Zondag 2 – In de ontmoeting met Christus ontdek je je zonde

december 11, 2017

Preek Heemse, 10 december 2017

Tekst: Zondag 2; Lukas 5:1-11

Geliefde gemeente van onze Heer Jezus Christus,

[#1] Wie dicht bij de Here Jezus komt, wordt ontdekt aan zijn volmaakte liefde.

Petrus ziet dat in het wonder, dat een enorme school vissen zomaar de netten binnenzwemt. Ze hadden de hele nacht niets gevangen.

En nu, als de netten dreigen te scheuren, ziet hij het: Jezus is Heer!

Toen Jezus op aarde was, kon je zijn liefde zien in de wonderlijke manier waarop Jezus mensen eten gaf, hoe Hij zieken genas, hoe Hij zonden vergaf.

In het avondmaal mocht je dicht bij Jezus komen.

Je zag vanuit de kerk met hoeveel liefde Christus zijn eigen lichaam en bloed gaf voor onze zonden. Of als je aan tafel ging: je proefde zelfs die liefde in de tekenen van brood en wijn.

Die volmaakte liefde van Christus is enorm groot! Wanneer Petrus ziet dat beide boten vol van vissen zijn, dan valt hij op zijn knieën voor Jezus en roept: ‘Ga weg van mij!’. Hij durft niet goed bij Jezus in de buurt te zijn. Hij wordt er bang van. Zoals mensen bang worden als er engel verschijnt en die engel moet zeggen: ‘Wees niet bang!’ Hij ontdekt dat Jezus God is. Hij zegt dan ook: ‘Ga weg van mij, Heer, want ik ben een zondig mens’. Juist in het licht van Jezus heerlijkheid, liefde en wonderen wordt Petrus ontdekt aan zijn zonde.

[#3] Wanneer wij vandaag gaan spreken over onze ellende, over onze zonde, dan willen we dat dan ook doen vanuit de ontmoeting met Jezus Christus onze verlosser. Zondag 1 heeft al gezegd: we zijn zijn eigendom. Hij wil ons leiden. Maar daarom is het goed om te zien hoe we zijn eigendom geworden zijn. Hoe we zijn als we zonder God zouden zijn, als we Jezus niet hadden leren kennen. Niet om daarmee ons van Christus te verwijderen, maar juist om daardoor (na de viering van het avondmaal!) des te meer naar Christus te getrokken te worden en het verlangen te hebben ook in de komende tijd met Hem verbonden te blijven.

 

Word ontdekt aan je zonde, juist om Christus te ontmoeten

1) Waaruit je je zonde kent; 2) Wat God van je vraagt; 3) Wat je dan ontdekt

[#3] 1) Waaruit je je zonde kent

De eerste vraag die zondag 2 ons stelt is de vraag: ‘waaruit’ ken je je ellende? De vraagstelling is helder. Als je wilt weten wat je zonden zijn en je verkeerde dingen. Waar haal je dan die kennis vandaan. Hoe kun je nu weten wat verkeerd is?

Aan de ene kant zou je kunnen zeggen: je ellende ken je uit je de levenservaring. Kijk eens wat ik allemaal heb meegemaakt in mijn leven. Die eenzaamheid, die keer dat ik enorm teleurgesteld ben in een ander of in mezelf. De dieptepunten van je leven, die het je zo moeilijk maken. Die zo verdrietig zijn. De ziekte, de rouw, de teleurstelling dat je je doel niet kon bereiken. Maar dat is niet de ellende waar de catechismus op doelt. Die ellende kent iedereen, gelovig of ongelovig.

Ken je dan de ellende uit de wereldgeschiedenis. Dat je steeds weer merkt dat het zo gruwelijk mis kan gaan. Dat een conflict uit de hand kan lopen en er weer oorlog komt. Dat je je hart vasthoudt bij de nieuwe doden in Jeruzalem. Of door te lezen over aardbevingen, scheepsrampen, orkanen. Komt daar de kennis van je ellende vandaan. Nee … ook dat is niet antwoord van de catechismus.

[#4] Maar ken je je ellende dan misschien vanuit je geweten. Als je geweten je influistert: dit is misschien niet helemaal goed, dan zit je verkeerd. Je geweten dat gevormd wordt tijdens je opvoeding en door wat andere mensen gewoon vinden? Maar ook dat kan het antwoord niet zijn. Ik las bijvoorbeeld over een vrouw in Duitsland die in de oorlog Joden had geholpen. De mensen waren in nood en vreesden voor hun leven. Maar toen ze het later aan de buren vertelde vonden die het heel raar. Toen vroeg ze zich af: heb ik wel het goede gedaan. Zo zie je maar dat je je geweten niet kan vertrouwen. Je geweten moet je ergens op afgesteld zijn: zoals je een klok af moet stellen op de juiste tijd.

[#5] We hebben een duidelijke bron nodig waaruit we onze ellende leren kennen. Die bron ligt buiten onszelf: God zelf heeft ons duidelijk gemaakt, waaruit we onze ellende kennen: De catechismus geeft dan ook een helder antwoord: die kennis van onze zonden komt uit de wet van God. De wet die God zelf met zijn eigen vingers op de stenen platen geschreven heeft, die wet die we elke week weer horen. Die de kinderen op school leren. Die wet houdt ons voor wat wel en niet goed is, die ontdekt ons er ook aan dat er momenten zijn waarop we die wet niet houden. En dan gaat het maar niet om de uiterlijke wet. Dat je luistert en dan denkt, bijvoorbeeld bij het zesde gebod: ik heb niemand doodgemaakt, dat doen alleen die mensen die in de zwaarbeveiligde gevangenis zitten. Maar dat je werkelijk je afvraagt: heb ik niemand uitgescholden, heb ik niemand gekwetst. Koester ik in mijn hart en gedachtengeen wrok en wraakgevoelens. Of om het zevende gebod te noemen: niet alleen dat je geen overspel pleegt, maar dat je het begeren uit je ogen. Dat je de ander niet ziet als lustobject, maar als mens door God schapen. En dan gaat het echt om je hart: waar ben je vol van? Het kan zomaar zijn dat je vol bent van het geld. Nee, je denkt voor jezelf: ik heb nooit gestolen, dus dat gebod dat raakt me niet. Maar je bent steeds bezig met je geld. Je bekijkt steeds je bankrekening. De kerk of goede doelen komen amper in de aandacht. Nee: in je hart ben je gierig en wil weer steeds meer voor jezelf hebben. In de diepte van je hart wordt dan duidelijk dat er meer liefde is voor het geld, dan voor God. Meer liefde voor het geld dan voor de naaste.

Deze wet had God bij Adam en Eva ingeschapen. Zodat ze die wet helemaal konden houden. Zodat de mens werkelijk de kroon op Gods schepping was. Zodat ze God in volmaaktheid kunnen dienen. Daar was het leven en paradijs. Daar was het leven goed. Daar konden ze de wet helemaal volbrengen! (vgl. vraag 5!) Wanneer wij de wet lezen, leer je hoe goed het leven zou kunnen zijn.

[#6] En dan is het geen algemene vraag: waaruit zie je wanneer mensen slecht doen. Nee, dan vraagt de catechismus het heel persoonlijk. Niet in het algemeen: ‘wat is ellende?’, maar waaruit kent u uw ellende, ken jij je ellende? Heb je zelf onder ogen gezien hoe volmaakt die wet van God is. Wat God van ons vraagt? Ben je dan ook zelf tot God genaderd: heb je werk gemaakt van de zelfbeproeving voor het HA? Heb je ’s avonds een vast moment om te overdenken wat niet goed was: dat je je leven legt naast die wet van God? Dan leer je steeds meer wat goed is, wat God welgevallig is, en dan ontdek je ook steeds meer hoeveel er in je leven ontbreekt. Hoezeer je God nodig hebt!

 

[#7] 2. Wat God van je vraagt

Maar wat vraagt God dan van ons? Daarvoor gaat de catechismus naar de Here Jezus toe. In de ontmoeting met Hem zie je de diepte van de wet. Het gaat dus niet om ons uiterlijke handelen: heb ik alles goed gedaan? Heb ik het goede gezocht? Maar Christus vraagt om ons hart: heb ik God lief boven alles, en de naaste als mezelf. In het Oude Testament wordt die samenvatting ook wel gegeven, maar in Jezus Christus komt alles samen. Hij verbindt de liefde voor God en de liefd en de liefde voor de naaste aan elkaar. Het was zijn eten en drinken om Gods wil te doen. Hij heeft Gods wet helemaal vervuld. Hij heeft ons het goede geleerd. Zoals Petrus in Christus Gods grootheid zag en zijn eigen zonde, zien wij dat ook in de samenvatting die Christus geeft.

[#8] Niet voor niets staat hier de samenvatting. Je zou kunnen zeggen: hier had toch ook heel de wet kunnen staan. Maar die komt later pas in de catechismus: in het hoofdstuk van de dankbaarheid. Als we leren hoe we mogen leven op een manier die past bij een nieuw leven. Hier staat een samenvatting: omdat dit echt terug gaat naar de kern. Het blijft niet staan bij de uiterlijke daden: het gaat om je hart. Zoals de rijke jongeling wel alle geboden gehouden had, maar uiteindelijk niet zijn bezit kon verkopen en de opbrengst aan de armen geven, omdat hij uiteindelijk geen liefde had voor God. God stoot door naar de kern van ons hart: hebben we werkelijk God en de naaste werkelijk lief?

Dat vraagt allereerst liefde voor God. Dat Hij in ons leven op de eerste plaats staat. Zijn dag, zijn naam, Hij alleen. Zoals dat geleerd wordt in de samenvatting van de wet: heb ik Hem lief, met heel met hart, met heel mijn ziel, met al mijn krachten. Wil ik helemaal voor Hem leven?

Heb je ook de naaste lief? Als mezelf: niet boven God. Niet boven mezelf. Maar als mezelf. Het gebod van de liefde voor de naaste is een beperkt gebod. Het kan namelijk nooit zijn dat je wel naar je naaste luistert, en niet naar God. We moeten God meer gehoorzaam zijn dan mensen. Als je vader zegt: ik bepaal mijn eigen snelheid op de weg wel of dat ik ga appen achter het stuur, terwijl jij hem dan tegenspreekt omdat je weet hoe je daarmee levens in gevaar brengt. Als je vriend zegt: laten we stiekem even wat meenemen uit de winkel. Iets kleins: ze merken het toch niet. Als een familielid zegt: zondag vier ik mijn verjaardag tijdens kerktijd, terwijl Christus je roept naar de kerk. Dan val je je vader, vriend of familielid misschien af. Heb je hen dan niet lief? Jawel, maar je bent God meer gehoorzaam dan mensen.

Dit gebod is begrenst: en tegelijk is het misschien nog wel moeilijker. Je kunt misschien God liefhebben dat je veel tijd voor Hem maakt. Je kunt misschien veel over hem weten en zeggen hoe het moet. Maar … Je kunt niet God liefhebben en ondertussen je naaste haten. Wie niet liefheeft, kent God niet. Leert de apostel Johannes. En dan niet alleen met de mond, maar waarachtig, met de daden. Ik vraag me wel eens af hoe het mogelijk is dat iemand vanuit liefde voor God, liefdeloos kritiek levert op zijn naaste in de kerk. Laten we onze liefde voor God daarom laten zien, vooral door wat we voor de naaste doen.

[#9] 3. Wat je dan ontdekt.

