Ezra 8 – Schuil bij de levende God!

augustus 25, 2014

Preek gehouden in Heemse, zondag 24 augustus 2014
Tekst: Ezra 8:21-23

Geliefde gemeente van onze Here Jezus Christus,
[dia 1] ‘Mocht hij verdwijnen, zo ziet hij d’r uit’. Zoiets schreef een man bij de foto die hij op internet plaatste van het vliegtuig van Malaysian Airlines. Een bericht dat achteraf, pijnlijk de waarheid werd. Dagelijks stappen duizenden mensen in vliegtuigen. Hopen dat ze goed aankomen, maar soms gaat het zo pijnlijk mis. We kennen allemaal dat moment van afscheid nemen: Wie op reis gaat kan zomaar gevaar lopen. Of je nu even een bezoekje gaat doen, of een lange reis met auto en caravan gaat maken: er kan van alles onderweg gebeuren. Wat dankbaar mag je zijn als je veilig aangekomen bent. Wat moeilijk als een ongeluk je leven op z’n kop zet, wat moeilijk als zoveel mensen hier in Nederland een lege plek voelen doordat familie of bekenden omgekomen zijn bij de vliegtuigramp.
[dia 2] Vandaag zien we dat Ezra een reis gaat maken. Hij gaat van Babel naar Jeruzalem, een gevaarlijke reis. Maar we zien ook hoe hij op reis gaat. Hoe hij zich voorbereidt op de reis. Hij weet niet wat de toekomst zal brengen, maar één ding weet hij wel: ik mag gaan aan de hand van de Heer. Zo mag je hier leren hoe je met de Here op reis mag. Als we een nieuw seizoen ingaan. Als we te maken hebben met allerlei gevaren die ons kunnen overkomen: zorgen over werk, ziekte, verdriet om overlijden. Als we door schulden amper weten hoe we verder kunnen. Laten we op weg gaan in vertrouwen op de Here.
[dia 3] Maar wat betekent dat? Wat als dingen dan toch heel erg missen lopen en zo anders gaan dan we zelf ingepland hadden? Als er een ongeluk gebeurt of als iemand komt te overlijden? Waarom zijn er, ook als we in geloof op weg gaan, toch soms zulke moeilijke situaties. Dat zijn grote vragen, vragen waar we vanmorgen ook geen sluitend antwoord op krijgen. Maar we mogen wel leren hoe we onze levensreis mogen maken, door erop te letten met welke houding Ezra de reis begint, Ezra die zelf zo dicht bij God en zijn wet leefde (Ezra 7).
Schuil bij de levende God!
1) Vraag zijn hulp
2) Verwacht het niet van mensenkracht
3) Geloof dat Hij verhoort

[dia 4] 1. Schuilen bij de levende God, zijn hulp vragen. Dat is wat we lezen dat Ezra doet. Ezra die van koning Artaxerxes de toestemming krijgt om naar Jeruzalem te gaan: God werkt zelfs in de harten van koningen! 140 jaar geleden was de tempel verwoest, 90 jaar geleden waren de eerste mensen terug gegaan onder leiding van Zerubbabel en Jozua, en 70 jaar geleden was de tempel klaar geweest, zeker toen de profeten Haggai en Zacharia indringend tot het volk gepreekt hadden. Het werk was met horten en stoten gegaan, maar de kleinere, nieuwe tempel van Zerubbabel stond in Jeruzalem.
Toch was alles weer wat ingezakt. Was er niet die mooie toekomst gekomen waar ze van gedroomd hadden. Bleven de vijanden hen het werk moeilijk maken en was de tempeldienst maar heel beperkt. Maar wat bijzonder! Artaxerxes geeft aan Ezra, die helemaal thuis is in Gods wet, iemand uit het priestergeslacht, alle ruimte om naar Jeruzalem te gaan. Hij krijgt zelf geld en schatten mee en ook allerlei spullen die nodig zijn voor de tempel mag hij erheen brengen (Ezra 7). Bovendien zijn er offerdieren en kunnen ze zo hun God gaan dienen. Ezra had verteld aan de koning over de macht van zijn God, over hoe God beschermt wie Hem dienen en straft wie Hem verlaten en deze vreemde Perzische Koning geeft hem ruimte te vertrekken. Waarom? Omdat er zo vrede in zijn rijk komt? Omdat hij hoopt dat Juda een buffer vormt tegen de gevaren uit Egypte en verder weg uit Griekenland? Omdat hij een klein beetje beseft dat de God van Israël maar niet zomaar een God is?
[Dia 5] Ezra roept iedereen bij elkaar bij de Ahawakanaal. Een onbekend kanaal ergens aan de westkant van het land, nog iets westelijker dan Tigris. Er komen dan genoeg priesters, maar er zijn te weinig levieten. Ezra stuurt er mensen op uit, naar een stad met veel Levieten en ook die willen mee terug! 5000 man staat klaar om de reis te maken. De perzen staan bekend om het goede wegennetwerk dat ze aangelegd hebben. Ik heb even op mijn reisplanner gekeken: de weg recht door de woestijn zullen we maar niet nemen, dus een beetje noordelijker begaanbaarder: dat betekent 1277 km, ruim 16 uur non-stop rijden. Maar ja, met 5000 man, zoveel bezittingen, kinderen en mensen slecht ter been gaat dat niet zo snel. Nee het is een hele onderneming en ze zullen weken onderweg zijn.
En wat brengt de toekomst dan? Mijn reisplanner zegt: Waarschuwing, de route loopt door Syrië. Vandaag is het maar de vraag of je deze reis, door ISIS gebiedt, door Syrie, door Israël veilig zal kunnen maken.
Ook in die tijd is het vraag: Hoe verder naar het westen hoe meer gevaar. De hoofdwegen waren wel goed bewaakt, maar er waren struikrovers (sommige stammen leefden van wat ze van anderen konden stelen), gevaren, het weer speelde een rol, hitte en gebrek aan water.
[Dia 6] Wat kun je doen? Ezra vertrekt niet zomaar. Hij roept de mensen op te vasten, zich te verootmoedigen, en te bidden voor een goede reis voor hen, voor de kinderen en voor alles wat ze mee nemen. In het woord voor kinderen klinkt ook iets door van: wie nog niet goed kan lopen. Dus ook ouderen die moeilijk ter been zijn, mensen met een handicap. Iedereen die mee ging op die lange reis.
Zo bidden ze daar met elkaar. Ze leggen hun toekomst in Gods handen. Ze verwachten van Hem hun hulp en vragen zijn zegen. Zo mogen wij ook bij de Here schuilen, het van Hem verwachten. Op zulke bijzondere momenten dat je in een vliegtuig stapt, of dat je op reis gaat naar je vakantiebestemming. Waarom zou je niet samen even de tijd nemen om God een zegen te vragen. Maar ook aan het begin van de dag. Ik las van de week ’s morgens psalm 62: Heer u bent mijn vesting, mijn burcht en ik vroeg: wilt u dat ook vandaag zijn, als ik onderweg ga, als ik mijn preek ga maken, als ik op bezoek ga. Ik was er heel bewust van dat ik het van God moest verwachten, terwijl ik andere keren ook zo van het één naar het ander loop. Laten we steeds weer bidden tot de Here, bij Hem schuilen: bidden voor onszelf, voor die sollicitatie, voor de zwakken, voor degenen die ons lief zijn. Als er achteraf dingen gebeuren, zijn er soms moeilijke vragen aan God. Maar laten we niet vergeten om vooraf de Heer te vragen of Hij wil beschermen en alle kracht wil geven.
[dia 7] 2. Verwacht het niet van mensenkracht
Ezra had tegen de koning gezegd dat zijn God zo’n goede en grote God was. Een God die bescherming biedt aan allen die zijn hulp vragen, maar zijn hevige toorn treft allen die zich van Hem afkeren. Hij had hoog opgegeven van zijn God, en dat kun je nooit genoeg doen. Maar toen kwam het moment van vertrek en kwamen de gevaren van de reis op hem af. Hij dacht aan de vijanden, dacht aan de rovers, dacht aan de gevaren. De grote schatten die ze bij zich hadden. Maar nu durfde hij de koning niet om een legermacht en om sterke paarden met ruiters te vragen. Hij schaamde zich ervoor om dat te doen. Als Hij dan geloofde in God, dan zou God hem toch ook beschermen. Daarom vraagt hij niet de koning om hulp, maar zijn Vader in de hemel, de machtige God. Juist daarom roept hij dat moment van bidden en vasten uit.
Maar zou het dan verkeerd zijn om een escorte te vragen? Is het verkeerd om toch maar voor je reis een verzekering af te sluiten? Om schepen die langs een gevaarlijk punt varen extra uit te rusten met wapens? Om allerlei maatregelen te nemen voor je veiligheid? Ik denk dat je vanuit de bijbel wel aan kan wijzen dat God ons ook zelf verantwoordelijk maakt. Dat je ook medicijnen mag nemen, een gordel omdoet en verzekeringen afsluit. Maar wat Ezra hier laat zien is wel een groot vertrouwen in God. Het gaat hier om spullen voor zijn tempel, voor zijn huis, geld om die tempelbouw te ondersteunen, priesters en levieten. Zou God deze dan niet juist ook beschermen? Hij stelt zijn vertrouwen op de Here en legt het lot in zijn handen.
Dat wil niet zeggen dat als wij goede dingen doen het wel goed zal gaan. Dat ds. Dunnewind niet bang hoefde te zijn toen hij naar Indonesië vloog, want hij ging toch voor het goede doel. Of dat je onderweg naar de kerk niets kan gebeuren. We kunnen op allerlei manieren te maken krijgen met onheil. Maar, laat Ezra zien, laten we niet vergeten dat Here te bidden om zijn bescherming. Uiteindelijk moet alles van Hem komen. Hij is het die ons echt kan helpen.
Ezra riep op tot een vasten. Een bepaalde tijd niet eten. Ze voelden zich lichamelijk zwak en kregen trek. Ze lieten iets staan, juist om te laten zien hoe ze van God afhankelijk waren. Ook vandaag kun je daar nog voor kiezen. Het is een manier om je te verootmoedigen. Juist door af te zien van andere dingen, je te richten op God. Ervaren hoe afhankelijk je als mens bent van zijn zegen.
[Dia 8] Hij roept op tot verootmoediging [neerbuigen, kleinmaken]. Ik vind wel mooi dat dat woord hier bij het vasten staat. Want dat is eigenlijk de basishouding die ons in de hele bijbel geleerd wordt. Als kleine mensen komen we bij God. Als mensen die zo kwetsbaar zijn. Die een korte tijd hier op aarde leven. We komen als zondige mensen. En uit onszelf zouden we niets hoeven te verwachten: maar juist als je dat tegen God zegt. Als je niet zelf zegt: ik doe dit en dat en ik ga dat wel even maken en doen en dan ga ik daarna nog wel even dat fiksen en maken. Als je dat niet zegt: maar als je zegt: Here, machtige God, wilt U mij helpen, wilt U mij leiden, wilt u mijn kinderen beschermen en zijn met degenen die zwak en oud zijn. Wilt u de zieken omringen met U zorg, dan heb je de juiste basishouding voor het gebed te pakken. Op zo’n manier mag je alles in Gods handen leggen. God toornt op degenen die trots hun eigen wegen gaan (denk bijvoorbeeld aan de ballingschap!), maar Hij is dankbaar als we ons vol vertrouwen aan Hem overgeven: als we niet eigen wegen gaan, maar de weg die Hij wijst. Als je de bijbel opendoet. Als je elke nieuwe week weer naar zijn huis komt om zijn zegen te ontvangen. Als je het zo niet verwacht van eigen kracht, maar van de zegen van de Heer!
[dia 9] 3. Geloof dat Hij je verhoort. Ezra schrijft op dat de Here hem verhoort. Hij zegt het al in vers 23, en inderdaad in vers 31 komen ze veilig in Jeruzalem aan. Vier maanden zijn ze onderweg geweest, van april tot augustus 458 BC. Een lange reis. Dan rusten ze eerst drie dagen uit. En dan worden de schatten gegeven aan de tempel. Dan kan de tempeldienst nog beter verricht worden. Dan kunnen de offers gebracht worden. Wat een blijdschap zal er geweest zijn. God had een behouden reis gegeven. God had hun plannen doen slagen. God had hun gebed verhoord. Ze bleven gespaard voor vijanden en struikrovers.
Toch gaat het zo vaak anders. Je bidt de Here oprecht. Je vraagt of God je wil helpen, je bidt om bescherming. En dan gebeurt er opeens dat verschrikkelijke ongeluk. Dan horen we over een vliegtuig dat neerstort. Dan komen er mensen om in oorlogsgebieden. We dragen onze kinderen op aan de Here, maar dan is er soms plotseling die pijn van een overlijden, soms al in de moederschoot. Soms worden zelfs opzettelijk jonge kinderen gedood door een abortus. Wat een ellende is er in deze wereld. Soms bid je om goede uitslagen en krijg je een moeilijk bericht te verwerken.
Ezra was op weg naar Jeruzalem. Waarom? Om de tempeldienst weer in ere te herstellen. Maar wat trof hij aan? Een vrederijk? Een land waar alles goed was? God die dicht bij de mensen woonden? Hij trof een afvallig volk aan, die God vergaten waren, de stad Jeruzalem lag open voor de vijanden en hij en Nehemia en Maleachi hadden nog heel wat woorden nodig om het volk op God te wijzen. De reis was veilig geweest: maar het doel was nog niet bereikt. Een nieuwe wereld was er niet gekomen.
Het doel lag nog verder: doordat Jeruzalem en de tempeldienst er waren, kon de grote Zoon van David komen. Hij die kwam met de boodschap van zijn koninkrijk. Van het vrederijk. Hij die zelf ‘de tempel’ was en het kwaad zou overwinnen. God verhoort! Dat geloof ik zeker. Hij gaf zijn Zoon om een nieuwe hemel en nieuwe aarde mogelijk te maken. Je mag veilig schuilen bij Hem. En wie zo op weg is naar dat grote doel, die kan hier op deze gebroken aarde nog veel mee maken. Komt soms voor moeilijke vragen te staan, ziet dat het leven hier soms zo gebroken is. Toch mag je weten dat door Christus het echte doel van de reis vastligt. Mag je je daar aan vasthouden, hoe je ook aangevochten kan worden. Want God zal zeker zorgen dat wij veilig aan zullen komen bij het nieuw Jeruzalem. Hij heeft geen rustige reis belooft (en dat maakt soms onrustig en boos), maar Hij zegt wel: Ik hoor en ik verhoor. Ook in de diepste duisternis ben ik nabij. Mijn hand zal je veilig leiden. Vouw je ook je handen, verootmoedig je en laat je ze dan omsluiten door mijn Vaderhanden? Ik zal je op jou reis veilig leiden! Amen

