo vol vertrouwen te zijn dat Hij het goede met ons voor heeft?

Soms wilde ik wel dat het nog mogelijk was: dat je wanneer je een boom weer helemaal in de knop ziet staan en de zon heerlijk ziet schijnen, je je nog in het paradijs kon wanen. Dat je echt zonder grenzen kan genieten, als je ’s morgens vroeg door de besneeuwde weilanden fiets.

Er zijn van die momenten, maar … echt zonder grenzen genieten. Dat lukt niet: want hoe makkelijk wordt dat mooie beeld van Gods schepping kapot gemaakt. Soms zie je door je zorgen het mooie niet eens, soms heb je als je ouder bent, niet meer de energie om naar buiten te gaan, ook maar iets te ondernemen.

Ik zou willen dat het niet hoefde, maar je wordt geconfronteerd met een harde realiteit van het menselijk leven.

* Beelden van een aardbeving, een ingestort huis, een eenzame man tussen de graven komen op het netvlies.

* Ik moet denken aan brandwonden, zieke kinderen.

* Ik denk aan degenen die hier op aarde leefden, maar nu niet meer hier op aarde bij ons zijn.

* Ik denk aan de fouten en het kwaad dat op aarde gebeurt. Aan de pijn die mensen elkaar aandoen. Aan alles wat ook in de Schepping kapot gegaan is.

Kan ik dan nog wel vol vertrouwen tot God bidden?

Psalm 65 beschrijft de pijn en de moeite. In vers 3 wordt de bidder aangeduid als ‘de sterveling’. De typering van de mens, als iemand die zwak is, voorbij gaat en het sterven is prijsgegeven. In vers 4 en 5 staat: Het onrecht en dat wat kapot is drukt als en zware last op mij. Ik was beladen met zonden, ja zo sterk dat ik er door neergedrukt word. Het klopt ook dat het paradijs hier niet mogelijk is. Het paradijs werd gesloten voor de mens. Engelen met blinkende zwaarden gingen op wacht staan. Nu is het voor de mens, onmogelijk om weer in het paradijs te komen.

Wat is er een schril contrast tussen die aarde die God wilde, de vrede in het paradijs en de aarde zoals die werd!

Dat werd een wereld waarin Adam moest vluchten en Kaïn Abel de hersenen insloeg. Het paradijs was gesloten en de aarde opgegeven.

Maar dan lees ik verder in Ps 65. Ik was beladen met zonden, maar U, Here God, U doet ze weg. Ik mag tot U komen. Ik mag wonen in Uw voorhof.

Ja het paradijs ging op slot, maar U gaf uw tempel op aarde.

U gaf de offers en deed het bloed vloeien, U zocht de mens weer op.

Wat is hij te feliciteren die zo in de voorhof van de tempel mag komen.

Degene die U uitgekozen hebt om zo tot U te naderen. U zoekt de mens op. U maakt een nieuw begin. U doet mensen in de tempel genieten van het offervlees. U maakt ze vol van het goede. Er is door in Gods huis, weer een begin van genieten en verheugen. Van echte blijdschap.

U heeft de wereld niet verlaten, maar gered. Door Jezus Christus. Want dat is wat Paulus in Kolossenzen 1 aan ons duidelijk maakt. Jezus was er bij in de schepping. Maar Hij is degene die ook het nieuwe leven met God mogelijk maakt. Hij is als eerste opgestaan uit de greep van de dood, want God heeft in Hem weer helemaal willen wonen. Hij was de volmaakte mens, die alle pijn en gebrokenheid van de schepping weg wil nemen. Door Hem heeft God ons weer met zich willen verzoenen. Ja alles, alles wat op de aarde en wat in de hemel is. Want Christus heeft in die gebroken schepping weer vrede gebracht. De liefde van God laten zien. Niet zomaar, niet op een lievige manier. Maar op die ruwhouten paal op Golgotha, waar Gods Zoon bloedde door de spijkers die in zijn handen geslagen werden. Daar nam Hij door zijn dood alle schuld en pijn op zich. Zo verzoende Hij God en mensen. God had zijn Zoon gegeven, en nu is het mogelijk om tot God te komen.