We hebben ontdekt hoe de ellende kan kennen. We hebben gezien hoeveel God vraagt. Maar dan: wat ontdek je dan? In de ontmoeting met de wet? De wet die in het paradijs volmaakt werd nageleefd en door Jezus vervuld? Dan zie je dat er bij ons van nature een andere neiging is. Het gaat er dus niet om om je in de put te praten of te zeggen: wat zijn we allemaal slecht. Maar als je je leven vergelijkt met Gods wet, dan is er bij ons de neiging, steeds weer, om ervan af te wijken. Het is te vergelijken met een kar die op een schuine helling staat en steeds de neiging heeft om naar beneden te rollen. Zo zijn wij steeds geneigd om de verkeerde kant op te rollen. Zijn we niet gericht op de ander, maar zoals Augustinus zegt: dan ben je in jezelf gekeerd, aan jezelf geketend. Dat is de gevangenis van de mens zonder liefde. Wat uit de mens die zonder God leeft voortkomt, is het tegenovergestelde van de liefde: dat is ik gerichtheid, dat is haat. Dat zijn de werken van het vlees en niet van de Geest.

Bij iemand die dat heel openlijk doet zie je dat duidelijk. Maar als je nou het toch probeert netjes te doen allemaal. Als je niet uit de band springt, als je je tuintje netjes aangeharkt hebt, als je leeft volgens de regels. Kun je dan zeggen: ik ben geneigd om het verkeerde te doen. Om niet lief te hebben, maar een ander af te stoten.

Als je vindt dat je alles wel goed genoeg doet, dan heb je Jezus niet nodig. Dan ben je als gezonde die geen dokter nodig heeft. Dan kun je jezelf wel redden. Maar de vraag is, of je je dan vergelijkt met anderen, met wat je geweten zegt, met wat men goed vindt of dat je je vergelijkt met Jezus en zijn wet. Als je je daarmee vergelijkt, kan het niet anders of je gaat uitroepen: ‘Heer, ik ben een zondig mens’, zoals Petrus riep toen Jezus dichtbij hem was.

[#10] Als je zo ontdekt hebt wie Jezus is, mag je op je knieën: want Petrus knielde neer. Voor de voeten van Jezus. Hij zegt: Jezus, ga weg van mij! Bedoelt hij: ‘Jezus ga uit mijn boot?’ Het zal wel niet in de boot geweest zijn dat Petrus knielde, want daar zal geen ruimte geweest zijn tussen de vissen. Nee: Petrus bedoelt: “Jezus, die band tussen U en mij kan niet bestaan. Hoe kunt U mij uitkiezen als een leerling. Gaat U maar weg, ik blijf visser. Wat een wonder heeft U laten zien, een bovennatuurlijke kracht. U bent God! Dan ben ik maar een zondige man. Ik geloofde niet dat u zoveel vissen in het net kon laten zwemmen. Ik ben het niet waard om met U verbonden te zijn. Om een volgeling van U te zijn en één te worden met uw lichaam en bloed.”

Het is opvallend dat Petrus deze woorden zegt. Voor het eerst wordt hij hier Petrus genoemd: op de belijdenis van deze rots, dat Jezus de Zoon van de levende God is, zal de kerk gebouwd zal worden. Juist deze rots noemt zichzelf niet waard om met Jezus verbonden te zijn. Als hij de macht van Jezus ziet. Het is niet vanuit onszelf dat we avondmaal vieren: hoe meer je Jezus liefde en macht ziet, hoe meer bij mij, bij u en bij jou hopelijk de vraag opkomt: Wie ben ik dat ik dat mag ontvangen, dat ik daarin mag delen. Ben ik dat wel waard, met mijn leven?

Maar dan zegt de Here Jezus. Wees niet bang. Wees niet bezorgd of angstig. Nee, Ik ga niet van je weg. Maar Ik laat mijn genade juist schitteren! Ik schakel, jou, Petrus juist in. Jij wordt heel bijzonder met Mij verbonden. Je wordt een visser van mensen, net als Johannes en Jakobus.

Zo leert Petrus de juiste grondhouding: niet vanuit zichzelf kan hij helpen om mensen aan Jezus te verbinden, om vissen te vangen. Om mensen het eeuwige leven geven, maar vanuit de kracht van God. Zoals hij niet op eigen kracht het net vol vissen kreeg, maar door een wonder van God. Niet uit eigen kracht kan Petrus, kan Paulus de netten uitgooien en mensen vertellen over de redding voor zondaren.

Niet uit uzelf kunt u leven in Gods redding en het licht laten schijnen: het is vanuit Gods genade en zijn liefde in Christus die zichtbaar wordt juist rondom de avondmaalstafel. Zijn liefde en genade deelt Hij uit aan tafel. Jezus zegt: volg Mij. Hij wil zich nu ook aan anderen verbinden. Wie, door Gods genade, voor Jezus kiest en Hem volgt, wordt met Hem verbonden. De discipelen lieten de enorme vangst van vissen achter op het strand. Daar zorgden anderen wel voor en ze luisteren, ze kwamen tot Jezus. Ga zo bij het avondmaal vandaag: vergeet de zonde, vergeet wat achter u ligt, het is vergeven en zie wat voor u ligt: de redding waarin Hij u wil doen delen tot een nieuw leven. Amen

Advertenties

Handelingen 4:32-5:11 – Gods liefde leert delen, maar dan wel eerlijk!

juli 10, 2017

Preek gehouden in Den Ham en Heemse, 9 juli 2017

Tekst: Handeling 4:32-5:11 [Thematiek: Zondag 42, H.C.: Steel niet]

 

Geliefde gemeente van onze Heer Jezus Christus,

[dia 1] Er zijn soms mensen in de gemeente waar je naar opkijkt. Zoals iedereen voorbeelden heeft, zeker als jongere. Die heeft altijd van die leuke kleren aan. Hij kan zo enorm goed tennissen. Hij heeft zo’n goede baan. Zij haalt zo’n hoog niveau op school. Hij heeft echt twee rechterhanden. Maar ja … jij bent jij, en dat jij bepaalde dingen goed kunt dat weet je wel. Dat vind je niet bijzonder. En als je niet oppast ben je zomaar bezig met wat je nog meer wilt hebben, in plaats van dat je tevreden bent met wat je hebt en kan.

[dia 2] Ananias en Saffira zijn tot geloof gekomen. Ze zijn lid geworden van de gemeente van Jeruzalem. Deze broeder en zuster zullen zich hebben laten dopen. Waarom? Er staat hier heel duidelijk dat Petrus preekt over de opstanding van Christus. Dat is het allesbepalende voor deze Joodse gemeente: zij geloven dat Jezus uit de dood is opgestaan. Dat maakt hen in de gemeente één, dat bindt hen samen. Dat betekent dat je gelooft dat Jezus je redder en verlosser is. Dat betekent dat je als Jood gelooft dat Hij de zoon van God is. Het betekent vooral dat je nu niet meer van de wet leeft, maar van de genade: Christus is gestorvenen opgestaan, nu mag ik leven uit zijn liefde en kracht.

[dia 3] Als je ziet hoe dat eerste gemeenteleven wordt beschreven, dan kun je er zomaar een beetje jaloers op worden. Ik weet wel: ook onze gemeente geeft veel aan goede doelen. We collecteren bij een ramp. Velen zetten zich in. Er zijn veel contacten. De diakonie ondersteunt soms waar het echt nodig is. Maar dat je nu kan zeggen, zoals hier staat: we hebben alles gemeenschappelijk? [Na de vakantie willen we als kerkenraad in het gemeenteplan ons meer toeleggen op de wijken.] Kun je zeggen dat we daarin eendrachtig samenleven? Dat we onze bezittingen niet als persoonlijk eigendom beschouwen? Je huis, je auto, je apparatuur, je telefoon? Soms kun je jaloers worden op wat er verteld wordt over die eerste gemeente!

In de eerste gemeente was er kennelijk ook iemand naar wie je op kon kijken. Er was iemand van Cyprus, een leviet, Josef, die echt een voorbeeld is in de gemeente. Hij had een stuk land en die verkocht hij. Nu heeft hij allemaal geld in zijn handen. Soms krijg je geld voor je verjaardag jongens en meisjes op een feestje en heb je misschien wel 25 euro! Je kunt je rijk voelen als je eerst verdiende geld op je rekening wordt gestort van je vakantiebaantje. Of als je een mooie financiële meevaller hebt gehad. Fijn zoveel geld: wat kan ik ervan kopen?! Maar wat doet deze Josef: Het geld brengt hij naar de apostelen. Hij denkt: anderen hebben het harder nodig dan ik. De apostelen weten wel wie het nodig hebben. Wat een voorbeeld! Zelfs zo dat hij er een speciale naam voor krijgt: Barnabas. Zoon van de vertroosting: hij is het die anderen helpt. Hij heeft later ook veel met Paulus samengewerkt in de verspreiding van het goede nieuws. Hij ging mee op de zendingsreizen.

 

[dia 4] Gelijk daarna vertelt Lucas wat er dan gebeurt in de gemeente. Ananias en Saffira willen kennelijk dit voorbeeld volgen. Ze kijken op naar Barnabas: wat een voorbeeldig christen. Zo willen wij ook doen. En ze verkopen hun bezit, en ook zij hebben een zak geld, en ook zij gaan dat geld naar de apostelen brengen. Tot zover niets mis, zomaar weer een voorbeeld dat toegevoegd zou kunnen worden aan het wervende van de eerste gemeente. Weer twee mensen die geraakt zijn door de liefde van Christus.

 

Maar dan gebeurt er wat. Dan wordt opeens de kracht en macht van geld duidelijk. Dat geld en bezit maar niet zomaar iets is, maar dat het een afgod kan worden. Dat het een gevaarlijke macht is. De oorsprong van alle kwaad, kan Paulus zelfs zeggen. Als ze zo’n som geld in handen hebben zien ze niet alleen wat ze voor een ander kunnen doen, maar beginnen ze zelf ook na te denken wat ze ervan zouden kunnen doen. Als ze nu wat voor zichzelf houden, dan hebben ze mooi een appeltje voor de dorst (zei iemand in een reactie op facebook). Dan hoeven ze, als het straks minder gaat, niet van steun van anderen te leven: dan kunnen ze zichzelf nog verder redden. En misschien denken ze ook wel aan luxe producten die ze ervoor zouden kunnen komen. Een duurdere wijn, een mooi paard, geen goede kar, een reparatie aan de woning.

[dia 5] Een commentaar zei: ze vertrouwen te weinig op de Here God. Op zijn voorzienigheid. Dat we ons geen zorgen hoeven te maken over de dag van morgen. En aan de ene kant hebben ze gelijk. Wij hebben boven op een deur een tekst hangen die zegt: de dag van gisteren is van God. Hij wil het verleden vergeven. De dag van morgen is voor God: Hij zal voor je zorgen. De dag van vandaag is als een brug tussen gisteren en morgen. Als je de last van gisteren en van morgen wil dragen, is dat veel te zwaar. Vertrouw maar op God, Hij zorgt voor je. De dag van vandaag heeft genoeg aan zichzelf: als we zo met ons geld om zouden gaan, zouden er denk ik veel meer mooie dingen gebeuren. Dan hoeven we zekerheid niet in sparen, bezit, pensioenen te zoeken, maar in God. Kijk maar naar zo’n musje: God zorgt zelfs voor de vogels.

En toch klopt het niet dat we hierom boos moeten worden op Ananias en Saffira. Ze doen niets verkeerd hierin. Dat zegt Petrus ook duidelijk: ze hoeven niet alles te verkopen. Ze hadden niet alles hoeven geven. De eerste gemeente was geen communistische gemeente waar er geen eigen bezit was. Zeg maar dat je zo bij de buren mag binnenlopen en de playstation mag meenemen. Nee, het was een gemeente waarin met in liefde voor elkaar zorgde. Wie de ander kan helpen, die deed dat. In die zin moeten we ook niet denken dat we nu geen bezit meer mogen hebben, of dat je al je geld aan de armen moeten geven. De liefde van Christus doet je delen, en ik bid dat je veel van die liefde mag ontdekken: je bent gekocht en betaald, je bent zijn eigen kind, God zal als een Vader voor je zorgen. Ik bid dat je dan ook steeds meer voor anderen gaat zorgen en dat ook over deze gemeente gezegd wordt: niemand komt tekort en wie wel tekort komt die durft ook om steun te vragen. Laten we die eerste gemeente niet ophemelen, en als een voorbeeld nemen: en dan vervolgens ontdekken dat we dat zelf niet halen als kerk, tenminste: ik ben zo’n volmaakte kerk hier nog niet tegengekomen.