Liturgie zondag 24 augustus 2014 – 13.30u en 15.30u

Welkom en mededelingen; Votum en zegengroet (staande)

Zingen Lied 477 (Geest van hierboven, staande)

Gebed

Lezen Ezra 7:1-10, 8:21-23 en 31-36

Zingen Ps 126:1 en 3

Tekst Ezra 8:21-23

Preek

Zingen Ps 146:1,2,3,8

Geloofsbelijdenis van Nicea (staande)

Zingen Gz 141:1 en 3 (Dankt, dankt, staande)

Dankzegging en voorbede

Collecte / Zingen Ps 34:8 (Aangekondigd na collecte, staande)


Psalm 147 – Ontdek de goedheid van Gods almacht (‘Vakantiepreek’)

juli 14, 2014

Preek gehouden in Heemse en Assen-Marsdijk, 13 juli 2014
Tekst: Psalm 147; Lezen Lukas 12:22-32

Geliefde gemeente van onze Heer Jezus Christus,
[dia 1] Het is midden in de zomer, heel wat mensen zijn met vakantie. Het zou zomaar kunnen dat u hier op vakantie bent en daarom deze dienst bezoekt.
Vakantie is een tijd van ontspanning, van tot rust komen, soms in een andere omgeving. Sowieso is de zomer een tijd met langere dagen, meer licht, beter weer om buiten te zijn. Wat is het geweldig als je juist ook in de natuur mag merken dat God om je heen is. Mij spreekt dan het lied ‘In bergen en in dalen’ enorm aan. God hoort de jonge raven, bekleedt met gras het dal, heeft voor elk schepsel gaven, ja, zorgt voor het gans heelal. Fijn als je kan genieten van het de aardappels en het mais op de velden, van de koeien en de paarden, de bloemen en de imposante bomen vol in blad, de ooievaar, buizerd of aalscholver. Van jonge konijnen die door het veld huppelen, jonge vogels die het nest verlaten hebben. Van de natuur hier in de omgeving. Wat toont God daarin de goedheid van zijn macht.

[dia 2] Toch is vakantie niet alleen een mooie tijd. Het kan ook een moeilijke tijd zijn. Opeens breng je veel meer tijd met elkaar door. Als er haarscheurtjes in het huwelijk zitten, worden ze opeens extra zichtbaar. Wanneer je als jongere niet lekker in je vel zit, heb je nu extra tijd om daaraan te denken. Het kan zijn dat als je niet naar school hoeft, je je verveelt als jongen of meisje. Ik sprak van de week iemand die zei: juist op zondag mis ik mijn echtgenoot zo, op de rustdag. Hoeveel meer dan nog als het vakantietijd is. Als je er anders op uit zou gaan of samen dingen zou ondernemen. Wat moeilijk als anderen weg kunnen gaan, en je zelf de financiële middelen niet hebt. Als je je eenzaam voelt. En ja: als je zo de moeiten ziet die er kunnen zijn, is God dan wel zo’n trouwe Vader en zijn zijn trouwe Vaderogen mij wel nabij? Is God er wel? Zorgt Hij wel voor mij?

[dia 3] Psalm 147 is een psalm die vol is van de lof van de Heer en een weg wijst hoe we met Hem door het leven mogen gaan. Hoe we Hem mogen loven om zijn grootheid, maar ook hoe we als het moeilijk is mogen blijven steunen op zijn goedheid en trouw.

Ontdek de goedheid van Gods macht!
1. Sta open voor zijn werk (vs. 7-9)
2. Verwacht het niet van mensen (vs. 10)
3. Hoop op zijn trouw (vs. 11)

[dia 4] 1. Sta open voor zijn werk
In Psalm 147 buitelen de beelden uit Gods goede schepping over elkaar heen. Het is bijzonder want eigenlijk is het een psalm die gemaakt is voor de opening van de tempel in Jeruzalem. De priesters, de leiders, de levieten zullen bij elkaar gestaan hebben om te vieren dat de verwoeste stad weer opgebouwd is. Vers 2 zegt: ‘De bouwer van Jeruzalem is de Heer, Hij brengt de ballingen bijeen.’ Dit is een psalm die uit twee delen bestaat, in sommige vertalingen zijn het ook twee psalmen. Maar wel twee psalmen vol van vreugde over de herbouw van de tempel. Vers 12 zegt: De poorten van Jeruzalem zijn weer geplaatst, het volk is veilig binnen de muren. Wat zijn ze blij: ze hebben een moeilijke tijd doorgemaakt. Alles was uit handen geslagen, er was geen toekomst meer. Het was oorlog geweest, lijken lagen op de staten, gewonden werden verpleegd. Zelf hadden ze misschien nooit durven hopen ooit hun vaderland weer te zien. Ze hadden in dat vreemde land gewoond, het huidige Irak. Ver van de tempel, ver van het beloofde land, gestraft en weggestuurd door God.
[dia 5] Maar ze zijn weer terug! God heeft de nederigen opgericht, de diepe wonden verzorgd en wie gebroken was genezen. God heeft omgezien naar zijn nederige volk. God heeft gedacht aan zijn genade! De Heer heeft uitkomst gegeven. En dan gaat de dichter nog een toon hoger zingen. Hij zegt: wat is die bevrijdende God toch een geweldig grote God. Want waar de mensen in Babel het misschien van de god van de sterren verwachten, waar zij de donder en regengod vereerden, waar ze daar vertrouwden op hun machtige paarden en de kracht van mensen: mogen wij geloven in de God die alles gemaakt heeft en voor alles zorgt.
Hij heeft het getal van de sterren bepaalt. De sterren die Abraham niet eens kon tellen. Op een mooie zomernacht als je over de camping loopt en het is helder: probeer ze maar eens te tellen. Het lukt ons niet. Maar God telt ze niet alleen, Hij kent ze zelfs allemaal bij naam. Hij is oppermachtig. Zijn inzicht is niet te meten.
Soms zie je de sterren niet. Dan is de hemel met wolken bedekt. God is het die dat doet. Wat zijn er veel verschillende luchten mogelijk: sluierwolken, schaapjeswolken. Zo’n geweldige wolk als de zon al onder is, maar de wolk nog beschenen wordt. Donkere wolken die aan het eind van een warme dat het onweer aankondigen. God bedekt de hemel met wolken: die wolken zijn geen aparte ‘god’ of ‘macht’. Nee, God leidt en stuurt ze. Daardoor kan er ook regen komen. In de vakantie misschien niet altijd fijn, maar in Israël zaten ze er vaak op de wachten. Ze smeekten God soms om regen. De aarde die openscheurde van de droogte, had zo hard vocht nodig. Maar wat geweldig als regen of dauw er weer voor zorgen dat het gras weer kan groeien. In het lied in bergen en in dalen wordt het dal bekleed met gras, maar in onze psalm juist de bergen.
Wat kunnen de bergen imposant zijn. Indrukwekkend. Je wordt er stil van. De macht die daaruit spreekt. Wat voel je jezelf dan klein. Maar God heeft ze neergelegd. God zorgt voor gras in de bergen, in de dalen, en ook in ons vlakke Nederland. Zo opent God zijn hand en krijgen de dieren weer te eten. God zorgt dus zelfs voor het gras op het veld, dat zomaar kan verdwijnen. Hij laat de mooiste bloemen bloeien: de lelies, de hortentia’s. Zelfs op plekjes waar bijna niemand komt groeien soms de mooiste bloemen, alleen tot eer van Hem.
[dia 6] Ook het roepende jong van de raaf krijgt te eten. De raaf die erom bekend stond dat hij snel zijn nest verliet en de jongen wel erg snel aan het lot overliet. De raaf, een vreemde alleseter. De onreine raaf die geen voorraadschuren had en niet ging ploegen of maaien. Deze vogel krijgt eten, zonder dat hij zich zorgen maakt. Zelfs zijn jongen krijgen meestal wel iets. Wat straalt God goedheid in de schepping.
Jezus roept je op om te kijken. Te kijken naar de raven. Hoe zij, zonder zich zorgen te maken, toch steeds weer eten hebben. Te kijken naar de bloemen in het veld. Die niet spinnen of weven, maar toch nog mooier zijn dan Salomo met zijn diamanten, hermelijn en pracht. Ik hoop dat u, dat jij steeds weer je ogen open mag hebben. Hoe vast je soms ook kan zitten in je leven, hoe moeilijk het ook kan zijn. Zie Gods grootheid, zie zijn almacht: Ik hoop dat dat je vertrouwen mag geven. Kijk maar, ook voor het gras, ook voor de vogels zorgt God. Zal Hij dan ook niet voor mij zorgen?
Sta open voor Gods werk! Daarvoor wil ik U in deze vakantietijd toch huiswerk meegeven. Sta niet alleen open voor de grootheid van de schepping tijdens je reis, die wandeling of fietstocht. Maar pak ook eens heel bewust je bijbeltje, doe hem in je rug of heuptas en ga eens op zo’n mooi punt: aan de oever van de Vecht, op een open plek in het bos en bij dat mooie uitzichtpunt. Lees een paar verzen uit de bijbel. Hoor wat God tot je wil zeggen! Stel je open voor God. Ontdek de goedheid en grootheid van zijn macht: juist ook in de schepping.

[dia 7] 2. Verwacht het niet van mensen
Dat is allemaal mooi en aardig, die natuur, die grootheid van God, zal je misschien denken, maar wat nu als ik dat juist mis. Als ik niet gezond ben, als ik een moeilijk bericht gehad heb, als ik al jaren tob met een probleem, als ik vast dreig te lopen en er niet meer bovenuit kom. Als ik last heb van psychische moeite en als mijn leven niet zo gaat zoals ik gehoopt had.
Is God er dan wel? En is Hij dan wel zo machtig? Jezus zegt: maak je geen zorgen. Ik hoef niet bezorgd te zijn voor de dag van morgen. Niet benauwd te zijn. Maar het punt is dat ik dat ik dat juist wel vaak ben. Waarom gaat God deze weg met mijn leven? Waarom krijg ik geen tweede kans? Wat kan er een pijn zijn als je ouders gescheiden zijn of als je onrecht is aangedaan. Als God er is in bergen en dalen, is Hij er dan ook in mijn dal, als ik bitter lijd? Hij zorgt voor heel het heelal, maar zorgt Hij ook voor mij? Is die goedheid van zijn macht wel zo goed? Het kan zomaar zijn dat je daardoor aan het twijfelen raakt. Een twijfel die verder kan gaan dan zomaar wat vragen aan God. Kun je wel in Hem geloven? Heb ik wel reden om in hebben te blijven geloven?
Het zijn hele moeilijke vragen. Vragen die als ze aan mij gesteld worden tijdens een gesprek ook vaak onbeantwoord blijven. Sorry, het spijt me, soms weten we het niet. Hoe moeilijk dat ook is. We kunnen niet in Gods plan of raad kijken. Soms kan ons hart daardoor enorm gekwetst en gebroken zijn.