Bidden in vertrouwen op God: dat krijg je niet door alleen te kijken naar deze mooie wereld en God als Schepper te zien. We mogen ook op Hem zien als Redder! We komen juist ook tot God, omdat Hij de bevrijding wil geven.

We zijn hier vanavond bijeen, met ons gebed.

We kennen ons leven, we weten onze fouten.

We kennen de pijn en de vragen.

Ook bij U zullen beelden doordringen over dingen die in uw leven pijn doen, of U hoort steeds maar dat stemmetje: waarom moet het dan zo gaan?

Toch wil God hier in ons midden zijn. Komt Hij naar ons toe met zijn zegen. Mogen we op de knieën gaan, en hoeven we niet te aarzelen of God wil vergeven. Hij ziet ons, Hij kent onze nood, Hij wil de vrede met ons en het leven met ons. Dat komt omdat we in Christus met Hem verzoend zijn. Daarom mag je bidden, terwijl je weet dat van God de heerlijkheid is: Hij straalt in zijn genade. Hij is de gevende God in Jezus Christus.

Leer God kennen als de Gevende God in Jezus Christus

1. Hij schiep de wereld

2. Hij redt de mens

3. Hij vult het land

3. En zo ziet de psalmdichter God dan ook als degene die het gewas op het land doet groeien, kijk maar naar vers 10-14. Als je kijkt naar vers 14 dan zou je misschien zeggen: had deze psalm niet beter op dankdag gepast? De velden staan toch al vol met koren, de heuvels zijn toch al bedekt met tarwe. Toch spreekt vers 10 erover hoe dat begint: Gods beek is vol water, staat er. En heel beeldend wordt in die verzen beschreven hoe de planten moeten gaan groeien.

In Palestina was de grond in de wintertijd vaak heel hard en uitgedroogd. Stevige kluiten lagen op het land. Dat land moest klaargemaakt worden en ingezaaid worden. Maar pas als de regen kwam, dan kon het gewas gaan groeien. Vaak gebeurde dat ook via gootjes en slootjes die zorgen dat het water op de juiste plek in de juiste hoeveelheid kwam en bleef. Tegenwoordig wordt het water uit de zoutzee gehaald, maar het niveau daalt nu zo sterk dat veel mensen bang zijn dat er geen water overblijft. Het water is noodzakelijk. Pas als de zo’n kluit dan langzaam volliep met water, dan kwam het zaad tot ontkieming. Dan kwam er een klein groen plantje te voorschijn. Dat groeide dan verder tot het groot was.

Maar cruciaal was de vraag of er water zou komen. Niks was zo onzeker als het weer en ook vandaag nog zie je het duidelijkst in het weer hoe afhankelijk we zijn van Gods zegen. Maar dan zegt de dichter: de beek van God is vol water. En bij beek mag je dan denken aan zo’n irrigatie kanaal door het land. De dichter zegt: die beek is vol water. Het is de beek, van God. Niet de afgoden, niet de mensen zelf zorgen voor de groei: maar God wil het geven, door dat water wordt het land vochtig. Het is God die het gewas doet ontkiemen en Hij zorgt er voor dat er zegen is en de plantjes beschermd worden. Door zijn hand, al in het eerste begin, kan het jaar straks bekroond worden. Wat een fantastisch gezicht: landen vol met volle graankorrels; weiden met schapen en lammen. Tuinen die schitterend bloeien.

En dat werkt ook door in het verdere werk: de handel, je baan, of je uitkering.

Het is de Here die het moet geven.

Maar we bidden in het vertrouwen, dat Gods beek vol is met water. Dat Hij het goede wil geven aan de wereld, maar ook aan zijn kinderen in Jezus Christus. Als we in Christus met God verzoend zijn, zal Hij ons dan ook niet alle dingen schenken? Zegt God in zijn Woord.