 

[dia 6] Wat is dan de kern van de zonde van Ananias en Saffira? Dat is dat ze niet eerlijk zijn. Het begint met, de wortel is: de macht die geld heeft. Die afgod die inspeelt op hun gevoelens. Maar het punt is vooral dat ze een goede indruk willen maken. Ze zijn hypocriet: ze bedriegen de boel. Ze komen overeen om gewoon te zeggen dat dit alles is, en ondertussen houden ze een gedeelte voor zichzelf. Dus als Petrus vraagt: wat heeft je bewogen, dan denk ik dat ze vooral dat voorbeeld van Barnabas wilden volgen. Of beter dat de satan dat in hun hart heeft gewerkt. Zij namen een ander als voorbeeld en wilden net zo doen.

Wat doet het pijn om te lezen wat er gebeurt. Ananias komt bij Petrus. Petrus ziet door de Heilige Geest dat hij bedrogen wordt. Petrus wijst Ananias op zijn zonde. En dan … dan valt Ananias dood neer. Iedereen schrikt ervan! Jonge mannen dragen zijn lichaam weg. Saffira komt binnen. Petrus laat haar zien dat hij weet van de zonde. De voetspanen van de mannen die drie uur geleden weggegaan zijn met het lijk van Ananias hoor je aankomen. Ze kunnen gelijk weer aan de slag. Ook Saffira valt dood op de grond. Ongelofelijk. Wat erg? Hoe kan het? Je zult er nu van schrikken, maar iedereen die het hoort wordt met grote schrik bevangen. Wat een verschrikkelijke gebeurtenis in de nieuwe gemeente.

[dia 7] Waarom zo’n verhaal van geweld in de bijbel. Waarom straft God zo direct? Als je een beeld hebt van God die alleen liefde is, dan kun je hier niet mee uit de voeten. Maar ook als je thuis bent in de bijbel en weet dat God enorm boos kan zijn. Dat hij in het oude testament soms mensen laat omkomen door water, door het vuur, in de grond laat wegzinken, en als je weet dat ook Jezus zulke erge straffen voorspeld heeft: blijft dit toch ook een moeilijke gebeurtenis. Toch is dit de keerzijde van Gods liefde: dit gebeurt met degene die satan toelaat in zijn hart. Met wie God bedriegt. Al moet je wel beseffen: dit is in de tijd van de apostelen. Zij die bijzondere gaven hadden: de Heilige Geest was zo in Petrus dat Petrus dat bedrog kon doorzien. We leven nu in een andere tijd. Maar ook in ons hart kan zomaar kwaad komen: laten we dan bidden om vergeving voor de zonde. Laten we bidden of God een nieuw hart wil geven. Laten we schuilen achter het kruis van Jezus Christus: Hij die dood werd gemaakt voor onze zonden en ons een nieuw leven wil geven. Hij die voor ons Gods straf droeg.

 

[dia 8] Laten we twee dingen leren: persoonlijk en als gemeente. Laat ieder persoonlijk hiervan leren om eerlijk te zijn. Ook als het gaat om geld en je bezit. Niet een goede indruk willen maken en ondertussen de boel bedriegen. Niet naar voorbeelden kijken van wat anderen doen en dan dingen gaan doen die je zelf eigenlijk niet op kan brengen. De een heeft andere gaven dan een ander. Jij kunt misschien makkelijker helpen door tijd te geven, door een luisterend oor te bieden, door een taak in de gemeente te doen, dan door geld af te staan. Een ander krijgt wel die gave en mogelijkheden. Richt je niet op wat je niet kunt, wat de Geest je niet geeft, bedrieg de Geest niet: maar luister naar wat Hij van je vraagt, bid of Hij je wil zegenen op de weg die jij moet gaan en dat je zelf dan ook een bron van zegen mag zijn om je heen. Wees daarin bescheiden en vooral eerlijk.

 

Maar laten we ook als gemeente hiervan leren. In hoe je naar de kerk kijkt. Deze gebeurtenis staat hier niet voor niets. Net als toen het volk het beloofde land introk, Jericho was gevallen, alles leek mooi en goed te worden en toen opeens Achan spullen uit Jericho ging stelen. De vrede leek aangebroken en het ging gelijk mis. Ook daar verpeste zijn hebzucht het gelijk alweer. Ook hij werd gedood. Nu is er weer een nieuwe gemeente. Er wordt hier voor het eerst het woord kerk gebruikt: maar terwijl er door Jezus dood en opstanding, door zijn Geest een gemeente mag zijn rondom Gods woord en een gemeenschap van de heiligen waarin iedereen zijn gaven inzet voor elkaar, is dit ook nog niet het paradijs. We zijn nog geen volmaakte kerk. Er is niet zoveel eensgezindheid als we zouden willen. Niet zoveel liefde, meeleven. De vrede, de sjaloom is nog niet volmaakt. En die volmaakte kerk zullen we nu nog niet vinden. En toch: we mogen hier al oefenen. Leren vertrouwen op Gods zorg, leren delen van wat we ontvangen, onze gaven inzetten in de gemeente: leven vanuit de opstandingskracht van Christus: tot de dag komt dat zijn sjaloom, vrede wereldwijd wordt. Amen!

Liturgie Den Ham / Heemse 9 juli 2017

Welkom en mededelingen

Gezongen votum, zegengroet en gezongen amen (staande)

Zingen Psalm 97:1,2 en 5 (staande)

[Wet / Gezang 156 (Heer, ik kom tot U)]

Gebed / Gz 181d: Onze Vader

Lezen en tekst Handelingen 4:32-5:11

Zingen Psalm 112:1 en 3

[Tekst zondag 42]

Preek

Zingen Psalm 146:1,2,5,8

[Belijdenis]

Gebed

Zingen Liedboek 995 (O, Vader trek het lot U aan)

Collecte

Zingen Gezang 111 (Jezus leeft in eeuwigheid, staande, aangekondigd na collecte)

Zegen en gezongen amen (staande)


Zondag 25 – Hoe kun je geloven?

januari 15, 2017

Preek Heemse, 15 jan 2016

Tekst: Zondag 25, Hebr. 6:11-20

 

Geliefden van onze Here Jezus Christus,

[#1] Ik zou wel willen geloven, maar ik kan het niet, zegt de één.

Ik geloof niets van wat er in de bijbel staat, allemaal verzonnen, zegt de ander.

Mijn geloof gaat zo op en neer, soms doet het geloof me zo weinig en zit ik in een crisis, zegt de derde.

Hoe kun je gaan geloven? Waar komt het geloof vandaan? Dat is een vraag die je bezig kan houden tijdens de opvoeding, in gesprek met een niet gelovige collega of klasgenoot, tijdens het huisbezoek en tijdens catechisatie. Want de vraag: “hoe weet je nu dat allemaal waar is, wat God zegt?” en “hoe kan ik mijn geloof blijven houden?” komt steeds weer naar voren. Geloven gaat nooit automatisch.

 

[#2] Als we dan het antwoord beginnen te lezen, dan staat er: ‘Het geloof komt van de Heilige Geest’. Het geloof komt niet bij onszelf vandaan. Wij kunnen niet onszelf het geloof geven, we kunnen niet de volgende generatie het geloof geven. Misschien hebben we dat wel eens teveel gedacht: je kinderen gaan wel mee naar de kerk, geloven wel, en pas als ze dat niet doen is er wat bijzonders aan de hand. Nee! Zo is het niet! Het is geloof begint niet bij onszelf. Het zit niet in een mens om te gaan geloven. Het is juist een wonder als iemand wel gaat geloven! Een geweldig geschenk!

En tegelijk hoef je dan ook maar niet gaan zitten wachten tot Hij het aan jou geeft: De Geest werk ‘middellijk’: God zet het cadeau niet alleen voor ons, maar hij geeft ook handen om het cadeau uit te pakken. God biedt ons niet alleen het brood van het leven aan, maar leidt ook je hand om het tot je nemen.  [#3] God geeft dus zijn middelen om dat geloof te kunnen krijgen. Over die genademiddelen gaat het in zondag 25-31. Middelen die de Geest gebruikt om ons op Christus te wijzen. Hij geeft zijn Woord, in de bijbel kun je over hem lezen, in de preek kun je over Hem horen. En Hij geeft ook de heilige Doop en het heilig Avondmaal. En die middelen moeten we dan wel gebruiken. Net zoals je niet zegt: God is mijn bewarker, dus ik doe de deur niet meer op slot. Of: God is mijn dokter, ik ga niet meer naar de huisarts. God is de bouwer, dus ik ga zelf mijn huis niet meer bouwen, zo kun je ook niet zeggen: God geeft het geloof, dus de preek en de sacramenten gebruik ik ook niet meer.

[#4]  Door de preek wil God het geloof geven. Door de preek? Zo’n verhaal van een man op een verhoging of podium. Waar je soms moeilijk je aandacht bij houdt. Wat vaker te lang is dan te kort, eerder saai dan enthousiast. Waarvan je misschien zegt: dat is allemaal mooi, ik zeg ja en amen, maar weet de dominee wel wat mij bezig houdt. En is het niet uit de tijd: zou je niet op andere manieren elkaar moeten vermaken tijdens de kerkdienst? Kun je niet geloven zonder kerk, zonder preek. Een godsdienstleraar schreef gisteren in het ND: het zou toch veel mooier zijn als iedereen zijn eigen verhaal inbrengt en er een gesprek ontstaat.

 

Toch wijst God de preek aan als het middel waarmee hij het geloof werkt. Het geloof is uit het horen. Natuurlijk kun je ook tijdens een wandeling, in de natuur, tijdens een gesprek of op een verjaardag tot geloof komen, maar de weg die God wijst is de preek, de verkondiging van het woord. Toen de Eunuch uit Ethiopië kwam, hoe kwam hij toen tot geloof? Wanneer kon hij zich laten dopen? Toen Filippus aan de hand van Jesaja 53 verteld had over Jezus Christus, die gestorven was en opgestaan ook om hem te redden! Via de preek wil de Geest werken.

 

Dat vraagt veel van je. Met wat voor houding kom je in de kerk? Bid je mee als we bidden om de opening van ons hart? Ben je gericht om te ontdekken wat de boodschap voor jou is die dienst? Kom je uitgerust naar de kerk?

Maar dat vraagt ook veel van de predikant! Dat ik als dominee niet alleen de bijbel ken, maar ook de tijd waarin we leven en ook het hart van de luisteraars begrijp. Dat ik Gods woord in deze tijd mag spreken, dat daarin ook het hart weer voeding vindt. Zodat je bemoedigt, verrijkt, vermaand of opgelucht de kerk uitkomt.

 

Het belangrijkste is, dat je door een preek weer ontdekt wie de levende Heer is, wie Jezus Christus is. Dat je merkt dat Christus hier in ons midden is en dat je door zijn woorden mag gebeuren dat je Hem ontmoet. Dat je vermaand wordt over de wegen die lijden naar de dood, vermaand over een leven zonder God. Uitgenodigd om met je onrust bij Hem te komen. Getroost met de redding van Jezus Christus: dat Hij gestorven is, ook voor jou!

 

Dat vraagt geen opsomming van geleerdheden, maar dat vraagt dat voor God geplaatst wordt. Zodat niemand de kerk uit kan gaan, of je nu voor of achterin zat, links of rechts: maar dat iedereen de redding door Christus op het hart gedrukt krijgt!