Toch wil dat dan niet zeggen dat als wij zulke vragen hebben en verdrietig zijn, dat God er dan niet is en ons maar alleen laat. Ook in de duisternis, zijn zijn trouwe vaderogen ons ook nabij. Hij weet hoe moeilijk het kan zijn in het menselijk leven. Jezus zegt: maak je geen zorgen voor de dag van morgen. Dat zegt Hij juist omdat Hij weet hoe het in ons zit om ons zorgen te maken. Om tegen de dingen op te zien. We lijden vaak het meest door het lijden wat men vreest. Maar ook als wij ons zoveel zorgen maken, als we niets voelen of begrijpen van God, is Hij trouw. Verwacht het niet van mensen; ook niet van je eigen gevoel of redenering. Wat kunnen wij er soms maar weinig bij.

God wijst in Psalm 147 dan ook duidelijk aan wat niet helpt. Waar Hij niet blij mee is en wat Hem geen vreugde geeft. Het geeft God geen vreugde, (vers 10): als we het van mensen gaan verwachten. We kunnen ons zomaar afhankelijk voelen van mensen. Dat wij een oplossing kunnen brengen. Dat de krachtige paarden wel kunnen helpen in de strijd, of dat je het verwacht van spierbundels. Van de wijsheid van artsen, van de medicijnen van de psychiater, van de inzet van de minsterpresident. Maar dat geeft God geen vreugde. Niemand is in staat om zelf, door zich in te spannen, zorgen te maken, ook maar een minuut aan zijn leven toe te voegen. Wie God verlaat en besluit het zelf te doen. Zelf verder te gaan: die komt uiteindelijk pas echt bedrogen uit.

Maar wat zouden we zelf soms graag antwoord willen hebben. Zo ook Job. Hij die zoveel moeite in zijn leven kreeg. Alles werd hem afgenomen. Hij bleef alleen achter. En zelfs zijn gezondheid raakte hij kwijt. Wat had hij het er moeilijk mee. Hij bracht zijn vragen naar God. Dat mag je ook doen in de nood. Maar uiteindelijk krijgt hij met zijn verstand geen antwoord. Dan houdt God hem zijn grootheid voor, en mag dat Hem rust geven: 31 Kun jij de Plejaden aan banden leggen of de ketenen van Orion losmaken? 32 Kun jij de dierenriem op tijd laten schijnen? 34 Kan jouw stem de wolken bevelen om je met hun regenvloed te bedekken? 41 Wie verschaft de raaf zijn voedsel, wanneer zijn jongen God aanroepen, wanneer ze zonder voedsel rondzwerven? (Job 38). God laat zien dat Hij zoveel groter is dan ons. We kunnen zelf niet altijd een oplossing vinden, anderen kunnen ons niet helpen en ons verstand is soms te klein, daarom verwacht het niet van mensen, maar …

[dia 8] 3. Hoop op zijn trouw. God vindt er vreugde in, als je Hem eert. Als je hoopt op zijn liefde en trouw. Dat is het laatste vers waar we op letten (vers 11). Zo zullen we het straks zingen: God zal zijn met degenen die met hun harten voor Hem open, op zijn genade en liefde hopen. Juist wie eerst de grootheid van God heeft ontdekt, maar vooral ook de liefde in Jezus Christus, mag ook in de moeilijke tijd, hopen op Gods trouw. Geloven dat God ook het koninkrijk zal brengen. Daarom zegt God het ook: Leg je hand maar in mijn hand.
Daarom zegt Jezus: maak je geen zorgen voor morgen. Elke dag is er weer het eigen kwaad. Zijn er de moeilijke dingen. God weet het. Hij is erbij. Jezus is zelf gekomen om dat kwaad op zich te nemen. Hij stierf als de machtige zoon van God, de Zoon va God die alles kan, aan het kruis. Hij leed in de duisternis. Het werd donker. Hij droeg de pijn. Wat was Hij eenzaam en verlaten! Juist om daarmee ons vrij te kopen van het oordeel. Van het kwaad van elke dag. Zo groot is Gods trouw dat Hij zijn eigen zoon gaf. Hoe groot is zijn trouw! Hij bracht eens de ballingen thuis, en zal ook u, jou en mij eens redden en thuis brengen.
Geloof en vertrouw maar dat de Vader van Jezus Christus, de machtige Schepper ook jouw leven zal leiden. Soms kost dat strijd. Soms geeft dat vragen. De raaf die door God gevoed wordt, krijgt zijn eten ook niet rechtstreeks uit de hemel. Hij moet wel vliegen naar de plaatsen waar het voedsel is. Maar hij vindt het en krijgt het. Zo schakelt God ons is: want ik hoop dat je als je de tijd neemt om Gods woord te lezen, je open te stellen voor zijn grootheid, je dat ook doorvertaalt naar je leven: dat het je zo vult met Gods liefde en trouw dat je kracht krijgt om liefdevol met je man of vrouw, zoon of dochter om te gaan. Dat je als jongere of kind weet hoe kostbaar je bent en dat je er mag zijn. Dat je ook ontdekt wanneer je op de verkeerde weg bent en hun haalt toeroept aan een leven puur voor jezelf of in haat en wrok met de ander. Dat je ook in de vakantie nadenkt over hoe je in het leven wil staan: Leef je voor het hier en nu. Dat je steeds rijker, mooier en beter wordt. Nog een stapje in je carrière. Of zoek echt eerst het koninkrijk van God? We moeten niet blijven steken in het leven hier: steeds een mooiere auto, een mooier huis, een mooiere vakantie. We mogen dromen van een toekomst die daar nog ver bovenuit gaat. Want wie Jezus ontdekt als zijn verlosser. Wie zijn kwaad en zonden bij het kruis brengt, en zijn vergeving ervaart. Wie geraakt wordt door die grote liefde van onze Schepper, die gaat heel anders in het leven staan. Dan wordt je bij tegenslag geduldig, en bij voorspoed dankbaar. Psalm 147 zegt: je mag God gaan eren en hopen op zijn liefde en trouw. Dan leef je voor hem. In goed contact met je naaste. Dan geef je God alle eer. Laten we Hem ook danken voor alle fijne en goede momenten van samenzijn, samen eten en samen leven. En als je dan samen eet, barbecuet, samen bent: dank dan ook de Heer. Prijs Hem met een lied!
Laat zo de zomertijd een tijd mogen zijn waarin we met blijdschap God prijzen voor zijn werken, waarin we weer bepaald worden bij waar we echt voor gaan in het nieuwe seizoen en vooral … dat we steeds meer leren vertrouwen, niet op onszelf, maar op onze trouwe Heiland Jezus Christus. Hij is trouw, laten wij bidden dat we trouw zijn aan Hem! Amen.

Liturgie Heemse 13 juli 2014
13.30u en 15.30u, ds. D.S. Dreschler

Welkom en mededelingen
Gezongen votum, zegengroet en gezongen amen (staande)
Zingen Psalm 147:1 en 4: Lof zij de Heer! Goed is het leven, als we met elkaar God prijzen!
Gebed
Lezen Lucas 12:22-32
Zingen Gz 38:1,2,3 en 4 (Zoek eerst…, canon)
Lezen Ps 147:1-11 (Tekst Ps 147:7-11)
Preek
Zingen Gz 166 (Op bergen en in dalen…)
Apostolische Geloofsbelijdenis (staande)
Zingen Ps 147:3 en 7 (staande)
Dankzegging en voorbede
Collecte
Zingen Ps 33:3 en 8 (staande, aangekondigd na collecte)
Zegen en gezongen amen (staande)


Genesis 6-8 – God is trouw en zal trouw zijn! (n.a.v. Noah, de film)

juni 30, 2014

Preek gehouden in Heemse, 29 juni 2014
Tekst: Genesis 6-8

Geliefde gemeente van onze Heer Jezus Christus,
En kijk, het is slecht. God had de wereld gemaakt, en Hij zag dat alles goed was. Maar nu beginnen we te lezen over Noach en dan ziet God dat alle mensen op aarde slecht zijn. Lamech gaat tekeer, slaat mensen neer, het huwelijk is ontwricht. De mensheid is rijp voor vernietiging. Er is geen houden meer aan. Door de film dringt het nog meer tot je door wat het betekent dat het slecht was op aarde. 1. Het kwaad is diep doorgedrongen.
Jongens en meisjes, als je zou denken: mooi er is een film over Noach, ik hoop dat mijn vader en moeder hem straks kopen of huren als hij in augustus op DVD uitkomt, dan moet je ik je toch een beetje teleurstellen. Het is een heel mooi verhaal, er zijn veel boekjes over en zelfs van playmobil heb je een ark. Want het is schitterend om te weten dat God Noach en zijn gezin gered heeft in de ark. Dat ze mochten blijven leven, dat de dieren in de ark gingen en er weer uit. Maar waarom moesten ze in de ark? Omdat de mensen op aarde zo slecht waren. Ze gebruiken geweld, slaan elkaar neer, schelden en schreeuwen. En omdat ze dat ook gefilmd hebben, heeft de film als kijkwijzer 12+ gekregen.
Mensen zomaar doodgeslagen, verkracht, in massagraven gelegd. Ze schelden en willen macht hebben. Maar het verdrietige is: ook na deze zuivering blijft het kwaad in de wereld. Ook Noach is niet volmaakt goed. De slechtheid zit in de mensen zelf: want in de ark zal ook wel eens ruzie zijn geweest, en Noach die genade vond bij God, ligt na de vloed dronken in zijn tent. Het kwaad ging met Noach de ark in. God concludeert aan het eind: Alles wat de mens bedenkt van zijn jeugd af aan is slecht (Gen. 8): al zegt God wel: Ik ga de wereld niet meer vervloeken, zoals ik gedaan heb.
Ook vandaag kun je die slechtheid nog zien. Oorlog in Syrië, straffen in Sudan, corruptie bij de banken, woninginbraken en bedreigingen. Op facebook zie je hoe iemand voor de lol wordt neergetrapt door een jongere. Wat is er veel kapot in de schepping. Maar laten we vandaag allereerst naar onszelf kijken, aan de hand van de wet: Hoe ga je zelf met je medemens om? In hoeverre doen we hem recht? Hoeveel wordt er niet kapot gemaakt door huiselijk geweld. Zelfs als je het goede probeert te doen, breekt het je bij de handen af. Die verdorven wereld van Lamech is als een spiegel voor jezelf: zou God wel reden hebben om mij te redden, durf ik echt eerlijk naar mijn leven te kijken?

Maar wat een geweldig nieuws is dan dat de Bijbel zegt: Noach vond bij de Heer genade. 2. Toch klinkt er een boodschap van redding. God maakt aan Noach bekend dat Hij inderdaad de aarde gaat straffen, maar dat hij de opdracht krijgt om een ark te bouwen. Hij en zijn gezin zullen gered worden.
Het is bijzonder dat Noach de stem van God kon horen. Zo horen wij dat vandaag niet meer zo direct. Juist als je een film maakt is het de vraag hoe je dat ook goed in beeld brengt. Maar de film gaat daar heel eerbiedig mee om. God wordt niet afgebeeld en je hoort Hem niet spreken. Wel zie je dat Noach tot de overtuiging komt dat God de aarde gaat verwoesten, niet door vuur, maar door het water. Daarom moet hij de ark gaan bouwen. Hij gelooft Gods boodschap. Hij neemt Gods woorden aan. Een waanzinnig project, waarvoor de mensen uit zijn tijd hem ook wel voor gek zullen hebben verklaard. Maar hij geloofde, zoals Hebreeën zegt. Hij werd de heraut van de rechtvaardigheid ((2 (Petrus 2:5). Hij wist dat je maar niet gewoon door kon gaan, maar dat God een weg van redding opende en dat je die dan ook moet gebruiken.
In die zin is Noach ook niet degene die de wereld redt, het is God die door het oordeel heen zijn genade toont. Hij schakelt Noach in om de wereld te redden. Maar Noach luisterde en ging aan het werk.
Ook vandaag kun je afvragen: hoe weet ik nu dat God bestaat? Hoe kan ik zijn stem horen? Hoe weet ik nu dat hij spreekt? Vandaag hebben we de Bijbel, het boek waarin God zich bekend maakt. Geloof maar dat God door de Bijbel tot je wil spreken. Geloof maar dat Hij zijn woorden tot je richt. Op zondag mag je die woorden horen door de dominee, die het uitlegt voor deze tijd. Maar alles staat en valt met geloof: geloof je de dingen die je niet kunt zien. Geloof je dat God ook jou roept om de ark binnen te gaan, om de redding aan te nemen? Vertel je zelf ook aan anderen dat God een keuze vraagt en dat je niet kunt zeggen: ik zie wel. Want eens zal het te laat zijn.
Noach vond genade in de ogen van de Heer! Niet omdat hij nu perfect was, maar hij leefde in verbondenheid met God. Hij geloofde Gods woord, al leek het zo vreemd en zo onwerkelijk. Geloof is soms ook moeilijk, maar ook voor jou is er redding! God gaf zijn eigen Zoon Jezus Christus als mijn redder. Die Zoon maakte Gods wil bekend. In de ark gaan betekent vandaag: schuilen bij Jezus Christus. Geloven dat Hij voor je zonden betaald heeft en dat Hij door zijn Geest je leven nieuwe wil maken. Gait Hakkers heeft die genade in zijn leven gevonden. Door Christus mag ook u, mag ook jij genade vinden in Gods ogen!