Zo willen we op deze biddag bidden. Bidden vanuit het vertrouwen dat God het goede met de schepping voor heeft. God is geen grillige God, God heeft niet zomaar een wereld gemaakt: maar Hij maakte die voor de mens, om in te wonen en te leven. En toen het kapot ging: toen zocht Hij deze mens op, maakte Hij vrede met ons in Christus. Die God die mensen zoekt en behoudt, die wil leiden en meegaan en zijn zegen geven.

Soms gaat Hij een moeilijke weg. Snap je niets van zijn bedoeling. Voel je je alleen en door God verlaten. Zoek Hem dan op. Kijk maar naar zijn Schepping, Kijk naar het kruis van Jezus Christus. Weet dat Hij het goede met je voorheeft. Bidt om kracht. Hij verhoort, al geeft Hij u soms iets anders, dan wij vragen. Hij geeft wat echt goed voor u is. Hij belooft zijn zegen. Zijn hand laat U niet los.

Later komen we in de bijbel nog een beek tegen. Een beek die vanuit de tempel van God vloeit en waarlangs bomen groeien. Een beek die stroomt langs de gouden straten van het nieuw Jeruzalem. Gods beek zal niet leeg zijn, maar zal steeds opnieuw water geeft en groei. Dan zal de mens niet wonen in de hof van Eden, niet wonen in de voorhof van Gods huizen: dan woont Hij in de stad van God, de eeuwige stad van de God van Sion.

Laten we biddend op weg gaan naar die stad!

Zullen we God bidden, of Hij ons dat vertrouwen wil geven?

Amen

Liturgie Biddag

Ps 98,1.3

Gebed

Lezen: Kol 1, 15-20

Ps 65,1

Tekst: Ps 65

Ps 65,6

Preek

Lied 350

HC zondag 50

Gebed

Gz 36,5.10

Collecte

Gz 100,6


Zondag 50, Heidelbergse Catechismus – Verwacht je brood van God! 1. Bidt 2. Werk 3. Vertrouw

februari 9, 2010

Preek gehouden in Beilen (biddag) en Hooghalen (februari ’09)
Tekst: Zondag 50; Pred 11,1-6; Mat 7,7-11

Geliefde gemeente van onze Here Jezus,
Wat zul je zelf merken van de kredietcrisis? We zitten er midden in. Of misschien moeten we zelfs zeggen, het is nog maar net begonnen. Voor het eerste hoorde ik deze week van twee ontslagen vertellen: iemand kon na 14 jaar trouwe dienst vertrekken, een ander zelfs na 28 jaar. Er was geen werk meer. Hoe zal het met jouw werk gaan?
Als de crisis echt heel diep wordt, bestaat er zomaar de kans dat de armoede in Nederland toeneemt. Velen van ons weten niet anders dan dat de winkels vol liggen en dat het allemaal niet op kan. Iemand zei: het kan nooit zo erg worden als in de jaren ’30. Het zal hier nooit zo arm worden als in Afrika. Maar toch: zullen we genoeg geld in de portemonnee houden voor ons dagelijks brood, voor de schoenen, de kleren, voor de woning.
Ook op deze zondag, 8 februari 2009, midden in de kredietcrisis, leert Christus ons bidden tot onze hemelse Vader. Terwijl morgen voor ons verborgen is, leert Hij ons om de handen te vouwen en te zeggen: Vader geef ons vandaag het brood dat we nodig hebben.