 

Daarom doe je jezelf tekort als je niet naar de kerk gaat. Want door de preek wordt het geloof gewerkt. Waarom? Omdat in de preek het evangelie klinkt: art. 33 zegt: Gods goedgunstigheid en genade. In dat evangelie klopt het hart van de kerk. God ziet jou en kent jou, en wil je ook in jou situatie bemoedigen en biedt zijn genade aan!

 

[#5] Hoe kunnen mensen tot geloof komen? De preek kan daarin een middel zijn. Maar het is ook de roeping van elke christen om het geloof zelf ook verder te vertellen. In je woorden en werken te laten zien! Het kan niet zo zijn dat je het geloof voor jezelf laat! Maar als jouw hart door de Geest vol is gemaakt van Jezus, dan zal je mond er van over stromen!

 

Werkt dat dan? Krijg je zegen op preekwerk, catechisatiewerk, de opvoeding en het evangelisatie werk? Dat is wel eens moeilijk. Soms wel: wat verblijdend! Soms niet. Maar dat is Gods vrijheid. Gods wegen zijn hoger dan onze wegen. Maar Hij vraagt niet naar het resultaat: of we verteld hebben en geleefd hebben vanuit zijn genade. Hij vraagt of we gezaaid hebben, meer hoeft niet.

 

Natuurlijk blijven er dan moeiten: Kan ik dit echt geloven? Is dit ook voor mij? In de bijbel staan soms dingen waar je niet mee uit de voeten kan, als het gaat over geweld, over dingen die botsen, over Jezus de wonderdoener. Jezus die maar gewoon een mens was. Over teksten over vrouwen, homo’s of geweld: gelden die nog? Sommige vragen zijn lastig, sommige vragen gaan boven ons verstand uit, op sommige vragen krijg je nooit een antwoord. Het vraagt bestudering, gesprek, gebed om de Geest. Tegelijk mogen we ook geloven: ons verstand is soms wel te klein, sommige dingen zijn niet te begrijpen, maar het geloof gaat niet tegen het verstand in. Het belangrijkste is dat de kern steeds weer centraal staan: dat Jezus Christus aan het kruis gestorven is. Dat daardoor vergeving en redding mogelijk is! We bidden dat de Geest daar steeds de ogen voor mag openen!

 

  1. God wijst niet alleen op zijn woorden, hij geeft er tekenen bij. Het teken van de doop: water dat schoonwast, het teken van het avondmaal: gebroken brood en geschonken wijn die in je komen. Doen we de sacramenten dan niet tekort als we alleen zeggen dat het een teken is, van wat God in zijn woord zegt en van wat hij binnen in ons hart doet?

 

Is een sacrament niet veel meer een mysterie, een geheim waarin Jezus zelf tot je komt? Krijg we wie via het sacrament niet Jezus zelf en zijn genade zelf in ons hart? Gebeurt er geen wonder op het moment dat je gedoopt wordt? Komt Christus niet in je hart op het moment dat je eet? Zo leert de Rooms Katholiek Kerk dat: en blijven mensen daar niet veel meer met de kerk verbonden (ook al zegt het hen misschien niet zoveel meer), omdat het niet afhankelijk wordt van je eigen geloof, maar omdat de kerk wel voor je gelooft en je door een mysterie doet delen in Gods genade, als je maar gebruik maakt van eucharistie en doop?

 

Toch is dat niet de manier waarop doop en avondmaal werken. Art. 33 zegt: God houdt rekening met onze zwakheid en ons onverstand. Het is soms moeilijk om op God gericht te blijven. Daarvoor las ik net het gedeelte uit de brief aan de Hebreeën. Zij dreigden te verslappen en God te vergeten. Als mens kun je soms zomaar druk zijn met duizend en één dingen en vergeten om met God te leven. Kan je geloof in een dip raken. Kan twijfel of moeite de overhand krijgen. Kun je teleurgesteld raken in mede-gelovigen

Daar komt bij, dat geloven soms veel energie kan kosten: je kinderen voorgaan in het goede, als ambtsdrager je bezoeken brengen, het bidden, het dragen van je kruis, de moeite die op je weg komen. Dat je soms je afvraagt: waar haal ik de kracht en moed vandaan. Hoe kan ik blijven geloven?

In die moeite wijst de Hebreeënschrijver de jonge christelijke gemeente op Abraham. Hij zei: God had Abraham ook beloofd dat hij rijk gezegend zou worden en een groot nageslacht zou krijgen. Maar wat moest Abraham lang wachten! Alleen dankzij een standvastig geloof kon hij volhouden en heeft na lang wachten ontvangen wat hem beloofd was.

God had gesproken. Gezegd dat hij Abraham zou zegenen. Maar God deed nog meer. Hij zwoer een eed aan Abraham. Maar hoe kan God zweren? Wie kan hij erbij halen die sterker of groter is dan Hij om te laten zien dat Hij de waarheid spreekt. Dus Hij verzekert Abraham bij zichzelf en bij zijn eigen trouw dat Abraham hem op zijn woord kan geloven. Wanneer iemand zweert dan is dat het einde van alle tegenspraak, dan kan de ruzie opgelost worden en het conflict beëindigt want dan komt de waarheid aan het licht. Zo brengt God hier ook de waarheid aan het licht en Hij onderstreept zijn woorden.

Waarom? Omdat het anders niet betrouwbaar zou zijn? Nee, God is altijd betrouwbaar. Maar Hij deed dat om de zwakheid van Abrahams hart. Abraham moest lang wachten, Abraham werd aangevochten, koos soms eigen wegen en om hem dan te bemoedigen en om zijn woorden te onderstrepen zwoer God zijn eed, zoals Hij later aan David zijn eed zwoer. Je kunt er echt van op aan, mijn woord is waar.

Zo mag je de doop en het avondmaal ook ontvangen als een bekrachtiging van Gods woorden. Je hoeft het nu niet alleen te horen, maar je kunt het ook zien. Je mag het water over de dopeling heen zien stromen. Je kunt het niet alleen horen en zien, maar je mag het ook ruiken en proeven in de wijn en het brood. Wat zie, hoor en proef je dan? Het kruis van Christus. Waardoor je vergeving van zonde en eeuwig leven krijgt. De vergeving zie je heel duidelijk in het schoonwassende water, het eeuwige leven in het brood en de wijn de eerste levensbehoeften om te kunnen blijven leven.

Daarom doen wij het avondmaal ook niet tekort: ook bij Abraham was de besnijdenis een onderstreping van de belofte van het verbond. Later was het Pascha was een herinnering aan de uittocht uit Egypte. Jezus zelf bevolen: om het avondmaal te vieren en de doop te bedienen. Die twee tekenen geeft Hij om ons geloof te versterken.

Daarom, als er gedoopt wordt, kijk naar het water, ziet u het water stromen? Zo zeker is het dat Jezus de zonden afwast! En bij het avondmaal: ziet u het brood gebroken worden, ziet je de wijn vergoten worden? Denk aan Jezus die stierf voor het kruis. Het is echt waar! Als je eet en drinkt, ruikt en proeft, weet dan zo zeker als je drinkt: zo zeker is die redding ook voor jou.

[#7] Zou het werken? Wordt je geloof er sterker van? Ik geloof het vast en zeker. Geloven op je eentje lukt niet. Je hoort het woord niet, je mist de sacramenten en je geloof gaat uit als een nachtkaarsje. Wat is het mooi als je door de doop en avondmaal op Gods werk gewezen wordt. Dat betekent ook dat je door de doop kind bent van de gemeente en elkaar helpt, bemoedigt, ondersteunt, voor elkaar bidt. Dat je je kind vertelt over de Here en dat het bijzondere mag gebeuren: dat iemand ook zelf gaat geloven. Dat je door het avondmaal ook zo aan elkaar verbonden wordt: dat we elkaar maar niet aan ons lot over laten en het zelf uit laten zoeken bij vragen en twijfels, maar met elkaar meeleven en elkaar vragen hoe het is, het geloofsgesprek voeren en werkelijk één lichaam vormen. Dat de Geest ook daarvoor de kracht mag geven.

Als je zo steeds weer bepaald wordt bij de genade van God, ziet dat het draait om het kruis, dan laat je de Geest werken. Dan mag je nieuwe moed putten. Dan zie je dat de Heer niet alleen de goede Herder is, maar dat Hij ook daadwerkelijk naar het levende water wil brengen, dat hij je nodigt aan tafel. Dat Hij je wil leiden, en bij je is, ook in het dal vol dreigende gevaren. Dat je zo door zijn woorden en tekenen steeds opnieuw vertrouwen op Hem mag krijgen. Hij wil je goede Herder zijn. Geloof je dat? Amen.


Preek zondag 21 – één brood, één lichaam!

december 28, 2016

Preek gehouden in Heemse

Tekst: Zondag 21 (met name v/a 55); 1 Kor 10:17

 

Geliefde gemeente van Jezus Christus,

[#1] Vanmiddag gaat het over verbonden zijn. Via Facebook, Linked in, instagram of twitter worden veel mensen aan elkaar verbonden. Je krijgt een nieuwe volger of een nieuwe vriend. Iemand die leest wat je schrijft, die ziet wat je post. Je raakt verbonden met mensen die je soms jaren niet hebt gezien of die aan de andere kant van de wereld wonen. Kennelijk is er bij ons een sterke behoefte aan verbondenheid: dat we graag gezien willen worden, willen delen wat ons bezig houdt, dat we benieuwd zijn wat anderen bezighoudt.

Toch kun je je aan de andere kant ook afvragen: hoe verbonden zijn we met elkaar? Neemt de verbondenheid juist niet af? Ik hoorde van de week iemand zeggen: als we op een verjaardag zitten, dan kan ik niemand spreken want iedereen zit achter zijn schermpje. Of het verbonden zijn is er niet, als iemand zegt: er komt bijna nooit iemand op bezoek. Als we vooral druk bezig zijn met onze eigen dingen en de doelen die we willen bereiken. Als je hoort over hoe in de stad, nog meer dan op het platteland, veel mensen zich eenzaam voelen. Sociale media ondersteunen en stimuleren contacten, maar echte ontmoeting is toch onmisbaar!

[#2] Vandaag willen we opnieuw leren wat het betekent om verbonden te zijn. Ik las ergens dat iemand zei: als je over dit onderwerp preekt, over de band die je als christenen hebt, over de gemeenschap der heiligen, dan zou je eigenlijk moeten zorgen dat je in die dienst ook het avondmaal viert. Dat je ook echt ervaart dat je bij elkaar hoort en dat het te zien is dat je met Christus verbonden bent en met elkaar verbonden bent. Wat mooi dat we dat dan ook doen vandaag. Dan past ook op na zo’n viering, in de ‘nabetrachting’ ons af te vragen: welke stimulans heb ik ontvangen om nog meer om te zien naar een ander, om nog meer met de ander verbonden te worden. Zoals we lezen in het formulier: omdat het één brood is, zijn wij, ook al zijn we met velen, één lichaam: we worden als broers en zussen aan elkaar verbonden en we mogen dan ook in woorden en daden laten zien dat we zo’n eenheid vormen.

 

[#3] De tekst uit het formulier komt uit het gedeelte dat we net gelezen hebben uit 1 Korinthiërs. Paulus is daar aan het woord. Hij merkt dat sommige mensen deel nemen aan offermaaltijden voor de afgoden van het grote Romeinse rijk. Daar snapt hij helemaal niets van. Die afgoden bestaan niet echt, maar door je te verbinden met de andere mensen in zo’n offer: lever je je wel uit aan kwade machten en kwade demonen. Je wordt één met mensen die niet met Jezus verbonden zijn, maar met andere machten. Kijk als het vlees later op de markt ligt, dat daar tijdens de offers geofferd is, dan kun je nog zeggen: die afgoden zijn niets en ik wil het wel eten, al waren er mensen die daar moeite mee hadden en moest je daar misschien rekening mee houden. Maar naar zo’n offerfeest gaan: meejuichen en joelen, eten en drinken voor andere goden. Dat kan niet, want je wordt één. Zoals je vandaag ook niet christen kan zijn, en tegelijk wel een evenement of uitvoering gaat bezoeken van mensen die vloeken in hun muziek of liederen, die er goddeloos op losleven en waar drank of drugs de boventoon voeren. Dan wordt je één met zo’n groep, dan krijgen demonen vat op je, je verbindt je aan kwade machten.