God redt Noach door de ark, zoals Mozes later in een arkje gered werd. Het is een immens bouwwerk wat Noach moet gaan maken. 135 meter lang, 22,5 meter hoog en 13,5 meter breed. Hij moet het maken van hout. Het hout moet in elkaar gevlochten worden. Het moet met pek bestreken worden. Bovenin komen openingen, voor licht en lucht, er komen allemaal ruimtes in en nesten in. Wie de film ziet komt onder de indruk van hoe groot dit geweest moet zijn, dat zal ook gebeuren als je in Dordrecht de ark gaat bekijken die daar nagebouwd is. 3. Door het oordeel heen word je gered.
Niet op alle vragen krijgen we een antwoord. Hoe heeft Noach dat voor elkaar gekregen? Zo’n grote ark, in die tijd? De film sluit aan bij het apocriefe boek Henoch: De wachters, enorme monsters helpen de ark te bouwen, Noach kreeg hulp van boven. Aan de éne kant kun je zeggen: wat een fantasie. Aan de andere kant: met de zondvloed is veel veranderd. Van de tijd van de voorgeschiedenis, van de giganten, van dat mensen honderden jaren oud werden gaan we over naar de tijd dat God zijn levensgeest terug neemt.
In de bijbel lezen we dat de dieren dan naar de ark toekomen. Wie is er wel eens in de dierentuin geweest? Zoveel dieren, in zoveel hokken. De aap en de giraf, de zebra en de leeuw, de slang en de eekhoorn, het schaap en de duif, de slang en de kameleon. Hoe kwamen die dieren in de ark, hoe kregen ze te eten, wat moesten de vleesetende dieren eten, hoe kon er goed voor die dieren gezorgd worden. Vragen waarbij je het gaat duizelen. Vragen waar de bijbel ook geen antwoord op geeft. De filmmaker laat het wel heel mooi zien: de dieren stromen samen, komen allemaal. Er is iets in hun dat hun naar de ark toedrijft. En hij fantaseert dat ze in de ark worden ze bedwelmd. Ze houden een soort winterslaap.
God zorgt voor de dieren … maar de mensen moeten zelf komen. Nog één keer klinkt er dan in de bijbel de aankondiging: nog een week en de vloed zal komen. Maar ook dan komen de mensen niet. God zelf sluit de deur. Van boven en van onder komt het water. Wat een immense watervloed. Maar wat een vernietiging: de deur is dicht. Mensen die in de ark willen komen, kunnen niet meer gered worden. Dan is het echt te laat. Er mag zelfs geen touw uitgegooid worden om de mensen toch nog te redden. Wat een vreselijke straf. Wat een oordeel. Een oordeel dat we allemaal hadden moeten ondergaan, als we geen genade in Gods ogen hadden gevonden.
Elke keer klinkt bij de doop een verwijzing naar Noach. God had hem gered, slechts acht zielen. De doop verbindt ons aan Noach. Want wie gelooft zegt: ik ga de ark in. Ook ik ga dood door de zonden, wordt met Christus begraven in het graf. Maar ook ik mag met hem gered worden. Hij is het die echt het graf is ingegaan. Hij spartelde reddeloos in onze doodszee en verdronk. Het woord ark betekent ook wel ‘doodskist’. Je laat je eigen leven los. De regen en de vloed komen. Je kunt het zelf niet meer redden. Wie zich zo nu toevertrouwt aan Christus, mag veilig zijn. Mag uitzicht hebben op het eeuwige leven. Want eenmaal komt Hij terug en dan zal het zijn als in de dagen van Noach: plotseling zal er een nieuwe hemel en nieuwe aarde komen.

Het regent, het regent, het regent. Veertig dagen lang. Het water stijgt tot boven de hoogste bergen. Maar de vloed gaat maar niet als maar door, maar door de Geest, door de wind van God komt het water tot rust en wordt het weggeblazen. Nog een tijd lang dobbert de ark op het water. Maar plotseling knalt de ark op een berg. Op de berg Ararat komt de ark tot rust. Wat een klap moet dat gegeven hebben. Noach stuurt de raaf en de duif uit. En het is maar een klein zinnetje, maar wat een geweldig nieuws: De duif komt niet meer terug. De aarde is weer bewoonbaar! 4. Want God is trouw en zal trouw zijn!
En dan zullen de dieren uit de ark gegaan zijn. Indrukwekkende beelden in de film dat een aapje een jong heeft, dat er een jong hertje wordt geboren, een jonge vogel die gevoed wordt. Dat Gods goede schepping toch voort kan gaan. God heeft de aarde niet losgelaten, maar zijn trouw is groot.
En die trouw vertaalt zich ook naar de mensen toe. God sluit zijn verbond. Hij zal zelf zorgen dat regen en droogte elkaar opvolgen. Hij zorgt ervoor dat na de lente de zomer komt. Laten we zo ook leren om naar de natuur en schepping te kijken: niet alleen dat het mooi gemaakt is, maar vooral ook het wonder dat God het bewaart heeft, dat we vanuit Gods genade toch nog hier kunnen leven en dat niet alles verwoest is.
Waar het verhaal van de schepping uitloopt op de zevende dag van rust, loop de geschiedenis van Noach uit op het offer. Noach heeft stenen opgestapeld. Een rein dier geslacht. De reuk stijgt op naar boven. Het offer is voor God aangenaam. God toont zijn trouw en gaat verder. De boodschap van de film is dat we goed voor de schepping moeten zijn en vooral dat de mens steeds weer een nieuwe kans krijgt. Je kunt kritiek hebben op de Holleywoodachtige scene in de film, waarbij geweld is. Vooral ook over wat er allemaal verzonnen is over wat er in de ark gebeurd. Maar ik hoop dat je vooral ziet dat de geschiedenis met Noach meer is dan dat de mensen soms een tweede kans krijgt.
Want wat we vooral mogen ontdekken is dat God zijn verbond sluit. Hij zal trouw zijn aan wat Hij belooft. De aarde wordt niet meer vervloekt, eens zal in onze plaats Christus de vloek dragen. Zijn offer aan het kruis was voor God aangenaam. Hij zorgt ervoor dat er straks een echt volmaakte wereld zal komen. Hij roept je op om nu te leven vanuit zijn geboden en met zijn beloften. Om niet in geweld, maar in liefde te leven. Je bent soms zomaar ontrouw aan Hem, maar elke keer als de regenboog in de wolken staat mag je het weten: God denkt aan ons. Hij is trouw, dus laten we trouw zijn aan Hem! Amen

 

liturgie Heemse

Welkom en mededelingen

Gezongen votum, zegengroet en gezongen amen (staande)

Zingen Ps 106:1 (staande)

Wet (tien geboden + tien beloften)

Zingen Gezang 156: Heer, ik kom tot U.

Gebed

Lezen Genesis 4:19-24

Lezen Genesis 6:11-7:1; 7:17-8:5; 8:20-22

Zingen Gezang 2 (het water steeg wel hoog)

Tekst Genesis 6:5-8

Preek

Zingen Psalm 124

Gebed

Collecte (Herstel mijn eerste liefde, beamen en zingen)

Zingen Gezang 111 (Jezus leeft in eeuwigheid, staande, aangekondigd na collecte)

Zegen en gezongen amen (staande)

[Sela ‘Ik zal er zijn’ past ook schitterend bij deze preek!]

 


Jozua 2 – De rode draad: Rachab

december 15, 2013

Preek gehouden in december ’13 te Heemse

 

Geliefde gemeente van onze Here Jezus,

Ziet u wel eens ergens tegenop? Dat je je zorgen maakt en een beetje gespannen bent over hoe het zal gaan?

Bijvoorbeeld of het economisch goed zal gaan en we ook de komende jaren genoeg geld zullen hebben om eten en kleren te kopen en om je huis te betalen. Hoe het moet met je studie. Misschien maakt u zich wel zorgen over hoe het verder moet als u ouder wordt, of misschien ziek bent.

Soms kun je door zorgen ook helemaal door in beslag genomen worden: dat je slecht eet, of dat je ’s avonds niet in slaap kunt komen omdat je er over ligt te piekeren, of juist ’s morgens vroeg wakker wordt en de slaap niet meer kunt vatten.

            Hoe ga je dan met die zorgen om en hoe vind je daar toch rust bij?

Dat zijn vragen die in de preek centraal staan. Niet dat ik nu een psycholoog ben die kan vertellen hoe je goed met spanning om moet gaan. Maar we willen vandaag erop letten hoe God vertrouwen wil geven. Hoe je mag zien op zijn werk, toen bij Jericho, bij Rachab en het volk Israël.

Dan zie je hoe God is, en hoe Hij mensen wil leiden en helpen.

Hoe Hij zorgt dat de rode draad verder gaat.

            De rode draad: God wil vertrouwen geven

1. aan mensen met weinig vertrouwen       

2. via Rachab die vertrouwt op God

3. want Gods werk geeft vertrouwen

De mensen die met Jozua voor het beloofde land staan, maken zich ook veel zorgen. Misschien maak jij je druk over je huis of over je kleding, nou in de tijd van Jozua hadden ze nog wel grotere dingen aan hun hoofd. Ze maakten zich eigenlijk druk om hun hele leven: nu woonden de Israëlieten als zwervende stammen in de woestijn: zouden ze ooit in dat mooie land komen? Zouden ze ooit de kracht krijgen om Jericho, de sleutelstad, in te nemen, met de hoge muren?

[Dia 3]             Ja, de Israëlieten zijn bezorgd. Daarom sturen ze eerst nog maar verkenners. Ze gaan niet binnen drie dagen op pad, zoals de opdracht was. Eerst nog goed kijken hoe het daar is. Ze gaan niet zomaar de strijd beginnen. het laat iets van hun aarzeling zien.

            Jozua stuurt ze in het geheim. Hij wil voorkomen dat de mensen straks weer net zo bang zullen worden als toen de 12 verspieders terugkwamen. Die vertelden over de mensen in sterke steden en de enorme reuzen. Bij tien van de twaalf zonk toen de moed in de schoenen: toen hebben ze zich zoveel zorgen gemaakt, dat ze zelfs het land niet in durfden gaan, op Jozua en Kaleb na. Veertig lange jaren had het volk toen in de woestijn rond moeten zwerven.

           

Het is halfdonker, het loopt tegen de schemering. Twee figuren maken zich los uit de duisternis. Ze zoeken een plek waar ze de rivier over kunnen steken. Ze kijken schichtig om zich heen, of niemand ze ziet. Ze zijn ondertussen op vijandig gebied: als gepakt worden, zijn ze eraan. Ze gaan nog snel de poort binnen: midden in een vijandige stad. Waarom zoveel risico? Misschien zoeken ze wel een list om de stad in handen te krijgen. Zoeken ze naar een zwakke plek in de verdediging. Maar waar moeten ze in die wildvreemde stad naartoe?

Dan zullen ze een wat donkere herberg hebben gezien in de stadsmuur. Daar kunnen ze mooi de stad verkennen. Het is wel het huis van een prostitué. Zouden ze zich als Israëlieten zomaar in het huis van zo’n vrouw begeven? Toch doen ze het. Eigenlijk een hele slimme plek! Het zal niemand opvallen als twee vreemde mannen bij zo’n vrouw naar binnen gaan. Ze kunnen daar rustig overnachten en proberen van daaruit de stad te verkennen.

Maar helaas … ze zijn toch opgemerkt. Er zijn mensen die argwaan hebben geroken. De burgemeester van Jericho heeft te horen gekregen dat er verspieders zijn. Hij stuurt zijn manschappen eropuit. Zo komen ze ook bij Rachab de hoer.