Verwacht je brood van God!
1. Bidt
2. Werk
3. Vertrouw

Het eerst waar we op willen letten is, dat Christus aanwijst dat het goed is om te bidden voor wat je nodig hebt. Sommige mensen vragen het zich af: zou Christus zich echt bezig houden met zulke gewone dingen als ons eten. Hij is er toch voor ons hart, voor ons geloof voor onze ziel. We hebben toch zijn redding en verlossing nodig, we hebben toch het avondmaalsbrood nodig: zijn lichaam als betaling voor onze zonden. Moeten we hem dan lastig vallen met zulke gewone dingen als brood.
Toch wil Christus dat we, ook als de financiële toekomst onzeker is, onze handen vouwen en naar onze hemelse vader toegaan. Niet alleen ons zondagse voedsel in de kerk ontvangen we uit zijn hand, ook ons werk en ons geld op maandag moet van Hem komen. Anders zou je kunnen zeggen dat we doordeweeks weeskinderen zijn die het zelf maar uit moeten zoeken. Kinderen zonder een Vader die voor hen zorgt.
Ook de dagelijkse dingen ontvang je uit Gods hand: eten en drinken; kleren en schoenen; je huis en bedrijf; je akker, je computer. Je echtgenoot, je vrienden, je kinderen. Het weer en je ontspanning. Ook daarvoor mag je bij God aankloppen. Hij heeft ons immers gemaakt. Ps 104 bezingt schitterend hoe God voor het leven van mens en dier zorgt. Hij is het die zijn hand opent, en dan verzamelen zich de dieren en krijgen eten. Zo leven ook wij mensen van Gods vaderzorg. Jouw lichaam en je ziel horen bij elkaar: als je buik leeg blijft, wordt het moeilijker om je in te zetten voor Gods koninkrijk hier op aarde.
Daarom zegt de Here Jezus: bidt, zoek en klop op de deur. Drie dingen die je moet doen, drie stappen die steeds indringender worden:
Eerst spoort Hij ons aan om te bidden. Als je bidt laat je zien dat je van God verwacht wat nodig is. Waar hebt u gisteren om gebeden? Bad je voor de dingen die je bezig hielden? Of heb je misschien de dingen die je bezig hielden helemaal niet bij God gebracht. Op het moment dat je bidt laat je zien dat je het ook van God verwacht. Je gaat geen dingen vragen, als je toch geen antwoord verwacht of toch niet denkt dat het helpt. Breng je zelf de dingen, waarvan je het fijn vind als je een gemeentelid, een diaken, een ouderling of de dominee samen met jou daarvoor bidt ook bij de Here en verwacht je dan ook van hem. Bidden: dat is de eerste grote stap om echt in verbondenheid met God te leven.
Maar Christus zegt ook: zoek. Dat gaat een stap verder. Als ik mijn mobieltje weer eens kwijt ben, dan kan ik vragen aan iemand: weet je waar mijn mobiel is. Maar ik kan ook zelf in mijn tas, in mijn jasje, op mijn nachtkastje of op mijn bureau gaan zoeken. Zo is het ook met de aansporing van Jezus: Jezus zegt: bidt, maar tegelijk ook zoek. Zoek de Here, Hij wil zich laten vinden. Laat zien dat je God niet loslaat. Span je in door God ook werkelijk op te zoeken: in je bijbeltje, in een dagboekje, in de kerkdiensten. Dan weet je steeds beter wat je kunt vragen, wie Hij voor je wil zijn. Dan zet je je in om steeds meer van Hem te ontvangen. Niet vanwege wat jij presteert, maar om wat God je wil geven.
Tenslotte klop op de deur: God is de God van het verbond. Hij heeft veel belooft aan zijn kinderen. Hij belooft voor ons te zorgen als voor zijn eigen kinderen. Als je klopt, dan stel je niet een vraag en ga je weer weg; dan zoek je niet aleen en geef je het op als je niet kan vinden: nee dat klop je net zolang tot er open gedaan wordt. Dan pleit je op Gods beloften. Dan vraag je van God alles wat je nodig hebt in dit leven: van je dagelijks brood, tot de vergeving van je zonden. Van je kleren, tot vrede op deze aarde. Dan bidt je om wijsheid om met anderen om te gaan, en vraag je of God je werk wil blijven geven. Wanneer we bidden om zaken die passen bij Gods koninkrijk, dan hoeven we niet snel op te geven, maar mogen we blijven vragen. (In het derde punt zal ik uitwerken wat voor verhoring je mag verwachten).