Zo zegt Paulus: Als je eet van het brood wordt je toch één met het lichaam van Christus? Als je drinkt van de wijn wordt je toch een met het lichaam van Christus? Hij stelt het als vraag: hij hoeft er niet eens een antwoord op te geven, want dat is wat iedereen begrijpt. Zo begrijp je ook dat je deel krijgt aan elkaar. Wij hebben als gelovigen maar niet allemaal alleen een band met Christus. Door te drinken uit dezelfde beker, door te eten van het zelfde brood ontstaat er een verbondenheid met elkaar. Dat kun je daaraan zien dat het brood waarvan we eten, eigenlijk één brood was, wat we later in stukken hebben verdeeld.

 

[#4] We zijn als gemeente maar niet een stapel stenen, die opgestapeld bij elkaar liggen. Zelfs het beeld van een boeket bloemen schiet wat betreft het met elkaar verbonden zijn tekort, want dan zijn het nog losse bloemen. We zijn als druiven die verbonden zijn met dezelfde wijnstok. Of, zoals vroeger in het formulier stond: uit vele beziën, (dat is druiven) samengeperst zijnde, vliet één wijn en drank en vermengt zich onderling. Of nog mooier: we zijn een lichaam, waarin we allemaal met elkaar verbonden zijn. Waarbij het bloed stroomt naar de verschillende delen van het lichaam. Waarbij we niet zonder elkaar kunnen, zoals Paulus in 1 Korintiërs 12 en Romeinen 12 ook verder uitwerkt. Wanneer er met één deel wat is, dan raakt dat de andere delen. Wanneer je je vinger verwondt, dan kijken je ogen wat er aan de hand is, dan gebruik je je benen om verband op te halen, dan gebruik je je handen om de pleister op te plakken. Als één lid lijdt, lijden alle leden. Je kunt niet zonder elkaar. Zo word je als degenen die van dat éne brood eten ook werkelijk met elkaar verbonden.

 

Maar lukt dat ook ons ook om met elkaar verbonden te zijn? Geven we ook echt om elkaar? Als we dat uit eigen kracht proberen te doen, dan wordt het lastig. Dan wordt het een soort moeten dat je uitput. Dan voelt het als: ik moet dit nog doen, er wordt weer iets van mij verwacht. Daarom is het zo belangrijk om te beginnen bij Christus. Paulus zegt ook: door het brood word je één met Christus. Hij is het hoofd van het lichaam. Hij is het die zijn gemeente vergadert, beschermt en onderhoudt, zegt de Catechismus. Als een goede herder zorgt Hij voor zijn schapen. Hij geeft hen wat zij  nodig hebben. Bij Hem mogen we de diepste troost vinden en geweldige beloften: eeuwig leven, vergeving van de zonde, kind-zijn van God. En door de werking van de Heilige Geest komt dit ook echt in je hart en in je leven. Je krijgt deel aan hem, staat in het eerste deel van v/a 55.

 

[#5] Vanuit wat je daarin in Christus ontvangt, ook in het H.A.: mag je met elkaar verbonden zijn. Het is een hele sterke tekst uit de bijbel, het is een hele mooie gedachte bij het avondmaal. Maar krijgt dit ook werkelijk vorm in de gemeente? Is er in plaats van samen op weg zijn, van verbondenheid en op elkaar betrokken zijn, niet juist veel onverbondenheid? Dat er weinig inzet is, dat de 2e kerkdienst verzuimd wordt en we onze eigen gang gaan; dat er geshopt wordt: dat je zelf kijkt waar je iets aan hebt, in plaats van op je eigen plek waar je geroepen bent je bijdrage leveren? Ik heb deze week verschillende keren gevraagd: welke contacten heb je in de gemeente? Met wie ben je verbonden? Wie vraagt jou wel eens: hoe is het? Of wie komt wel eens binnenlopen of nodigt je uit? In de meeste gevallen schrok ik er behoorlijk van. Ben je ook bereid om werkelijk met degene die voor je loopt of naast je zit een band aan te gaan. Vraag je: hoe is het met je? Kijk je elkaar aan? Dat je wel in de kerk komt, maar dat er doordeweeks verder geen contacten zijn met mensen uit de kerk. Dat er soms heel makkelijk naar een ambtsdrager gekeken wordt: hij gaat er toch wel naartoe of hij doet wel een bijbel open. Gemeenschap der heiligen wil niet zeggen: een paar enthousiasteling staan te trekken aan de kar, en de anderen zitten er lekker op en laten zich trekken. Het betekent dat we samen ons inspannen en samen onze gaven gebruiken om elkaar te helpen. En dan gaan soms dingen ook ontzettend fout: daarvoor hoeven we niet eerst naar Syrie. Ook achter de voordeur kan er van alles misgaan. Zoals Kain zijn broer Abel vermoorde, is er later nog veel mis gegaan. De broedermoord werkt door. Soms is er ruzie, misverstand. Kinderen worden soms buitengesloten en mogen niet meedoen. Ze ervaren dat hun ouders maken ruzie maken. Ook in de kerk gaat er soms van alles mis.

 

[#6] Maar de catechismus roept ons dan op om onze gaven tot heil van de naaste te gebruiken. Roept op tot naastenliefde! Om de gaven te gebruiken die we ontvangen hebben. De Heilige Geest wil ons door de verbondenheid met Jezus steeds meer op Hem doen lijken: de vrucht van Geest is vrede, liefde, blijdschap, zelfbeheersing. Deze dingen vormen je eigen leven, je karakter, en hopelijk plukken ook anderen daar de vruchten van. Maar naast de vrucht, zijn er ook de gaven van de Geest. En iedereen heeft andere gaven gekregen. De één is muzikaal, de ander kan goed tekenen, een volgende goed leren, een ander kan een motor uit elkaar halen of zo weer in elkaar zetten, een volgende is goed in koken en weer een ander kan goed sporten. Een volgende heeft zijn woordje klaar, maar een ander kan goed luisteren. En dat zijn soms heel gewone gaven: een timmerman gebruikt zijn gaven of hij nu gelovig of ongelovig is. Maar toch is daarin de Geest aan het werk. De mensen die de tempel bouwden deden dat door de Geest. Juist die verschillende gaven zijn nodig om de kerk op te bouwen: maar de vraag is; gebruik je ze ook om de ander te helpen, om met elkaar te bouwen aan Christus gemeente. Of je gebruik je ze voor je eigen carrière, roem, eer, om zelf een behaaglijk leven te kunnen leiden. Natuurlijk zijn er dan ook dingen die gewoon moeten: je dagelijks werk, je huiswerk. Taken waardoor je uiteindelijk later in je werk weer wat voor anderen kan gebruiken.

De catechismus heel scherp: je moet je gaven tot nut en heil van de ander gebruiken! Het is geen keuze. Het is niet zo van: dat doen die paar enthousiastelingen wel in de kerk. Paulus heeft gezegd: je hebt deel aan Christus, en dus ben je één lichaam geworden. Het is jammer als je van alles zou kunnen betekenen, maar dat je het zaad niet zaait op de akker en er zo niets met jouw zaad gedaan wordt. Of zoals die man die talenten kreeg en het begroef onder de grond, in plaats van dat hij zijn talenten gebruikte. Laten we onze gaven juist gebruiken voor elkaar, zoals de eerste en tweede slaaf deden: je wordt er zoveel rijker van!
[#7] Dan ontstaat er steeds meer een gemeenschap waarin we in gebed, woord en daad elkaar opbouwen. Dat je je inzet als vrijwilliger of vraagt of je ergens nog wat kan doen in een commissies. Dat je bidt voor elkaar. Dat je de mensen in je wijk niet alleen ziet als buren, maar ook als gelovigen. Ook daarin samen elkaar aanspoort om mee op weg te blijven gaan. Daarbij mogen jong en oud ingeschakeld worden. Mooi als er een generatieavond is, waarin oud en jong in gesprek zijn. Mooi als rondom een avondmaalsavond ook gedacht wordt aan de jeugd. Iedereen hoort erbij, ook de kinderen. Jezus werd maar weinig boos, maar wel toen de leerlingen de kinderen op een afstand gingen houden of hen niet belangrijk vonden: toen mochten ze juist naar voren komen en zegende hij hen.

Zo raken we steeds meer met elkaar verbonden. Worden we dan allemaal hetzelfde? Nee, we zullen verschillend zijn. Maar wat maakt ons één? Vergelijk het maar daarmee dat we als het ware in een cirkel om de Here Jezus heen staan: we staan daar allemaal als verschillende gemeenteleden. We hebben onze eigen gewoontes, achtergrond,  geaardheid, huidskleur, taal, maar we zijn gericht op de Heer: Jezus Christus. Zolang Hij het middelpunt vormt en centraal staat, blijven wij een cirkel vormen. Een gemeente die samen gericht is op de Heer.

Laten we zo samen kerk zijn. Waarbij we bereid zijn om van elkaar te leren: dat jongeren hun best doen te begrijpen waarom een Psalm als Psalm 91 zoveel troost kan geven in een situatie van verdriet; maar dat ouderen ook zien hoe jongeren in meer eigentijdse liederen God willen prijzen. Zo vormen we samen één lichaam: een gemeente, doordrenkt van de Geest van God. Waarbij we juist degenen die niet zo makkelijk contacten hebben, extra in het oog mogen houden. Er voor hen mogen zijn. Om dan tenslotte niet meer door een teken, een symbool van brood en wijn met Christus verbonden te zijn, maar Hem te ontmoeten. Zodat wij als lichaam, weer echt met het hoofd verbonden zijn en voor altijd met Hem zullen leven.. Als wij de wijn met hem nieuw zullen drinken. Kom laat ons dus blij zijn en vol vreugde want de bruiloft van het lam komt! Amen.

 

 


Zondag 20 – Leer ‘Abba, Vader’ zeggen door Gods Geest

december 5, 2016

Preek gehouden in Heemse, 4 december 2016

Tekst: Zondag 20

 

Geliefde gemeente van Jezus Christus,

Wie is de Heilige Geest? Dat is de vraag die vanmiddag centraal staat in de preek. Het is beste een moeilijke vraag. Wanneer je probeert uit te leggen wie Hij is, hoe kun je dat dan doen? Over God de Vader in de hemel kun je vertellen dat hij alles gemaakt heeft en alles regeert. Over Jezus de Zoon van God kun je veel verhalen vertellen over wat Hij op aarde heeft gedaan. Maar wat doet de Heilige Geest precies?

 

Iemand gebruikte een voorbeeld om uit te leggen wat de Geest doet: Stel je voor er is een tafel gedekt met de heerlijkste gerechten. Er staat heerlijk drinken bij. Er is echt zorg aan besteed. Maar het is jammer als het er allemaal blijft staan. Als je niet werkelijk dat lekkere stukje vlees in je mond krijgt, of als je niet echt van dat heerlijke drinken kan proeven. Zo is het ook met wat Christus voor ons gedaan heeft: Hij heeft voor ons grote schatten verdiend. Het wordt goed tussen God en ons, je krijgt vergeving van de zonden en je mag eeuwig leven: je mag God ‘Abba, Vader’ gaan noemen! Maar het is niet genoeg als we dat alleen weten, als we dat horen. De vraag is: geloof je het ook, neem je het ook aan?