[Dia 4] Snel brengt Rachab de mannen naar boven. Daar ligt vlas te drogen, flinke stapels, waar later linnen voor kleren van gemaakt zal worden. Daar verstopt ze de mannen. Maar dan wordt er weer op de deur gebonsd. De soldaten roepen: Rachab, wie waren die mannen? Snel rent Rachab naar ze toe en zegt: ik weet niet vanwaar ze kwamen en wie het waren. Maar ze zijn allang weg, ze zijn de stad uit gegaan. Zo leidt ze de soldaten op een dwaalspoor. De soldaten gaan weg en sluiten de poorten. Wat een landverraadster is Rachab op deze manier. Ze is niet trouw aan de stad. Ze is niet trouw aan haar vrienden en familie, nee, ze helpt zomaar de vijand. Wat een lef en durf moet zij daarvoor gehad hebben!

            Daarmee is Rachab wel het tegenovergestelde van de Israëlieten. Zij laat geen spoor van aarzeling zien. Hoe kan dat? Dat is een belangrijke vraag, ook voor nu. Zeker als je veel vragen hebt, als je weinig vertrouwen hebt. Kun je wel eens jaloers kijken naar mensen die zo vol vertrouwen zijn op God. Die zonder dat ze doen alsof, zich voor de toekomst geen zorgen maken, maar juist met opgeheven hoofd verder leven.

           

            [Dia 5] De rode draad: God wil vertrouwen geven

1. aan mensen met weinig vertrouwen 2. via Rachab die vertrouwt op God

Wat gaf Rachab de moed om te kiezen voor die mannen? Dat legt ze uit wanneer ze weer bij de mannen komt. Ze vertelt over hoe ze hoorde van de doortocht door de Schelfzee, hoe de machtige legers van de Egyptenaren door Gods hand verslagen werden. Hoe ook de Kanaänieten bang zijn nu de koningen van de Amorieten, Sichon en Og, verslagen zijn. Het volk beeft en siddert voor wat er komen gaat en is bang voor de God van Israël.

            Daarom zegt ze nu: Ik heb gezien dat de God van Israël de hoogste God is. Zo spreekt ze haar geloof uit in God. Rachab kiest niet zomaar voor de beste manier om te overleven. Ze is niet iemand die eerst uitzoekt waar ze het grootste voordeel kan halen: nee. Want dan zou ze wel voor de dikke muren van Jericho gekozen hebben in plaats van voor zo’n zwervend volk in de woestijn. Rachab GELOOFT: ze gelooft dat God de machtigste God is, en dat als op Hem vertrouwt, dat je dan niet beschaamd uit zult komen.

            Dat zegt ook de Hebr. 11,31: daar wordt zij genoemd in de lijst van de geloofshelden. “Door haar geloof ontving de hoer Rachab de verkenners gastvrij in haar huis en is ze niet met de ongehoorzame bewoners van haar stad omgekomen.” Haar geloof heeft haar behouden.

Dus als je vandaag ergens tegenop ziet of je zorgen maakt is het belangrijk om te geloven. Maar hoe doe je dat? Het is vaak zo moeilijk om te geloven. Het verhaal van Rachab laat zien hoe zij tot geloof kwam. Ze keek niet alleen naar wat voor ogen was, naar de dikke muren. Maar ze keek naar de wonderen die God had gedaan. Ze koos niet voor respect van de mensen om haar heen, maar koos voor God. Zo mag dat vandaag ook zijn: geloof in God krijg je niet vanzelf. Soms wordt het geloof zo op de proef gesteld: dat je misschien wel weet dat God bij je is, maar dat de teleurstellingen en moeiten maar niet weg gaan. Vertrouwen op God blijft ook niet vanzelf in moeilijke situaties. Daarvoor is het belangrijk dat je je blijft richten op de daden van God in de geschiedenis. Hoe Hij elke keer weer, ook in uitzichtloze situaties meegaat en nieuwe wegen opent. Kijk maar wat Hij deed in Egypte, in de woestijn. ‘Zo ik niet had geloofd dat in dit leven, mijn ziel Gods gunst en hulp genieten zou. Mijn God waar was mijn hoop mijn moed gebleven.’ Zo zingt David over het geloof en dat geloof mag elke keer weer hoop en moed geven. Dat gaf ook de moed aan Rachab.

            Want haar geloofsbelijdenis aan die mannen liegt er ook niet om. Ze komt net tot geloof, maar ze drukt al heel kernachtig haar geloof uit: ‘De HEER, jullie God, is immers een God die macht heeft in de hemel en op aarde.’ Ze gelooft dat God de Here is in de hemel, maar tegelijk ook dat je niet alleen voor je hemelse leven het van Hem hoeft te verwachten.  /// Ook in dit aardse leven mag je alles van Hem verwachten. God is een God in hemel en op aarde. Daarom bedingt ze ook dat zij en haar ouders, haar broers en zussen en haar familieleden gered zullen worden. Ze smeekt het af en sluit zo een verbond met de mannen, en zo met de God van Israël. Dat zij niet om hoeft te komen, omdat zij vertrouwt op de Heer.

            De spionnen beloven dat als zij het rode koord uit het raam zal hangen, dan wordt ze met haar familie gered. En dan laat ze die twee spionnen ook gaan via de rode draad van redding.         Rachab woonde op de muur. Vanuit haar huis liet ze door een raam de spionnen naar buiten zakken. Ze stuurde ze niet naar hun kamp, naar de Jordaan want daar zouden de mensen van Jericho zoeken. Ze werden de andere kant op, de bergen ingestuurd. Daar moesten ze drie dagen wachten en dan zouden de soldaten wel weer gestopt zijn met zoeken. Zo zie je dat Rachab niet alleen geloofde, maar dat ze ook deed naar haar geloof. Jakobus 2,25:Werd niet ook Rachab, de hoer, rechtvaardig verklaard om wat ze deed, toen ze de verkenners ontving en langs een andere weg liet vertrekken?’.           

            Misschien denkt u wel: ik heb helemaal niet zoveel zorgen, ik vertrouw wel. Maar het bijzondere van Rachab is dat niet alleen vertrouwde, maar er ook naar deed. Het is een spiegel voor jezelf: als God trouw is, ben ik zelf dan ook trouw? Dat je ook in je dagelijks werk, op school en in je vrije tijd laat zien dat je geloof niet alleen woorden zijn, maar dat je er ook echt naar wilt leven? Blijkt in de dingen die je doet, ook dat je voor de toekomst zekerheid bij Hem zoekt? Of zoek je hem bij je geld, je gezin, de mensen om je heen, die je kunt zien? Geloof, en er dan ook je leven op bouwen is een eenheid die je niet kunt verbreken.    

De rode draad: God wil vertrouwen geven aan mensen met weinig vertrouwen,  via Rachab die vertrouwt op God  3. want Gods werk geeft vertrouwen  

Deze vrouw Rachab wordt zo een kind van God. Ze wordt ook opgenomen in de rode draad van God. Want we lezen hier niet zomaar een geschiedenis, niet zomaar één of andere oorlog. We lezen hier in de bijbel de heilsgeschiedenis: hoe God zelf vanaf het paradijs al bezig is om de mensen ‘heil’ te geven, om verlossing te geven uit de zonde waar de mensen ingekomen waren. God heeft die verlossing niet direct gegeven, maar Hij is een lange weg gegaan. Heel de weg van het Oude Testament. Het Nieuwe Testament begint niet gelijk met de geboorte van Jezus, maar met het geslachtsregister. Het is misschien niet zo boeiend, maar het laat wel zien dat God niet pas in Nazaret begon te werken. Toen Jezus geboren was. God is al aan het werk vanaf Adam. En ook dit verhaal heeft een plek in de geschiedenis naar dat rijk toe. Als je kijkt in Matteüs 1,5 zie je hoe ook Rachab een plek daarin krijgt. Ook dit verhaal is een verhaal met een doel: zo kon het volk het land in komen, zo kon de Here Jezus straks geboren worden, als verre zoon van Rachab.

            Rachab die met haar geloof en werken een plaats verdient in die lijst. Zij vertrouwde op God: God is trouw geweest en heeft zijn liefde laten zien in Jezus Christus. De Heiland, die verlossing brengt.

            Zo is Rachab ook degene geweest door wie God zorgde dat die dag dat Jezus geboren werd dichterbij kwam. Ook door de verspieders weer nieuw vertrouwen te geven: want dat krijgen ze. Wanneer zij bij Jozua komen volgt er niet zo’n verslag als toen met de 12 verspieders. Die keken naar de sterke muren en de grote reuzen. Nee, deze twee vertellen over de angst die er in het land is. De mensen zijn bang voor de Israëlieten. En in geloof zeggen ze het: niet wij gaan nu de strijd aan, nee: God heeft ons het land in ons bezit gegeven. Hij heeft het al gegeven: ze zijn vol goede moed en vol van zekerheid en in het volgende hoofdstuk lezen we dan ook dat ze nu echt op pad gaan en de Jordaan gaan overtrekken.

             In de redding van haar familie kun je al zien, dat God betrouwbaar is. Later lezen we hoe haar familie gered wordt, omdat ze vertrouwden op God. Omdat ze het rode koord buiten hadden gehangen. Zo werden Rachab en haar familie verlost uit de stad die instortte: een geweldige verlossing van God. Maar wel een tijdelijke verlossing in dit leven. Maar het laat zien: God is een verlosser en Hij wil voor altijd verlossen.

            Want wat kunnen je zorgen soms een last gaan vormen. Het is eigenlijk als een zware rugtas. Met een rugtas lopen dat gaat nog wel, maar als er telkens weer wat bijgestopt wordt, wordt deze steeds zwaarder en kan je gang steeds moeilijker worden. Kun je door de last steeds langzamer gaan lopen, schoorvoetend verdergaan en gebukt gaan onder de zware lasten die je mee moet nemen.

            Maar nu zegt God: ik wil verlossen. Ik verlos het volk uit de woestijn. Ik red Rachab uit Jericho. Ik verlos ook jou, omdat Jezus ook jouw zorgen en lasten op zich genomen heeft. Hij heeft die zware last van het kruis gedragen. Je mag die rugtas met die lasten bij het kruis neerzetten. Dan zijn de zorgen niet in een keer weg, maar dan mag je weten dat Christus meegaat op de weg. Hij zegt: wees niet bezorgd over de dag van morgen, over kleding en gezondheid. Dat zegt Hij omdat Hij die zorgen wil gaan dragen. omdat door Hem ook voor u en voor jou er uiteindelijk verlossing is. Misschien is de weg voor u nog lang, zijn er nog veel moeiten. Maar de rode draad loopt naar het bloed van het kruis. Dat kruis staat rotsvast op Golgotha: Jezus heeft de zorgen gedragen. Hij zal verlossen, redden en genezen. Op Hem kun je bouwen! Dat je zo steeds weer moed en vertrouwen mag ontvangen! Amen.


2 Sam 11 en 12 – Batsebea (de rode draad)

december 8, 2013

Overdenking gehouden in Heemse, 8 december 8.45u (Avondmaal)

Tekst: 1 Sam 11 en 12 / Psalm 51

Geliefde gemeente van onze Heer Jezus Christus,

David staat op van zijn rustbed, hij loopt heen en weer over het dak van zijn paleis.

Hij is in Jeruzalem, terwijl zijn troepen vechten. Hij wordt niet meer opgejaagd door Saul:

Hij is nu de koning, voelt zich trots om zijn macht.

Zelfs het land van Ammon aan de andere kant van de Jordaan zal hij krijgen.

Hij heeft vrouwen, personeel, macht. Hij is Gods gezalfde…

Maar dan hoort hij water. Hij ziet een vrouw. Vrouwen die in die cultuur zeker niet zomaar zich aan een man konden laten zien. David denkt: Ik blijf kijken. Wat is ze mooi! Wat is ze aantrekkelijk! Wat wil ik haar graag hebben! Nee, nu even niet aan God denken. Even niet aan zijn wet. Mijn liefde is sterker dan wat dan ook. Niet denken aan de consequenties.” Zo wordt Davids hart dat vol is van de Heilige Geest, leeg gemaakt. Hij pleegt overspel, pleegt moord op Uria, misbruikt zijn macht. Walgelijk! Volgens de wet past hier alleen de doodstraf.

Batseba, je bent net in de buitenlucht in bad geweest. Je bent eenzaam, want je man is ver weg in de oorlog. Uria vecht voor God, voor de koning, voor zijn vaderland. Jij wordt geroepen. Jij moet bij de koning komen. De koning misbruikt zijn macht, hij slaapt met jou, hij verwekt een kind bij jou. En daar zit je dan. Zwanger. Je man dood. Als vrouw, vernederd door een man, die zijn macht misbruikte. Hoe moet dit nu verder? Hoe kan God jou nu inschakelen?