2. Werk
Dat Christus ons leert bidden, zoeken en kloppen, wil niet zeggen dat we dan zelf maar met de de armen over elkaar kunnen blijven. God leert ons: bidt en werk! De catechismus zegt: ons werk en onze inspanning baten ons niet zonder Gods zegen. We kunnen bidden om Gods zegen, maar daarmee moeten we zelf niet stoppen met werken en ons inspannen. Maar wat moet je dan doen? Wat is wijs in deze tijden van financiële crisis. Moet je maar op je plek blijven zitten en niet te veel bewegen, of moet je juist nadenken over omscholing, verandering van baan?
Je kunt als het gaat over de toekomst heel ondernemend zijn, of juist heel voorzichtig.
Prediker wijst dat zowel durf, als krampachtigheid succes kunnen hebben. Werp je brood uit over het water, want je vindt het later weer terug. Bewaar je brood in zeven delen, zelfs in acht, want je weet niet welke ramp de aarde treffen zal. Het lijkt wel alsof hij in deze twee verzen juist tegengestelde adviezen geeft.
Soms kan het verstandig zijn je brood op het water te gooien. Dat wil zeggen: je maakt een dwaze keuze, want wie gooit nu zijn brood op het water? Voor het oog ben je onverschillig bezig. Maar toch kan het effect soms onverwacht gunstig zijn en vind je het later weer terug. Bijvoorbeeld als je schepen erop uitegestuurd hebt met handelswaar: het lijkt gevaarlijk, maar soms keren ze met veel winst terug.
Aan de andere kant: Soms kan het ook verstandig zijn om risico’s te spreiden. Je stopt niet alle eieren in hetzelfde doosje en hangt niet alles aan één spijker. Voor het oog sta je dan krampachtig in het leven. Toch ben je dan alles niet in één keer kwijt, als het kwaad je treft.
Prediker laat zien dat je het succes niet zelf in de hand hebt. Wij kunnen zelf onverschillig zijn of juist voorzichtig, maar uiteindelijk beschikt God. Jezus leert ons bidden om ons dagelijks brood: want al onze zorg en inspanning baten ons niet zonder Gods zegen (H.C., zondag 50).
Als je dan verder leest bij Prediker dan zie dat jij sterk benadrukt: hoe belangrijk het is om alles van Gods zegen te verwachten, maar tegelijk ook je werk te blijven doen. Je kent de wegen van de wind niet, je kent het kind dat in de moederschoot groeit niet, zo ken je ook de daden niet van God, die alles maakt. Zaai van de morgen tot de avond. Prediker 11:5 en 6a
De wind is heel bepalend voor wat voor weer het is. In de moderne tijd proberen we met allerlei middelen het weer te voorspellen, maar vroeger lette je op de wind. Prediker laat zien dat als je teveel op de wind en de wolken let je nooit aan zaaien en maaien toekomt. Herken je dat, dat je juist als je denkt aan het weer moet zeggen: ‘God heeft dit in zijn hand’??
Niet alleen de machtige winden, ook het kleinste begin van de leven in de buik van de moeder is iets wat voor ons mensen niet te doorgronden is. Ook wat betreft dat kleine leven hebben we allerlei moderne hulpmiddelen om zo’n klein kindje al voor de geboorte te zien: bijv. door een echo. Maar uiteindelijk is dat kleine, kwetsbare leven in Gods hand. Hij regeert alles van groot tot klein.
Wat voor houding moet je innemen, als wij toch niet echt vat op het leven kunnen krijgen, als morgen voor ons verborgen is? Prediker zegt: Zaai van de morgen tot de avond. Ga niet zitten wachten: het is toch verborgen wat God uiteindelijk zal zegenen. Doe wat je kunt doen en of er zegen volgt: dat mag je in Gods hand leggen. In gebed bij hem brengen.
Verwerking: over welke dingen wil jij soms meer controle hebben dan mogelijk is? Hoe leg je die zaken in Gods hand?