 

God heeft zijn liefde voor ons laten zien in Jezus Christus. Hoe ervaar je dat God je liefheeft? Wat betekent dit voor jou? … Kun je dat ook echt benoemen en aanwijzen, of weet je alleen met je verstand dat het zo is? Wat betekent het voor jou dat Christus je liefheeft en dat je God weer Abba Vader mag noemen? Als je dag in dag uit met school bezig bent. Als je te maken krijgt met moeilijke berichten over gezondheid. Als je ouder wordt en terugkijkt op je leven en alles wat er gebeurd is. Kun jij je werkelijk voorstellen dat Christus van je houdt? Dat, ook al doen wij zonden, er toch voor jou brood en wijn is, het lichaam en bloed van Jezus Christus? Dat je een geliefd kind van God mag zijn, waardoor je niet alleen weet, dat God je Vader wil zijn, maar dat je ook werkelijk met hem spreekt en hem Abba, Vader gaat noemen?

 

Leer ‘Abba, Vader’ zeggen door Gods Geest

1) Mijn gevoel en verstand zijn vaak duister

2) De Heilige Geest doet mij delen in Gods luister

3) Zodat ik, nauw verbonden, ‘Abba, Vader’ fluister!

 

1) Mijn gevoel en verstand zijn vaak duister

Bent u er ondertussen al uit, heb jij al een antwoord op die vraag: hoe ervaar jij de liefde van God in je leven? Hoe vaak zeg je Abba, Vader, U behoor ik toe? Het is geen makkelijke vraag. We worden soms zo opgeslokt door het leven van alle dag. We worden soms zo in beslag genomen door onze zorgen. Je denkt er soms gewoon niet aan. Deze zondag is misschien kort, maar steeds weer noemt de catechismus de Heilige Geest. Wanneer de catechismus voor het eerst spreekt over de Heilige Geest (in zondag 3) dan gaat het er ook juist over dat we uit onszelf geneigd zijn tot het kwaad. We kunnen zo vast zitten in de zonde, de dood kan ons zo terneer drukken en de duivel laat ons niet los. Dan leven we als slaven in angst, of we wel genoeg presteren. Maar dat verandert als we door de Heilige Geest opnieuw geboren worden. Dat is heel radicaal..

 

De Heilige Geest is niet bezig om ons even iets heiliger te maken. Om te zorgen dat we goede werken doen en dat het allemaal weer wat opgepoetst en wat beter lijkt. Nee: de Heilige Geest begint van binnenuit. Hij helpt je om een hele nieuwe start te maken. Om te ontdekken dat we dat uit eigen kracht niet kunnen doen. En als je dat ontdekt hebt word je opnieuw geboren. Word je met Christus verbonden. Je kunt zomaar op eigen kracht willen geloven, steeds een stapje vooruit willen. Dan is het alsof je een auto die ontzettend veel kracht heeft, met heel veel pk’s, laten we zeggen een dure Ferrari zelf wilt gaan duwen. Terwijl de Heilige Geest zegt: kijk eens wat een kracht ik heb, laat mij in je komen en ik zal met al mijn kracht vernieuwend in je leven aan het werk gaan.

 

Wat zie je dat duidelijk gebeuren bij het Pinksterfeest in Jeruzalem. De leerlingen van Jezus zijn vol vragen als Jezus naar de hemel gaat. Ze hebben moeite om alles te geloven. Ze zijn vol vragen over hoe het verder moet. Maar dan blijven ze in Jeruzalem, terwijl ze samen bidden om de Heilige Geest. En dan komt de Geest van God. Met het geluid van een geweldige windvlaag, met de vlammen als vuur die zich op de hoofden zetten. Hij werkt zo krachtig door hen heen dat ook de Joden opeens beseffen wat ze gedaan hebben. Ze hadden Jezus gezien, zijn wonderen ervaren, zijn woorden over het nieuwe rijk gehoord, maar ze hebben hem niet aangenomen. Ze hadden Hem weggeduwd en gekruisigd. Uit zichzelf namen ze Jezus niet aan. Maar nu komt de Heilige Geest en vragen ze: wat moeten we doen om behouden te worden. En dan komen er velen tot geloof en laten zich dopen.

 

We zongen het net: ons verstand en ons gevoel is zo zonder klaarheid, zo duister, als u zelf de nacht niet bant, ons niet stelt in het licht der waarheid. Uit onszelf kunnen we het licht van Gods evangelie niet zomaar ontdekken, kunnen we zijn liefde niet ervaren. Dat wil niet zeggen dat we als mensen dom zijn. Ons verstand en de wetenschap heeft ons heel ver gebracht. Kijk eens wat er allemaal mogelijk is! De techniek staat maar niets. En we kunnen ook met het verstand heel veel bijbelverhalen lezen. We kunnen veel begrijpen uit de bijbel. Maar, en wanneer we de Geest niet ontvangen, blijft het op een afstand staan. Is het puur verstandelijke kennis. Kun je veel over het geloof weten en vertellen, maar zit het te hoog, in je hoofd. Kan het in je verstand blijven steken. Komt het niet echt in je hart, wordt je niet in vuur en vlam gezet. Zeggen we nog geen Abba, Vader, maar blijf je je eigen weg gaan.

 

2) De Heilige Geest doet mij delen in Gods luister

Wanneer de Heilige Geest in je hart gaat werken, dan kan er werkelijk geloof, en vertrouwen groeien. Dan ga je door die Geest God de Vader ‘Abba’ noemen. Maar hoe werkt dat dan? Wat wil het zeggen dat ze voor elke dienst vragen: Heilige Geest help ons te geloven, laat uw licht schijnen, open ons hart. Hoe kan die Heilige Geest ons dan echt die liefde van Christus ons eigen maken? Is er soms een apart vakje in je hart waar hij kan gaan wonen? Is de Heilige Geest hetzelfde als ons gevoel?

 

De Heilige Geest is niet hetzelfde als ons gevoel. Soms kun je geraakt worden door hele mooie muziek. Een nummer of een stuk dat de rillingen over je lijf doet lopen. Soms kun je enorm genieten van de zon die schijnt op de bomen die wit geworden zijn door de bevroren mistdruppels. Maar is dat dan de Heilige Geest? Soms kun je geraakt worden door een grote menigte mensen die bij elkaar is, en ervaren dat het geweldig is. Ook als je bij HHC staat en Kobussen schiet hem erin en de trommel slaat en er wordt gejuicht kan je je heel blij voelen. Wanneer we de Geest uit gaan leggen als: dat wat je voelt bij het geloof, dan doen je de Geest tekort.

 

Anderen willen de Heilige Geest vergelijken met een onpersoonlijke kracht. Zoals elektriciteit stroomt en energie geeft, zo zou de Heilige Geest mensen kracht geven. Juist in deze tijd waarin steeds meer mensen geloven in allerlei krachten en energiestromen zou je dat zomaar kunnen gaan verwarren met de Heilige Geest.

 

Maar de catechismus is meer dan een onpersoonlijke kracht. Hij is zelf aan het werk in ons. Paulus zegt: Hij helpt ons om te zeggen dat we kinderen van God zijn. De catechismus zegt: Hij is echt en eeuwig God. Hij zorgt ervoor dat je niet langer als slaaf steeds beter je best moet doen, maar dat je gaat ervaren dat je echt ‘Vader, Papa’ tegen God mag gaan zeggen. Hij is God zelf en doet je op die manier delen in Gods luister.

Kijk en dan komt ook het gevoel in beeld, de ervaring, de kracht! Juist doordat de Heilige Geest zelf God is, kan hij je laten zien wat Christus gedaan heeft: aan het kruis gestorven voor je zonden. Juist doordat je ziet dat heel deze wereld van God komt. Juist doordat je kan zeggen: Abba, Vader U behoor ik toe. Mag je gevoel geraakt worden. Mag je zijn liefde ervaren. Vind je het geweldig om met elkaar te geloven. Kun je genieten van Gods schepping. Zit de Geest niet opgesloten in een vakje in je hart, maar ga je steeds meer met hart en mond en handen God prijzen en loven. Zo verzekert Gods Geest onze Geest dat we kinderen van God zijn

Laat ik met een voorbeeld uitleggen hoe dat werkt, dat de Heilige Geest ons doet delen in Gods luister, onze Geest helpt om Abba, Vader te zeggen. Er was eens een dominee in het westen van het land, en die kwam op bezoek bij een vrouw die het verschrikkelijk moeilijk had. Er waren veel problemen in de relationele sfeer, steeds werd er gescholden. Bovendien had haar man een enorm drankprobleem. Ze zei tegen de dominee: ik kan niet meer bidden. Waar is God nu? Hoe moet dit nu verder? Zoals we dat allemaal wel eens kunnen hebben dat je denkt: heeft het nu nog zin om een God te bidden. Toen zei de dominee: dan stopt u toch met bidden? Maar toen zei de vrouw: dat wil ik niet, en dat kan ik ook niet! Ik wil helemaal niet zonder God leven. Kijk,  dat is nu de wisselwerking. Onze Geest en Gods Geest. Hij laat je niet los. Hij wil je helpen om te bidden. God heeft mij veel vaster in mijn hand dan ik wil geloven. En laat ik erbij zeggen: als je zelfs soms niet kan bidden, vraag maar of de Heilige Geest jouw gebed naar God wil brengen. Dan blijf je door de Geest delen in Gods heerlijkheid en luister!

 

  1. Zodat ik, nauw verbonden, ‘Abba, Vader’ fluister!

Door de Heilige Geest wordt het evangelie dus heel persoonlijk. Het is niet alleen voor anderen. Niet alleen voor Johannes, Paulus en Thomas, niet alleen voor mijn vader en moeder, niet allen voor die ander, nee: het is ook voor mij! Ik mag deel krijgen aan wat Christus gedaan heeft. Het blijft niet op een afstand staan, maar mag een plek in mijn hart krijgen. Jij, u en ik: we mogen allen persoonlijk Abba, Vader zeggen.

 

Onderzoek jezelf maar, of regelmatig die naam van vader op je lippen is. Of je geloof niet tot een traditie, een gewoonte, een systeem is geworden, maar of je werkelijk met God verbonden bent. Want alleen van daaruit kun je ook het geloof doorgeven. Wanneer we bidden om de Geest, dan alleen heeft het zin om te preken, vereniging en catechisatie te hebben, mensen die niet gewoon zijn om naar de kerk te gaan over Jezus te vertellen. Het mooie is dat we uit de geschiedenis weten dat degene die dit leerboekje geschreven heeft, zelf ook overtuigd was van zijn heil.  Zoals de schrijver van dit boekje, Kasper Olevianus ook mocht zeggen, toen hij op zijn sterfbed lag en hem gevraagd werd: Gelooft u ook dat u zelf een kind van God bent, zoals u zelf zoveel anderen geleerd hebt. En hij toen antwoordde: Zeer zeker.

Zo mogen we door de Geest nauw aan God verbonden worden. Hij wil als de trooster door God gegeven altijd bij me blijven. Ook als het moment komt dat je krachten vermindert, je adem stokt en het einde komt. Natuurlijk kan dat je angst geven, hoop ik dat je graag wil leven: maar omdat de Geest dichtbij je is, zal Hij ook dan je helpen. Hij zal je dragen en troosten. Dan mag er vertrouwen groeien, want door het werk van Christus mag je een stevige basis onder je bestaan hebben.