Heer leidt ons niet in verzoeking, maar verlos ons van de boze! Op allerlei manieren komen er verleidingen en verzoekingen op ons af. Ons eigen hart en begeerte, vanuit de beelden en de wereld om je heen, de duivel is bezig om te voorkomen dat het rijk van de grote Koning komt! Davids rijk werd kapot gemaakt door zijn eigen zonden. Hoe moet de rode draad verder?

U, jij en ik zijn onderweg zijn naar de komst van de Messias. Zal het ooit vrede zijn? Wat is er een pijn van machtsmisbruik, overspel, ontrouw, moord, haat. Wat een pijn geeft dat in de wereld. Wat een schuld kun je op je laden door verkeerde keuzes te maken. Hoe is er dan een weg naar God mogelijk? Hoe kan dan Gods rijk komen en kun je het avondmaal vieren?

Wat is het bijzonder dat we Psalm 51 hebben, dat je David zo in het hart kan kijken. David is geen heilige die vrome liederen dicht. Hij is een mens, die weet wat het is om diep gevallen te zijn. Hij ziet geen toekomst meer en geen uitweg. En dan weet hij, door de profeet Natan, maar één uitweg. Als David verder wil, zal dat alleen kunnen door Gods vergeving. Hij smeekt om genade! Hij doet een beroep op Gods trouw op zijn liefde. Niet uit eigen kracht, maar door Gods trouw kan er een toekomst komen, gaat de rode draad verder.

Soms kan het lastig zijn om je zonden te benoemen. Probeer toch zelf eerlijk in de spiegel te kijken. Het is makkelijk om van jezelf af te wijzen. Om bij anderen de fouten te zien. Die zag David ook wel bij die koning uit het verhaal die zomaar een lam van die arme man pakte, maar … hij zag het eerst niet bij zichzelf. Door de profeet Natan ziet hij het zelf heel goed onder ogen en beseft hij dat hij zelf de doodstraf verdient! Voelt hij zich schuldig tegenover ander mensen. Ziet hij dat moment steeds voor zich. Hij voelt zich ook schuldig tegenover God. Hij zegt: Ik heb tegen U gezondigd. Niet alleen tegen Batseba en Uria, maar ook tegen God heb ik verkeerd gedaan.

Vandaag sta je zelf voor God! Kijk nu bij het avondmaal ook naar jezelf: wat heb ik misgedaan? Eerlijk, net als David. Die zei ook niet: maar ik had het ook moeilijk, ik was even zwak,

Batseba had daar dan ook niet zo verleidelijk in bad moeten gaan,

ik heb toch ook goede dingen voor U gedaan.                  Iedereen doet toch wel eens wat fout.

Nee: David zegt: Ik was schuldig. Het zit in mij dat ik verkeerd doe. In zonde heeft mijn moeder mij ontvangen. Ik ben mij van mijn wandaden bewust. Zo’n gebroken hart wil God, dat is Hem meer waard dan offers. Steeds weer ontdekken we, we zijn zondiger dan we ooit hadden denken, maar ook meer geliefd dan we ooit hadden durven hopen. Wie het echt van God verwacht, die mag op genade rekenen: omdat Christus het offerlam werd, omdat Hij voor de zonde wil betalen.

Dan neemt David zich ook voor om voortaan met God te leven. Hij vraagt om een nieuw hart en een vaste geest. Hij wil zelfs andere zondaren helpen en hen op Gods wegen leiden. Hij wil leven in dankbaarheid voor God. Het bijzondere is dat de psalm zich aan het eind verbreedt. Niet alleen David, maar ook Sion komt in beeld, de stad van God. David ziet het voor zich hoe een nieuw geslacht het feest van de bevrijding gaat vieren. Eens komt de grote Messias, komt het nieuwe Jeruzalem. God werkt verder!

Ondanks David werkte God toch verder. Hij schakelde Batseba en David in. Matteüs noemt de vrouw van Uria. Niet haar naam, maar de naam van Uria laat hij in het geslachtsregister vallen. Net voor de geboorte van Koning Jezus worden we even fijntjes herinnerd aan dat Batseba de man van Uria was, die Uria die door David gedood was. Hoezeer mensen er ook een puinhoop van maken, hoeveel zonde en pijn er nog is in deze wereld, wat een worsteling er ook kan zijn met moeilijk vragen: toch werkt God verder. Hij hield de rode draad vast: daarin kreeg ook Batseba een plek! Mee door haar en haar zoon Salomo, is de grote zoon van David is gekomen. De Davidszoon die de zonde niet in zijn hart toeliet. Hij schonk ons de Heilige Geest: Heer schep in mij een hart dat leeft in het licht!! Geef dat ik juist door dit brood en deze wijn, door het offer van uw zoon weer sterker gericht mag zijn op mijn Heer en Heiland en vervuld mag worden van zijn Heilige Geest!! Amen.


Genesis 38 – Tamar: God laat de rode draad doorlopen!

december 1, 2013

Preek gehouden in Heemse, november ’13

Tekst: Gen 38

Geliefde gemeente van onze Heer Jezus Christus, jongens en meisjes,

[Dia 1] Weet je dat je er misschien helemaal niet geweest was?

Wanneer je vader je moeder niet had leren kennen was jij nooit geboren.

Als je oma je opa niet had ontmoet, of als ze geen kinderen hadden kunnen krijgen, was je er ook niet geweest.

En toch ben je er! Heel bijzonder: er is als het ware een rode draad die van Adam, via je overgrootouders, je opa en oma, je vader en moeder naar jou toeloopt!

Wat kun je genieten als opa en oma als je ziet dat de draad doorloopt,

maar wat kan het tegelijk moeilijk zijn als je geen kinderen kan krijgen.

[Dia 2] Weet je dat de Here Jezus er misschien helemaal niet gekomen was? Tenminste als het aan de mensen had gelegen.

Vandaag letten we erop dat de rode draad die door de Bijbel loopt, bijna lijkt dood te lopen. De rode draad naar Jezus toe. De rode draad die Matteüs gelijk aan het begin van zijn boek uit de doeken doet. Gelijk als hij begint te schrijven over Jezus Christus, de verlosser van de wereld, dan kijkt hij eerst achterom: “Kijk eens naar de weg die God gegaan is.

Weet je nog hoe wonderlijk die weg ging:Toen met Rachab van Jericho. Hoe bijzonder: toen met Ruth, die uit Moab kwam en dat die draad zo raar liep en toen David een zoon kreeg van Batseba. En vandaag letten we dan op Juda en Tamar: zo’n merkwaardige geschiedenis die je eerder zou verwachten bij GTST dan in de Bijbel. Maar ondertussen liep de draad wel door!

Soms kun je wel je zorgen hebben. Als je niet goed weet hoe het verder moet in je leven. Of zorgen over de kerk: als er kerkbanken leeg blijven, als je kleinkinderen niets meer met geloof hebben. Als er spanningen zijn over hoe het verder moet in de kerk. Als je hier hoort van zonde van overspel of andere seksuele zonden. Zal er wel geloof zijn als Christus terugkomt? Houdt Hij zijn kerk wel in leven?

In de komende weken van advent zullen we letten op Gods werk. Letten op de rode draad. Ons verbazen over hoe die draad liep en blij zijn dat de rode draad niet doodliep, maar dat God zelf in zijn verkiezende liefde zorgde dat de Messias geboren zou worden!

[Dia 3] God laat de rode draad niet doodlopen!
1. De draad lijkt doorgeknipt (vers 1-12)

2. De draad wordt in zonde opgepakt

3. De draad wordt door God een draad tot redding

1. De draad lijkt doorgeknipt. Genesis is het boek van de geboorten. Steeds weer komt de lijn van Gods geschiedenis een stapje verder. Je kunt het nabladeren. Vanaf de geschiedenis van Adam, gaat het naar Abraham. En dan komt Isaak, en Jakob. En dan staat er aan het begin van hoofdstuk 37:2 “Nu volgt de geschiedenis, de toledoth van Jakob en zijn nakomelingen”. Maar wat een zooitje maken die ervan. Jozef, de meesterdromer, wordt door zijn broers niet gepruimd. Hij wordt gewoon in de put geworpen! Wat zal Hij geroepen hebben: laat me eruit! Red mij! Hij overleeft het maar net omdat zijn broers hem verkopen naar Egypte.

[dia 4] Dan duurt het zo’n twintig jaar voordat zijn broers naar Egypte komen. Ondertussen worden de jongens groot. En Juda is zijn broers zat. Hij verlaat zijn broers, neemt waarschijnlijk een deel van de kudde mee en gaat wat zuidelijker dan Hebron wonen. Hij sluit een vriendschap met Chira. Hij trouwt met de dochter van Sua. Hij verlaat de sfeer van Gods verbond, van zijn familie, hij vermengt zich met de heidenvolken. Net was er strijd binnen het gezin van Gods verbond, ze accepteerden de dromen van Jozef niet. Maar nu verlaat Juda als het ware Gods lijn, en begeeft zich buiten het verbond. Hij kiest zijn eigen weg.

[Dia 5] En dan denk je: misschien kan God dan wel een kind geven via de Kanaänitische vrouw. En die kinderen komen er ook wel. Drie zonen. Wat een rijkdom!

Dan trouwt de oudste met Tamar. Wat een feest, wat een blijdschap! Dan moet toch zeker de rode draad kunnen worden voortgezet.

Maar het loopt even anders. Als er een vrouw gevonden is voor de oudste, voor Er, dan neemt God zelf die zoon weg voordat er kinderen komen. Gelukkig heeft God zelf ingesteld dat dan de broer moet zorgen voor nageslacht. Het leviraatshuwelijk, dat betekent het huwelijk met je zwager, moest zorgen dat de rode draad toch doorliep. Maar daar het Onan geen zin in: Hij zorgde ervoor dat Tamar niet zwanger werd van zijn zaad. God is daar boos over en neemt hem ook weg. En ja, dan is Juda zo bang geworden. Hij heeft geen zin om zijn derde zoon, om Sela ook aan Tamar te geven. Straks is hij hem ook nog kwijt. Hij zegt het nog mooi: Ga maar even bij je vader wonen Tamar, tot Sela groot is. Maar ondertussen houdt hij Sela gewoon bij zich, en gelooft niet dat God echt wel voor nageslacht zal zorgen.

Kijk en daar zit Tamar dan bij haar vader. Wat een feest was het geweest op die eerste bruiloft, toen met Er. Wat hadden ze samen veel verwacht. Maar wat zit ze in haar leven nu diep in de put. Wat geeft het een verdriet in je leven als je je man moet begraven. Wat een onvoorstelbaar leed als je tot tweemaal toe je man moet begraven. Als vrouw blijft ze alleen achter. Er zijn geen kinderen, geen nageslacht. Sommige van u weten maar al te goed hoe die pijn je leven kan stempelen. Hoe het je bezig kan houden en in beslag kan nemen. Wat kun je dan een vragen hebben aan God: bij een overlijden, als kinderen uitblijven. Heer, waarom? En zo lijkt de veelbelovende geschiedenis van de rode draad te eindigen in een situatie vol verdriet en vragen. Juda, over wie Lea bij de geboorte nog gezegd had, nu loof ik de Here!, Juda’s tak lijkt doorgeknipt. De draad gebroken. De belofte van redding lijkt verder weg dan ooit.

[Dia 6] 2.  De draad wordt in zonde opgepakt

Maar Tamar legt zich niet neer bij haar lot. Zij weet zich in de steek gelaten door haar schoonvader. Hij moest haar zijn zoon geven, maar dat doet hij niet. Zij is als vrouw in die cultuur machteloos, kan weinig beginnen. Dan kiest zij een andere tactiek. Wanneer de vrouw van Juda is overleden, weet ze dat hij een keer naar de schaapscheerders gaat. Ze gaat langs de kant van de weg zitten, doet een sluier over haar gezicht. Ze ziet eruit als een hoer. Een prostitué die actief was bij een tempel. Bij zo’n feest, hadden ze gemeenschap met mannen. De vereerders van de afgoden geloofden dat ze zo gezegend zouden worden door de afgoden. Een zonde die God verbiedt!

Maar Tamar kiest juist deze zonde, deze verkeerde weg om haar schoonvader te verleiden. Juda spreekt haar aan. Hij wil wel. Oke, maar wat wil je betalen. Ik zorg dat je een geitenbokje krijgt. Nee, niet zo’n oude geit, maar een jong bokje uit mijn kudde. Prima, afgesproken. Maar helaas heeft Juda geen bokje bij zich, en daarom moet hij iets geven. En dan geeft hij het meest persoonlijke wat hij heeft: zijn staf, met persoonlijke inkervingen. Zijn zegel, en het snoer waarmee hij die zegel om zijn hals droeg. Wij zouden zeggen: hij gaf zijn creditcard en zijn autosleutels. En hij denkt, straks stuur ik iemand met een bokje en dan krijg ik het wel terug.