3. Vertrouw
Morgen is voor ons verborgen. Je weet niet hoe het verder zal gaan met de economische situatie. God vraagt om ons werk te doen. Om daarin zelf te zoeken wat wijs is en verstandig, maar ondertussen te vertrouwen op zijn zegen. Dan mag je ook pleiten op zijn belofte: kloppen op de deur. Hij zegt wie bidt ontvangt, wie zoekt vindt, vie klopt hem zal worden opengedaan. Maar wat belooft Hij ons nu precies. Wat voor verschil maakt het of je wel of niet gelooft, of je wel of niet bidt? Wat mag je van het gebed verwachten.
Het belangrijkste wat God ons dan wil leren is vertrouwen. Vertrouwen dat we bij Hem in goede handen zijn, in alle omstandigheden van ons leven. Aardse vaders geven goede dingen aan hun kinderen, ook al zijn ze maar beperkt en soms ronduit slecht. Toch zullen er niet veel vader zijn, die als een kind hun een brood geeft, een steen geven. Niet voor niets wordt hier een steen genoemd: in de vorm kan een steen nog op een brood lijken: maar je kunt er maar beter niet je tanden in zetten. Het is echt puur bedrog en misleiding van zo’n vader. Net zo lijken een vis en een slang op elkaar: maar ook daarin kan je beter door een vader niet misleidt worden! Je mag je vader vertrouwen. Net zoals je als kind ook ’s avonds niet in de voorraadkast hoeft te gaan kijken of er wel brood in de kast ligt voor de volgende morgen. Je kunt je ouders vertrouwen!
Als aardse vaders dan al goede dingen weten te geven, mag je dat helemaal verwachten van je hemelse Vader! Hij belooft zelfs letterlijk dat hij het goede zal geven. Dat wil niet zeggen, dat hij altijd direct geeft waar we om vragen. Maar hij geeft nooit iets wat slecht voor ons is, een steen voor een brood. Hij geeft wel het goede. Hij geeft soms iets anders dan waar we om vroegen, soms geeft hij het pas veel later. Soms kun je zelfs hele grote vragen hebben bij de dingen die God je in dit moeitevol leven toedeelt. Toch zegt hij: Ik geef het goede; Je mag weten dat je leven in mijn hand is. Ik zal je geven wat nodig is om jou een plek te geven in mijn rijk.
Daarbij gaat het niet alleen over het geestelijke, maar ook over wat je elke dat nodig hebt. Toch is het goed om daarbij niet uit het oog te verliezen dat we ook dat geestelijke nodig hebben: Het gaat hier over naastenliefde. Dat we zo makkelijk ons bekleden met eigenbelang, en hebzucht. Als God ons het goede geeft, dan zoek je ook het goede voor anderen. In vers 12 staat de goede regel: doe bij anderen, wat je ook zou willen dat ze bij jou willen doen. Ook voor het leven volgens de stijl van het koninkrijk is gebed om het goede te doen elke dag weer hard nodig.
Hoe kan God het goede geven, als we horen over een financiële crisis? Iemand vroeg zich gisteren af: zou je kunnen zeggen dat dit een zegen van God is. Dat we wakker geschud moeten worden, in ons leven. Dat hij ons weer wil bepalen bij de dingen waar het echt om gaat? Laten we steeds leven in een open verhouding met God: open staan voor de weg die Hij ons doet gaan.
Hij geeft ons het goede. Hij heeft zijn eigen zoon gegeven, om ons te redden. Hij wil nu ook voor ons zorgen. Laten we bidden en werken, maar vooral steeds weer vertrouwen op zijn vaderzorg.
Wie maar de goede God laat zorgen,
En op hem hoopt in het bangst gevaar,
Is bij hem veilig en geborgen,
Die redt Hij veilig, wonderbaar,
Wie op de hoge God vertrouwt,
Heeft zeker op geen zand gebouwd. Amen.

Gez votum
groet
Gez amen
Ps 81, 1.2.7.8
Gebed
Lz Pred 11,1-6
Lz Mat 7,7-11
Lied 225 (Zingt voor de Heer een nieuw gezang)
T Zondag 50
Preek Ps 127,1.2
Belijdenis gedeelte
Gz 123,1: Ik geloof in God de Vader
GEBED
stil gebed
Lied 48,5.10 (Heer aller ogen zijn gericht)
Lied 429 (Wie maar de goede God laat zorgen)
Zegen Gezongen Amen

Thema en verdeling
Verwacht alles van God!
1. Bid
2. Werk
3. Vertrouw