Doordat Christus zijn Heilige Geest gaf, blijven het geloof en de bijbel niet op een afstand staan. Er zijn veel mensen die het verhaal van de verloren zoon een indrukwekkend verhaal vinden. Zo’n jongen die zomaar wegloopt van huis. De pijn van een ouder die een kind mist en op de uitkijk blijft staan. Een verongelijkte oudere zoon, die altijd zijn vader heeft willen gehoorzamen. Maar het kan daar ook zomaar bij blijven. Dat het een mooi verhaal is. Maar het overkwam een zendeling een keer op het zendingsveld dat Hij dit verhaal vertelde aan iemand die nog nooit van Jezus gehoord had. Hij vertelde over de zoon die wegliep, over het geweldige leven van die zoon, met rijkdom en vrouwen, over het moment dat alles wegviel. Maar ook over hoe de zoon, weer terug ging naar zijn vader. De man luisterde en zat op het puntje van zijn stoel: Hij zei: dit verhaal gaat over mij. Het is alsof Jezus die dat verhaal vertelt mij kent. Ik heb zo geleefd, ik ben zo weg gegaan en heb het idee dat ik op de verkeerde weg zat. Vanaf dat moment besloot die man zijn leven aan Jezus te geven, Hij geloofde door de Geest dat die over Hem ging. Hij was eigenlijk als de jongste zoon: Hij vouwde zijn handen en fluisterde ‘Abba, Vader, U alleen doorgrond mijn hart. U behoort het toe.’ Zo werd hij heel nauw met God verbonden. En ik hoop en bid dat de Geest ook U door Gods Woord steeds weer heel nauw aan God de Vader en Jezus Christus wil verbinden. Amen

 

 


Zondag 8 – De drie-enige God geloven, liefhebben, vertellen en prijzen!

juni 13, 2016

Preek Heemse, 12-6-2016; Tekst: Zondag 8, Johannes 6

Geliefde gemeente van onze Heer Jezus Christus

Wanneer we vandaag avondmaal gevierd hebben en drieenige God ons zijn liefde heeft laten zien, laten we dan ook na die viering de Vader, de Zoon en de Heilige Geest geloven, liefhebben, vertellen en prijzen

Geloof God de Vader! Wanneer we vanmiddag stil staan bij het wonder van de drie-enige God, dan komt daarin een heel duidelijke boodschap naar voren: wanneer je gered wilt, worden geloof dan in deze God. Het avondmaal vraagt een gelovige reactie: dat je komt en je laat vullen met het ware brood en de ware drank. Dat je gelooft dat God de Vader de wereld zo lief had dat Hij zijn eigen zoon gaf. Dat je ook in geloof en verbondenheid met deze vader die ons altijd omgeeft en leidt, hier weer uit de kerk gaat. Dat is een spannende keus, vandaag, maar ook toen … de mensen wilden wel in de wonderen geloven, wel een volle buik krijgen van de vijf broden en twee vissen. Maar als er gevraagd wordt te geloven dat God de Vader en Jezus één zijn dan druipen ze langzaam af, dan blijven er nog maar weinig over die werkelijk het brood van het leven willen ontvangen.

Heb hem lief! En dat terwijl er toch zoveel liefde van God de Vader in dit gedeelte naar voren komt. De levende Vader heeft mij gezonden (vs. 57). God de Vader laat ons niet alleen, maar Hij geeft zijn eigen zoon. Zo lief heeft God u, jou en mij. En dan lezen we ook dat het de Vader is die uitkiest: God geloven, Hem aannemen, dat wordt je door God de Vader gegeven. God die alles gemaakt heeft, die alles leidt, die heeft het ook zo geleid dat je Hem mag leren kennen, dat voor een wereld zo vol spanning, zonde, verdriet, tranen, Hij zijn zoon geeft, de machtige Vader zijn armen naar je uitstrekt: Wat een liefde. Geloof dat maar en laat die liefde toe in je hart!
Vertel! De machtige Vader heeft zijn Zoon gegeven. Een geweldige boodschap. Maar niet een boodschap die bedoeld is om voor jezelf te houden. Wanneer jij gelooft, wanneer jij de liefde van God ervaren heb, is het goed om dat niet voor jezelf te houden. Jezus is hier in gesprek met de Joden, die wel geloven in de Vader, maar niet dat Hij de Zoon van God is. Er ontstaat een scheiding: maar toch … Jezus vertelt. Hij dwingt niemand, als ze niet willen blijven mogen ze weggaan (vs. 67). Wij kunnen niemand dwingen, ons familie niet, onze kinderen niet. Maar we mogen Jezus voorbeeld volgen: Hij probeert het liefdevol uit te leggen: als je wil dat je geestelijke dorst, dat die leegheid in je hart, dat je emotionele honger gestild wordt… dan is er één die echt voedsel en echt drinken kan geven: Een Vader die je liefheeft, en altijd bij je wil zijn. Die je wil helpen en steunen. Die er altijd zal zijn. Komt laten wij aanbidden! (Gz 106:1)

Geloof God de Zoon! God vraagt van ons geloof, dat Hij de Vader is van Jezus Christus. Maar Jezus vraagt ook het geloof dat Hij de zoon van God is. Een geloof waar de Joden juist op afketsen. Dat Jezus, die ze kennen als de timmermanszoon, de eeuwige Zoon van God is, dat roept bij hen verzet en woede op. Dat vinden ze godslastering. Op een zelfde manier knappen veel moderne mensen en theologen af op het geloof: dat er iets is, prima, maar dat Jezus Gods Zoon is, een met de vader, daar kunnen ze niet bij. Net zo min als Moslims en Jehovah getuigen zo in de Zoon van God kunnen geloven, dat Hij een is met de Vader. Toch is dat wat Jezus hier van de mensen vraagt: de mensenzoon is neergedaald uit de hemel, en wat misschien nog wel moeilijker is te geloven: je zult Hem ook weer zien opstijgen! Geloof dat Hij die weg van vernedering en verhoging moest gaan!
Heb lief! Waarom moest Hij die weg gaan? Waarom was het niet genoeg dat de vader zorgt voor zijn volk, door ons dagelijks eten en drinken te geven, door op een wonderlijke manier manna uit de hemel te geven? Omdat alleen het aardse brood en het aardse drinken uiteindelijk niet echt kan voeden. De mensen in de woestijn zijn uiteindelijk gestorven. Het was nodig dat God hemels brood en drinken gaf: Jezus is uit de liefde die weg gegaan en heeft het brood uit de hemel gegeven. Hij stierf en stond op, om ons het echte leven te geven. Wie Hem leert kennen, zal opgewekt worden op de laatste dag en met Christus verbonden zijn en eeuwig leven. Laten we zo die liefde van Jezus beantwoorden door Hem lief te hebben. Trouw, elke dag in verbondenheid met Hem te leven: door tijd voor Hem te maken en zijn naam te noemen. Ons hart met zijn liefde te laten vullen.

Vertel! Simon Petrus vertelt het uiteindelijk tegen Jezus: We kunnen niet naar iemand anders toegaan. Wij geloven dat U de heilige van God bent, U spreekt woorden van eeuwig leven. Wanneer je geloof en liefde hebt gezien van God de Zoon, dan is het ook goed om die liefde niet voor jezelf te houden, maar onder woorden te brengen. Misschien is er vanavond wel een wijkavond: vertel en breng eens onder woorden hoe jij vandaag in jouw situatie de liefde hebt ervaren. Ervaren hebt dat je weer iets gezien hebt van het brood van het leven, wat dat betekent in jouw situatie van verdriet, blijdschap, dank, spanning, vreugde, strijd. Als de leerlingen het niet gedeeld en opgeschreven hadden, hadden wij het niet geweten. Vertel het dus ook minstens één keer, aan een vreemde en wat misschien nog wel moeilijk is aan een gezinslid. Praat erover wat je ervaren hebt en gelooft van Jezus, het ware brood van het leven, het lam voor ons geslacht, Hij die ons ziet en ons roepen wil horen

Komt laten we aanbidden: Gz 106:3

 

Geloof God de Heilige Geest! Maar weinig mensen geloven in Jezus. Ze kunnen niet begrijpen dat je zijn lichaam, zijn vlees moet eten en zijn bloed moet drinken. Ze begrijpen niet dat Jezus daarmee bedoelt dat ze er geestelijk van moeten eten. In vers 63 zegt Hij ook: het lichaam dient tot niets. Als Jezus alleen zijn aardse lichaam gehad zou hebben, zou Hij niet het leven kunnen geven. Maar Hij zegt: de Zoon moet verhoogd worden. Hij moet opstijgen naar waar Hij eerst was. Waarom? Om dan de Geest te kunnen geven die levend maakt. De woorden van Jezus zijn Geest en leven. Doordat Jezus naar de hemel is gegaan, kon Hij zichzelf geven in de Geest. Kunnen we door die Geest, door de tekenen van brood en wijn, geestelijk met zijn lichaam en bloed gevoed worden. Als je het moeilijk vindt om dat te geloven: bid of de Geest je wil helpen. Hij is het die het geloof wil geven!

Heb lief! Zo steekt God zijn beide handen naar ons uit. Hij geeft ons zijn Zoon en zijn Heilige Geest. Zo is God God boven ons, God naast ons en God in ons. Ik had de preek kunnen beginnen met aan te geven hoe moeilijk het is om te zeggen 1+1+1 is drie. Maar de Bijbel maakt van de drie-eenheid geen puzzle. God is gewoon zo, God komt zo op veel verschillende plaatsen in de bijbel naar ons toe. Heel duidelijk bij de doop: als Vader Zoon en Geest, uitgelegd ook in Joh 3, het gesprek met Nicodemus. Maar ook als het gaat over het avondmaal komt hij ‘gewoon’ als de drieenige naar ons toe. Hij bruist daarin van liefde en relaties. De Heilige Geest wil ons met die liefdevolle God verbinden en vullen met ware liefde.

Vertel! Jezus wijst in dit gedeelte vooral vooruit. Wie door de Geest in mij gelooft, zal opgewekt worden uit de dood, zal eeuwig leven. Maar ik hoop dat je begrijpt dat zo’n vooruitzicht en doel in je leven, je leven ook mag veranderen. Als God zo vol relaties is, de drieenige God, dan mag je omdat het eeuwig goed zal zijn nu al in liefde met elkaar verbonden zijn. Hoef je je waardering niet te halen uit wat anderen vinden. Hoeft je doel als tiener niet te zijn om een soort James Bond te worden en hoef je niet als een Barbiepop door het leven te gaan: je bent nu al kostbaar en geliefd, omdat God je liefheeft. Dat maakt je levensdoel anders dan iemand die die God niet kent. Laten we proberen iets van die liefde over te dragen en vertellen ook aan degenen die die liefde nog niet kennen. Deze God omgeeft ons immers altijd en overal en van elke kant. Al gaat hij ons begrip te boven: Hij kent je al helemaal en wil er voor je zijn. Amen.


Zondag 3 – God wil je kennen als verloste zondaar!

april 25, 2016

Preek Heemse, zondag 24 april 2016

Tekst: H.C., Zondag 3, 2 Tessalonicenzen 2:9-14

 

Geliefde gemeente van onze Heer,

Misschien heb je wel eens gehoord dat je moeder tegen je zei: ‘Je bent een engel’. Als je je tas netjes uit- en opruimt als je uit school komt of, misschien beter, als je je moeder ’s morgens een lekker kopje thee op bed brengt. Je bent geweldig. Echt een engel. Maar misschien heeft je vader dan wel eens het grapje gemaakt, ja een engel met een ‘b’ ervoor, want gisteren schoot je nog de bal op het dak! Je bent een bengel. Een boef! Eigenlijk gaat het vanmiddag over die vraag wat we eigenlijk zijn. Ben je een engel, een parel in Gods hand, gaaf en mooi en goed? Of zijn we geboren zondaren: in zonde ontvangen en geboren en niet in staat om het goede te doen? Engeltjes of bengeltjes?

Niet alleen in de kerk kom je die vraag tegen, ook buiten de kerk. Er zijn wetenschappers die zeggen: eigenlijk kunnen we zelf niets kiezen of beslissen. We doen automatisch wat onze hersenen ons zeggen dat we moeten doen. Zo zegt Dick Swaab dat bijvoorbeeld in zijn boek ‘Wij zijn ons brein’. Niets geen keuze vrijheid of vrije wil: we zijn gewoon veredelde dieren die volgen wat onze hersens ons ingeven. Je kunt niet zelf kiezen.