[Dia 7] Maar het loopt allemaal anders! Tamar is niet meer te vinden. En Juda wil ook niet zichzelf belachelijk maken bij iedereen. Om nu overal te gaan vragen: was jij die vrouw met wie ik dat avontuurtje heb gehad, dat is ook wat. Het verhaal lijkt voor Juda ten einde. Hij leeft met een geheim van zijn zonde. Maar doet er niets mee.

Maar dan … drie maanden later! Dan is daar opeens dat bericht over Tamar zijn schoondochter. Ze is zwanger. Ze heeft gehoereerd! En nu vindt Juda dat opeens heel erg. Het is zijn schoondochter, hoort bij zijn familie. Hij heeft het over haar te zeggen. Op de brandstapel! Je moet haar verbranden! Hoezo een dubbele moraal: zelf is hij net zo schuldig, maar Tamar moet dood.

Gelukkig heeft Tamar de bewijzen nog. Ze wacht tot de dag van de veroordeling. Ze wordt buiten de stad gebracht. Zij lijkt te moeten sterven, maar dan komt ze op de proppen met de zegelring, het snoer en de staf. Wat zal Juda rood geworden zijn. Wat zal hij zich geschaamd hebben. Snel trekt hij het vonnis in, en nu is hij ook eerlijk. Zij is beter dan hij, zij staat meer in haar recht. Hij is het eigenlijk een nog grotere zondaar is.

Wat een verhaal! Misschien een verhaal dat je thuis maar liever overslaat. Ik las ook dat iemand zei: er zit weinig leerzaams in dit verhaal wat je aan de gemeente mee kan geven. En dat is ook zo. Het gaat van zonde op zonde. Maar is het daarmee ook niet verhaal dat dicht bij de werkelijkheid komt? Lopen mensenlevens soms niet heel bijzonder en krijgt de zonde daarin soms een plek. Hoe gaat het met mannen: mannen die misschien wel recht moet spreken over anderen, die de schijn ophouden. Maar wat doe je als je op zakenreis bent en alleen in een vreemde hotelkamer? Neem je als man je verantwoordelijkheid in je gezin en je familie? En wat kun je je als vrouw soms in het nauw gedreven voelen. Dat je denkt, nu kies ik wel mijn eigen weg zonder God. Want als ik me altijd precies aan Gods geboden moet houden, is er dan wel toekomst voor mij? Dit verhaal gaat over gewone mensen, met hun eigen zonden.

Toch is dit het voorgeslacht van de grote redder van de wereld. Hij die echt God was, werd echt mens. Geboren in Bethlehem, Hij kwam tussen ons mensen. Kon met ons meevoelen in onze zwakheden: Hij gaat in tot een zondige wereld, al is Hij zonder zonde. Hij komt uit een geslacht van zondige mensen. Die zich laten leiden door de eer, door seksuele lusten, door oneerlijke spelletjes. Mensen die er op geen enkele manier recht op hebben. Als het aan mensen gelegen had, als het aan u, jou en mij gelegen had, had God zijn Zoon niet laten komen. Maar toch: God gaat in tot deze wereld. Uit genade, in zijn verkiezende liefde, wil Hij juist deze wereld redden en bevrijden. Uitleiden uit de zonde. Jezus komt in deze zondige wereld. Juist door via de menselijke lijn van de zonde wordt de draad weer opgepakt. Het is geen draad, geen plan, geen redding van mensen: God zelf werkt op zijn wonderlijke manier zijn plan uit. Het is een redding die van Hem komt!

[Dia 8] 3. De draad wordt door God een draad tot redding. En zo lezen we dan dat er een kind geboren wordt. Ook hier is er weer strijd. Komt er een kind eerder, krijgt hij de rode draad al om zijn arm. Maar de ander dringt hem toch opzij. Perez is degene die echt in de rode draad van koning David en zo van Jezus zal worden opgenomen. Zijn naam is doorbreker: hij dringt zich met kracht naar voren. Zo is God aan het werk: Hij baant zich een weg door deze wereld. Zodat de Messias, de redder geboren kan worden. Zo leidt God de geschiedenis van Juda en Tamar en kan Jakob uiteindelijk ook aan Juda die grote belofte geven (Gen 49). De scepter zal van Juda niet wijken, nog de heersersstaf. Totdat hij komt, die er recht op heeft, die alle volken zullen dienen. Zo zal in vervulling gaan wat Lea al zei bij de geboorte: Nu mag er geloofd en geprezen worden. Hij heeft geleerd van zijn zonde: want hij is het die straks opkomt voor Benjamin en zegt: neem liever mijn leven, dan zijn leven. Zo gaat God verder. Daarbij wordt de Kanaänitische Tamar ingeschakeld. Alle volken zullen hem dienen: Het heil zal er zijn voor heel de wereld. Zo komt Jezus niet alleen voor de zondige mensheid, hij komt ook voor iedereen voor heel de wereld. Het zal kerstfeest worden!

Laten we zo vol vertrouwen op weg gaan. God heeft zijn belofte niet gebroken, ondanks ontrouw van de mensen. Hij bracht zijn Zoon voor de eerste keer. Hij houdt zijn kerk ook in leven, hoe ook bespot en verdrukt. Laten we het doel van ons leven nooit vergeten en steeds gericht zijn op zijn komst! Laten we zo stand houden!

En laten we dat doen, terwijl we weten dat Christus voor onze zonden zijn leven gegeven heeft. Hij kwam om ons te redden. Hij is al één keer gekomen. Nu mogen we leven uit dank, mogen we leven door de Geest. Laten we bidden om die geest, om sterk en krachtig te zijn. Ook als we als mensen soms zomaar de moed op kunnen geven, en de duivel op de loer licht om ons door zonde te laten verleiden: door seksuele zonden, door zonden van machtsmisbruik. Laten we bidden om sterk te zijn, en krachtig weerstand te bieden tegen de zonden. Omdat we weten dat we in zijn handen zijn en nergens beter zijn dan bij Hem: Hij laat nooit varen het werk van zijn handen! Want Hij heeft zijn eigen Zoon gegeven, tot u, jou en mijn redding. Amen

Liturgie 1e advent 2013 – Heemse 9.00u en 11.00u – Ds. Dick Dreschler

Opwekking 612 – En ik kom tot U

Gedicht (zie onder) Tamar Lianne Bril (9.00u) en Cathalijne van Dijk (11.00u)

Votum en zegengroet

Lied 125:1,3 en 4 (O kom, o kom Immanuël)

Schuldbelijdenis en genadeverkondiging

Ps 85:1,3

Gebed

Lezen Gen 38:1-30

Lied 122 (Kom tot ons, de wereld wacht)

Tekst Mat 1:1-3

Preek

Ps 132:1,9,10

Wet

Ps 86:4

Gebed

Collecte

Zingen: Gz 139:4 en 6 (U Christus onze Heer; aangekondigd na collecte)

Zegen

-TAMAR-

Een palm die vrucht wil dragen
al wordt het tot je eigen schand
in onrecht bleef je klagen
nam recht in eigen hand.

 

Maar God heeft het genomen
gewogen en gebogen
om tot een recht lijn te komen
Hij had jouw heil voor ogen

 

Zo werd jij schakel in de lijn
van Christus’ voorgeslacht
die naar de mens gesproken
Zoon van koning David was.


Genesis 18: Bid vrijuit tot de HEER van het verbond!

november 10, 2013

Preek gehouden in Heemse, november ’13

Tekst: Gen 18:25b en 26

Geliefde gemeente van onze Heer Jezus Christus,

Sommige vragen zijn soms zo groot dat je het bijna niet vrijuit aan God durft te vragen. Waarom gebeuren er zulke rampen als gisteren op de Filippijnen: 10.000 doden? Soms komt er zo’n nieuwsbericht binnen, en denk je: hoe kan het gebeuren?

Of dichterbij: Waarom is er die ruzie? Waarom Here moest u hem of haar zo jong al uit het leven wegnemen? Waarom ben ik zo gepest dat mijn leven kapotgemaakt is?

Ja meestal treft het anderen, maar nu … nu wordt ik getroffen door dat ongeluk. Here, waar was u? Here, waar bent u?

Dan kan het zomaar zijn dat er afstand met God groeit in je leven.

Dat je of heel boos bent op God en niets meer durft te zeggen.

Of dat je zulke grote vragen hebt dat je in plaats van ze vrijuit aan God te stellen, maar je mond dicht houdt. Dat je niet echt meer kan geloven dat er een God is die de dingen regeert en bestuurt. Dat je je dan ook afvraagt of het nog wel zin heeft om tot deze God te bidden. Heeft het wel zin om die mijn vragen en de moeite in de wereld aan Hem op te dragen.

Vanmorgen ligt er zo’n moeilijke vraag op tafel. God is van plan om straf te geven aan Sodom en Gomorra, twee steden op de blek waar nu de zoutzee ligt. God is van plan om zijn bliksem en vuur te zenden. Stel je voor dat het journaal er in dit tijd was en het daarmee zou openen: Hier rechtstreeks vanuit de bergen, met zich op het dal van Siddim. Het nieuws zal beelden laten zien van de gevolgen van brand, van kinderen die op een afschuwelijke manier omkomen, van ingestorte huizen en omgekomen mensen.

Abraham weet hoort dit al van te voren … en wat doet Abraham dan?

Kan hij toch nog blijven geloven? Is deze God betrouwbaar?

Abraham weet dat hij maar een mens is, maar hij spreekt tot God.

Hij kropt het niet op, maar praat vrijuit tot de Here.

Hij stelt God zijn vragen en wil weten wat Hij aan God heeft. Zo mogen we ook altijd vrijuit met de Here praten, zeker als kinderen van zijn verbond.

God luistert naar Abraham en God legt alles rustig uit. Daarom bedien ik u Gods Woord onder het volgende thema: Bid vrijuit tot de HEER van het verbond!
1. Hij luistert

2. Hij doet recht

3. Hij vergeeft

1. Hij luistert

Als wij moeilijke vragen aan God willen stellen, is dat lastig. Wij mogen alles vragen, maar je krijgt niet zomaar een antwoord. Maar voor Abraham is het net even gemakkelijker. Hoe begon deze ontmoeting met God? God had zijn verbond met Abraham gesloten. Later verschijnen er dan drie mannen. Abraham ontvangt die drie mannen hartelijk. Hij geeft ze pannenkoeken en mals kalfsvlees te eten. Wie waren die mannen? Het waren twee engelen, en één van hen was God zelf. God die die mooie belofte geeft: “over een jaar kom Ik terug en dan heeft Sara een zoon” (17:9). Sara had gelachen: ha, ha, ik als oude vrouw over een jaar een zoon, maar de Heer had gezegd dat het echt zo was. Wat mooi dat God laat zien dat Hij echt luistert en doet wat Hij zegt.

Dan gaan de drie mannen verder. De HEER dacht: nu Ik Abraham heb uitgekozen voor mijn verbond, nu alle volken op aarde willen gezegend worden als hij (vs. 18), nu wil Ik hem ook vertellen dat Ik gehoord heb dat er ernstige beschuldigingen tegen Sodom en Gomorra zijn geuit, dat hun zonde groot is. Ja en daarom zal Ik die steden daar (Abraham was meegelopen naar een punt, waar vandaan je 1000 meter lager de vlakte van Sodom en Gomorra kon zien liggen). Daarom zal ik die steden daar… controleren  en kijken of zij verwoesting over zich afgeroepen hebben.

Abraham schrikt! Zoals je vandaag zou schrikken van zo’n boodschap. Wat is het erg zo’n straf! Goed, mensen die verschrikkelijke dingen doen, moeten daarmee stoppen. Het kwaad moet aangepakt: iemand die zomaar zijn dochter vermoordt (denk aan Reuver); iemand die een ander misbruikt dat moet gestraft. Maar er wonen toch ook onschuldige, goede mensen in die stad. Zijn neef Lot woont daar. Hij snapt niets van God. Dat kan God toch niet doen!

Dat zegt hij ook: Here God … (er zit aarzeling in zijn stem, hij dekt zich in) U moet als rechter over de aarde toch rechtvaardig oordelen? Stel dat er nog 50 rechtvaardigen zijn, dan zullen die met de onrechtvaardigen omkomen. Maar God zegt: Omwille van die 50 zou Ik dan de stad vergeving schenken. Gelukkig! Abraham voelt aarzeling, maar hij denkt: stel dat het er vijf minder zijn. Heer, ik ben maar stof en as, maar … als het er nu 45 zijn. Nee dan zal Ik de stad niet verwoesten. En als het er 40 zijn. Nee dan ook dan zal ik het niet doen. Maar Heer, Ik hoop dat u niet kwaad wordt, als ik het waag om door te gaan. Maar stel dat het er maar 30 zijn. Nee dan zal ik de stad ook niet verwoesten, Abraham. Ik ben zo vrij … 20? Nee dan ook niet. Ik waag het nog één keer, de laatste keer, ik hoop niet dat u kwaad wordt. Als er nu maar tien zijn? Dan zal ik haar niet verwoesten omwille van die tien!