Daarmee gaat hij in tegen de trend in deze tijd. Want in deze tijd zijn we vooral heel positief gaan denken over de mens. Kinderen zijn tegenwoordig misschien geen engelen, maar wel prinsen en prinsessen. Alles draait om hen. Alles draait om jezelf. Dat je aan je trekken komt. Dat je tot je recht komt en je jezelf ontwikkelt. Er wordt veel van je verwacht. Je bent immer zelfstandig, zelfbepalend. Je moet zelf presteren. Als het dan gaat over onze zondige natuur (HC), of om het met Paulus te zeggen, over dat we geen liefde voor de waarheid hebben, maar blind leugens achterna lopen. Roept dit juist in deze tijd vragen op. Hoe zit dit? Hoe mag ik naar mezelf en anderen kijken? Hoe spreek ik goed over dit onderwerp?

God wil je kennen als verloste zondaar!

1) Pas op dat je niet verblind wordt door de leugens

2) Krijg door de Geest liefde voor de waarheid van Jezus

3) Kom zo tot je doel in Christus.

  1. Pas op dat je niet verblind wordt door de leugens. Paulus geeft hier een beschrijving van de mens die verstrikt is in leugens. Straks zal satan komen. Komt de wetteloze mens. Wie die mens is, is heel ingewikkeld en heel veel over geschreven: ik ga daar nu niet teveel op in. In ieder geval komen er mensen die niet naar God en zijn wetten willen luisteren. En dan gebeurt wat er eigenlijk ook in het paradijs gebeurde: satan probeert de mens opnieuw in zijn macht te krijgen. In het paradijs was hem dat gelukt, zoals zondag 3 ook aanhaalt. Waar Adam en Eva eerst volmaakt goed waren en ze kinderen van de Vader waren, daar kozen ze ervoor om de duivel te gehoorzamen. Ze meenden zo zelf de waarheid te leren kennen, maar ze kenden daardoor goed en kwaad. Er kwam haat, er kwam doodslag, er kwam strijd, er kwam moeite. Er kwam een kloof tussen God en mensen.

Paulus laat zien dat zich dat straks zal herhalen. Je word nog een keer op de proef gesteld! Je kunt verstrikt raken! Als de wetteloze mens komt: iemand die niet naar God wil luisteren, maar een dienaar van satan is, dan zullen velen hem geloven. Ze zullen bind zijn voor de waarheid. Ze zullen liefde hebben voor onrecht. Het lijkt allemaal heel mooi, de wereld die hij aan de mensen voorspiegelt en velen trappen erin. Maar eigenlijk is het een leven zonder God. Satan heeft veel macht. Het kan zomaar zijn dat je zo blind bent dat je gelooft in zijn tekenen en wonderen. Ik denk dat hij nu al om ons heen is: het leven zonder God wordt ons aan alle kanten voorgehouden als een geweldig leven. Alsof je God niet nodig zou hebben. Alsof je zelf wel kan bepalen wat je doet. Juist die wetteloosheid is een teken dat de eindtijd dichterbij komt. En het zal alleen maar erger worden.

Kiezen voor de leugen, voor het kwaad zit diep in ons. Hoewel we goed gemaakt waren, heeft de duivel zomaar vat op ons. Doet de mens dan altijd, alles verkeerd? Nee, maar doordat er zonde is gekomen, kan hij fouten maken. Denk aan een vertegenwoordiger die echt goed was in zijn werk. Hij komt bij veel bedrijven, staat goed bekend, draait een goede omzet en wordt overal geprezen. Maar één keer ziet hij bij een bedrijf de kas openstaan en pakt er 2000 euro uit. Hij wordt betrapt en iedereen noemt hem een boef. Deed hij dan alles fout? Nee. Maar één zonde maakt dat hij niet meer betrouwbaar is. Niet meer geloofd kan worden en dat zijn baas hem ontslaat en andere bedrijven hem ook niet meer willen hebben.

Ik hoop dat je je ogen er voor open hebt, dat er soms zomaar kwaad in ons kan zijn. Als je je afvraagt: “Hoe komt het toch dat soms zomaar weer mis gaat?”.  “Hoe komt het dat er toch weer ruzie is”, dan heeft dat te maken met dat we van onszelf het verkeerde kunnen doen. Onze eigen wil, maar ook de verleidingen van de duivel laten ons soms zomaar struikelen. Dat hoeft je niet negatief te maken (al kun je er soms flink van balen!), het mag je wel heel alert en wakker maken en je de vraag doen stellen: laat ik mij misschien ook inpakken door het kwaad? Luister ik soms naar de mens van de wetteloosheid: de manier van denken die met God niet wil rekenen. Sluit ik mij soms ook af van wat God echt van mij vraagt en van zijn goede boodschap? Daarom is het goed om van tijd tot tijd eerlijk in de spiegel te kijken. Zoals we ook steeds weer willen doen als we Christus ontmoeten op zondag, in de doop of in het avondmaal. En als je ogen dan open gaan … al je iets verkeerds of een zonde ontdekt bij jezelf. Zeg dan niet: we zijn nu eenmaal zondig, we zijn nu eenmaal ons brein en we kunnen er niets aan doen. Ga dan niet in de put zitten en blijf niet verstrikt in de leugen: nee, bekeer je! Vandaag nog! Zorg dat je strik loskomt, zoek hulp, open je ogen en bid of God je wil redden!

 

  1. Krijg door de Geest liefde voor de waarheid in Christus. Waar Paulus dus eerst schetst hoe mensen verblind door het kwaad hun ondergang tegemoet gaan, zegt hij daarna: Ik wil God danken! Hij is ontzettend blij en dankbaar: Want God heeft de mensen in die grote havenstad Thessaloniki uitgekozen om te worden gered. En wel als eersten. Deze stad in het huidige noorden van Griekenland, met vele honderdduizenden inwoners en een belangrijke handelsplaats kende sinds een paar jaar een kleine gemeente. Mensen die wel liefde hadden gekregen voor de waarheid: de waarheid dat Jezus Christus voor hun zonden gestorven was. De waarheid waar ze door hun geloof deel aan krijgen en door de Heilige Geest ook in geheiligd worden. Hier is gebeurd wat we net lazen in de Catechismus: ze zijn door de Geest opnieuw geboren! De boodschap die ze gehoord hadden van Paulus hebben zij niet naast zich neergelegd, maar ze hebben gezegd: dit is de waarheid. Jezus Christus kan ook mij redden en vernieuwen. Hij is ook voor mijn zonden aan het kruis gestorven.

Ben je dus een engel of bengel? Christus wil van ons door zijn heilige Geest in ieder geval nieuwe mensen maken. We mogen opnieuw geboren worden. Iemand zei in het blad dat uitkwam vanwege 450 Heidelbergse catechismus: Ik vind dit de mooiste zondag die er is. Ook al hebben sommige mensen moeite met deze zondag omdat het gaat over erfzonde en de natuur die verdorven is. Maar ik vind deze zondag gewoon eerlijk: zo zijn we soms. En het mooie is dat God er dan niet gewoon een nieuw laagje overheen doet, een laagje vernis, het bepleistert, maar dat God het radicaal vernieuwt. Dat Hij ons opnieuw geboren doet worden. Hij noemt het zondige, maar je mag ook weten dat je door de Geest echt een nieuw begin mag maken. Zoals bij een apparaat dat kapot gaat. Bijvoorbeeld een Playstation. Jaap had er één gekocht met zijn vader en ze hadden hem thuis aangesloten, maar hij ging kapot. Hij deed niet meer wat hij moest doen, je kunt er niet op spelen. Dus ze gingen ermee naar de winkel. Daar kregen ze een nieuwe! Maar nu lazen ze de handleiding en kwamen erachter dat ze vorige keer een snoertje verkeerd aangesloten hadden. Ja niet vreemd dat er dan kortsluiting komt … Maar nu wisten ze hoe het moest. Nu konden ze heerlijk op de playstation gaan spelen. Zo wil God ons ook weer goed maken: compleet nieuw. Als je gelooft dat Jezus gestorven is voor je zonden en je bidt om de kracht van de Geest dan maakt Hij je leven weer nieuw en mooi, dan word je opnieuw geboren, dan wordt je leven zoals het bedoeld is!

Ook al zit de zonde in ons, keert de zonde ook regelmatig terug, toch wijst God u, jou en mij een uitweg. Paulus zegt: de Geest maakt je heilig door geloof in de waarheid. Je kunt opnieuw geboren worden. Daarom: geloof in de waarheid van Christus, laat je leiden door het woord van God en door zijn Geest. Bid er steeds weer om of hij je hart wil vullen met liefde. Echt bidden. Op de knieën gaan. Bidden of Jezus je wil vernieuwen en of je samen met Hem steeds meer het goede mag doen. De spiraal van ruzie mag doorbreken, vrede krijgt in de manier waarop je naar je eigen leven, je eigen daden kijkt. Steeds meer tegen jezelf leert zeggen in Jezus Christus wat Paulus tegen de mensen zegt: ‘Ik dank God dat ik geliefde ben in Jezus Christus. Uitgekozen ben om te worden gered door de Geest’. Dat ik door Christus mag zeggen: ik ben een parel in Gods hand!

3) Kom zo tot je doel in Christus.

Paulus schrijft niet alleen over wat we zijn in Jezus Christus, maar ook over wat we zullen worden. Je mag niet alleen weten dat je gered bent, dat je nu recht tegenover God staat, maar ook dat je uiteindelijk zult delen in de luister van de Heer Jezus Christus. We zullen delen in zijn glorie en heerlijkheid. Dan bereiken we ons doel! Want de catechismus noemde al dat God ons goed gemaakt had, naar zijn beeld, om Hem in waarheid te kennen. Hem van harte liefhebben  en met Hem in de eeuwige heerlijkheid leven om Hem te loven en te prijzen. Dat geweldige doel: eeuwig verbonden met God, tienduizendmaal en tot in eeuwigheid Hem danken, dat doel werd wreed verstoord door de zondeval. Maar als Paulus spreekt over hoe het zal worden, knoopt hij weer bij die eerste bedoeling aan. Dan zullen we echt weer delen in de luister en heerlijkheid van God. Dan zal werkelijk alles nieuw worden. Het paradijs op aarde.

Zover is het nog niet. Juist de Tessalonicenzen moet Paulus waarschuwen dat het nog wel even kan duren. Dat die mens van de wetteloosheid nog komt en dat veel mensen verblind zullen worden door de leugen. Maar uiteindelijk komt het goed, zullen we mens zijn zoals bedoeld door God. Wie die mens van de wetteloosheid ook mag zijn, hij maakt het je soms goed moeilijk. De zonde die je doet struikelen, de vreselijke berichten die je hoort over onderdrukkers en over martelingen. Soms kan er een zware last te dragen zijn en zie je dat God onderweg is in de rampen die gebeuren of in politieke gebeurtenissen. Maar God gaat wel zijn weg. De dingen zullen niet voor hun tijd gebeuren, maar op hun tijd. En de duivel zal niet overwinnen, want als hij verschijnt zal Christus hem alleen al met zijn woord kunnen verslaan: vernietigen met de adem van zijn mond en met de aanblik van zijn komst. Iedereen kan om zich heen ziet dat er soms nog een hoop ellende is. Ik hoop en bid dat je ziet dat redding mogelijk is, vernieuwing als je gelooft in Jezus Christus. Als je gelooft in Hem: dan deel je in zijn heerlijkheid want uiteindelijk mag je het in geloof nazeggen: niet van het kwaad of van de dood, niet van de duivel of de machten, maar alleen van U is het koninkrijk en de kracht en de heerlijkheid, tot in de eeuwen der eeuwen. Hem zij de eer: God is liefde, o engelenstem, mensentong, verheerlijkt hem! Amen