Het is nogal wat dat Abraham zo tot God spreekt. Maar waar ik misschien denk: is dat niet oneerbiedig van Abraham?, daar krijgt Abraham de ruimte om zijn vragen te stellen. Dat kan omdat er net iets bijzonders is gebeurd. God heeft zijn verbond gesloten met Abraham. Hij is uitgekozen om een groot volk te krijgen, om in dit land te wonen. Zo heeft God een heel speciale band met hem gekregen. Binnen die verbondsband vertelt God zijn plan. Hij is niet brutaal, hij doet het eerbiedig, maar hij mag wel eerlijk tot God naderen en alles vragen wat hij op zijn hart heeft.

Weet daarom: God luistert. Bidden heeft zin. Met bidden stap je als het ware de hemelpoort binnen: ga je naar Gods troon. Maar dan hoef je niet bang te zijn: Je mag gewoon zeggen: Vader! God sloot zijn verbond en roept je. Je mag vrijuit als een kind tot Vader naderen. God wil gebeden zijn! Nader tot Hem in Jezus Christus. Maar vraag het Hem alsjeblieft: Heer, ontferm u! Heer doe mij recht! Heer geef toch dat mijn man of vrouw beter wordt. Heer, help mij toch in mijn gemis. Heer, wees toch daar in die ruzie. Heer, maak een eind aan dat voortdurende onrecht dat ik moet ondergaan. Heer, wees toch met de mensen in Reuver. Wees met de mensen in de Filepijnen. Wees met mensen die lijden onder onrecht. Bidt vrijuit tot de HEER van het verbond: Hij luistert.

2. Hij doet recht

Ik hoorde van de week een verhaal op Radio 1 over diamanthandelaren. Kleine steentjes worden voor grote bedragen verkocht in Amsterdam. Een man zei: Ik werk al 40 jaar met deze handelaar samen. Dit zijn zulke grote bedragen. Je moet de ander dan echt kunnen vertrouwen als je een contract hebt gesloten. Diamanthandel is een handel op basis van vertrouwen.

Nu heeft God in Gen 17 zijn verbond gesloten. Hij zegt hier nog een keer dat Hij van Abraham wil kunnen vertrouwen. Hij zegt: ik wil dat jij en je kinderen goed en rechtvaardig zullen handelen. Dan zal Ik doen wat Ik beloofd heb.

Maar andersom geldt het ook: Abraham wil graag God kunnen vertrouwen. Abraham zegt: Here, u bent toch eerlijk? U moet de wereld toch rechtvaardig oordelen? In de antwoorden geeft God aan dat Hij inderdaad eerlijk is. Zelfs al zouden er maar tien mensen zijn die geen straf verdiend hebben, dan zou Hij omwille van de tien de stad niet verwoesten.

Tegelijk zal Hij dan ook eerlijk oordelen over het gedrag van de mensen. Hij gaat zelfs naar Sodom toe. Hij is als een rechter die naar de plaats delict gaat en gaat kijken of de dingen die over Sodom gezegd zijn wel echt kloppen. Verdient die stad werkelijk verwoesting? Hij zoekt de plaats op, de twee engelen zijn al vooruit gegaan.

God doet recht: We weten dat ook uit andere verhalen van de Bijbel. Als God Jona naar Nineve stuurt met een laatste waarschuwing, is God niet ongevoelig voor de bekering van het volk. Hoewel Jona het niet begrijpt, wordt de stad niet verwoest. God toont zijn genade zelfs voor de andere volken dan het volk van Abraham.

Maar als God echt recht gaat doen. Wie kan dan bestaan? Ik mag God vertrouwen, maar kan Hij mij wij wel vertrouwen. Als we gedoopt worden zijn we er niet op aangelegd om het goede te doen. Niemand is een heilige. Steeds weer steekt de zonde de kop op. Hopelijk niet zo erg als in Sodom, waar ze wel erg ongastvrij zijn. Niet goed met hun gasten omgaan. Ze niet trakteren op pannenkoeken en kalfsvlees, maar waar ze de dochter van lot willen verkrachten en ook de mannen die te gast zijn nog willen hebben. Maar toch: als God deze stad niet spaart. Als Hij zonde zo hoog opneemt. Zou Hij dan geen recht hebben om ons te straffen?

Het meest bemoedigend uit deze geschiedenis vind ik dat in het Nieuwe Testament deze geschiedenis tot in het uiterste zichtbaar wordt. Uiteindelijk zal God omdat er één mens helemaal rechtvaardig was de anderen niet straffen. Ja het wordt zelfs omgekeerd: Hij straft Jezus Christus, zodat jij niet gestraft hoeft te worden. Jezus heeft de zonden van alle mensen op zich heeft willen nemen. Omdat Hij jouw zonden heeft willen dragen: omdat de éne rechtvaardige voor jou gestorven is, zullen jij voor altijd gered worden! Dat is de manier waarop God uiteindelijk recht heeft willen doen voor ons.

Kijk en daarom hoef je ook nooit bang te zijn dat de rampen die er gebeuren, dat de erge dingen die er gebeuren, dat die een straf voor je zonden zijn. God heeft zijn Zoon Jezus Christus gestraft voor onze zonden. Hij wil de schuld dragen.

En ja … dan leven we nog in een wereld die niet volmaakt is. Waar de duivel nog rondgaat. Waar er soms moeite is. God werkt heen naar de dag van de wederkomst, van het oordeel. Maar wie schuilt bij Jezus mag weten dat niets ons van zijn liefde kan scheiden! Mag weten dat, ook al hebben wij soms grote vragen: zijn weg echt eerlijk en rechtvaardig is!

3. Hij vergeeft

Je mag vrijmoedig tot God spreken. Je mag weten dat God recht doet.

Ja maar hoe loopt het dan af? Als Abraham gezegd heeft: ‘Ik hoop dat u niet kwaad wordt, Heer, wanneer ik het nog één keer waag iets te zeggen: stel dat het er maar tien zijn.’ Dan gaat God weg. God gaat Sodom straffen. Er waren zelfs niet 10 mensen die rechtvaardig waren! Maar in zijn genade laat God toch Lot en zijn vrouw en dochter ontkomen. De rechtvaardigen worden niet gestraft met de onrechtvaardigen. Eerst wordt al hun huis door de engelen afgesloten. De mannen van de stad kunnen hen niet bereiken. De deur kunnen ze niet vinden. En later mogen Lot en zijn vrouw en dochter vertrekken. God staat hen toe om te schuilen in het dorpje Soar. Er staat dat God zo rekening hield van Abraham.

Wat is het goed dat Abraham tot God gebeden heeft. Op verschillende plaatsen in de Bijbel lezen we zo dat er mensen bidden en het opnemen bij God. Mozes neemt het op voor het volk dat in de woestijn gezondigd heeft. Jeremia bidt voor het volk. God zegt: bidt voor alle mensen zodat u in vrede kunt leven! (1 Tim). Voer die geestelijk strijd (Ef. 6). Jezus gebruikt zelf als voorbeeld dat er eens een vrouw was in een stad, en die bleef maar vragen bij de rechter dat haar recht gedaan werd. Jezus zegt: God zal zeker recht verschaffen aan wie tot hem roepen! Hij laat hen niet wachten.

Ik werk deze weken op de catechisaties over het gebed met de jongeren van 14 en 15 jaar. We hebben het gehad over niet vrijpostig bidden, maar wel vrijuit bidden. Wat mooi als er zo thuis aan tafel gebeden wordt of voor je gaat slapen. Dat gaat niet vanzelf: soms is het moeilijk. Wat moet je vragen? Soms schiet het bidden erbij in, soms is het steeds hetzelfde gebed aan tafel. Maar ook de moeilijke dingen: het kruis dat jij te dragen heb. Die moeite in je leven. God wil gebeden zijn. Hij is een eerlijke God: hij wil je leiden. Hij houdt rekening met je gebed.

Laten we leren uit de Bijbel. Laten we ons op de goede dagen oefenen in het bidden. Neem de lijst van je wijk er eens bij en bidt voor de mensen in je wijk. Jongens en meisjes, je ziet op je blaadje een lijst. Neem het mee en leg het naast je bed,dan kun je daar ’s avonds voor bidden. Schrijf maar eens op waar je allemaal voor gebeden hebt. Bidt voor je de mensen om je heen, op je werk, in de buurt, in je stad. Dat betekent niet dat het leven hier opeens makkelijk wordt. Je zult je vragen hebben en soms best houden. Maar als je leeft verbonden met God, zal je ook regelmatig op mogen merken hoe God rekening met je houdt, zoals God rekening hield met Abraham. Dan leef je verbonden met de Heer en op weg naar een geweldige toekomst, [net als Ryan die het teken van het verbond ontving]. Want door Abraham zouden uiteindelijk alle volken gezegend worden: zijn zoon kwam er, en daardoor uiteindelijk zijn grote Zoon: Jezus Christus. Hij is de God die vergeeft! Je kunt op Gods waarheid aan: God zal zijn waarheid nimmer krenken, maar eeuwig zijn verbond gedenken! Amen

Votum en zegengroet

Lied 434:1,3,5
Wet

Ps 107:2,12: School. Psalm: als we in de moeite roepen geeft God bevrijding en genezing.

Gebed

Lezen Gen 18:16-33; 19:27-29

Gz 3 (Abraham)

[11:00 uur Doopformulier 3 + Ps 105:5]

Tekst 18:25b en 26

Preek

Ps 11

Gebed

Zingen Gz 160: Groot is uw trouw (aangekondigd na collecte)


Jer 31:9 – De HEER roept je terug tot zijn feest!

september 5, 2013

Preek gehouden in Heemse, september ’13

Tekst: Jeremia 31:9

Geliefde gemeente van onze Heer Jezus Christus,

[Dia 0.1] “Wat doet hij hier?”, dacht hij.

Het is zondagmorgen, het is avondmaal.

Een rij mensen loopt door de kerk.

Jong en oud, man en vrouw, blond en rood.

Maar dan ziet hij hem opeens: die man met z’n vlotte praatjes, strak in pak, maar nu al met z’n derde vrouw, en laatst gepakt voor belastingontduiking. Gaat er voor hem geen slagboom dicht?

“Wat doet hij hier?”

Maar kijk … hij gaat naar wijn en brood.

De dominee wacht op hem, met het teken van het lichaam en bloed van Christus.

De Here Jezus wacht op hem. Hij riep hem. Het duurde lang, maar nu komt hij.

Ik snap het niet, maar hij glimlacht. En als je goed luistert: hoor je de engelen juichen!

[Dia 0.2] “Wat doen zij hier?” Net zoals nu in Syrië veel mensen op de vlucht zijn, trok ook toen een stoet mensen trekt door het land van Syrië.

In vers 8 hoor je wie het zijn: een blinde, een lamme, die wordt gedragen.

Een vrouw die hoogzwanger is, wacht op nieuw leven.

Ze gaan terug naar het beloofde land, terug naar Jeruzalem, terug naar de bron.

Maar dit zijn toch de mensen die Jeremia 29 hoofdstukken lang gewaarschuwd heeft?

Deze mensen hadden toch gezondigd vanaf hun jeugd en de Here niet gezocht? Hadden het toch verwacht van hun geld, van hun eigen prestaties?

“Wat doen zij hier?” Hoe durven ze? Denk je dat God ze weer terug wil zien?

Wat zeg je? Heeft de Here ze zelf geroepen?

Brengt God hen zelf weer terug? Wil Hij weer met die groepje mensen verder?

Sluit Hij een nieuw verbond? Wat heeft God dan een geduld met mensen, wat een liefde en zorg. Wat een geweldig feest zal het dan zijn!

[Dia 0.3] De HEER roept je terug naar de bron!

  1. Hij roept je in zijn geduld
  2. Hij roept je in zijn zorg
  3. Hij roept je tot het feest

Hij roept je in zijn geduld.

Ja, hoe is het mogelijk dat die mensen daar weer terugkeren!?

Jeremia heeft keer op keer gezegd: God voert jullie weg! Jullie zullen straf krijgen!

Want jullie zijn Mij ontrouw geweest. Jullie hadden Mij niet nodig.

[Dia 1.1] Ik had jullie lief, ik zorgde voor jullie, ik was voor jullie een bron die levend water geeft, Maar jullie maakten eigen stenen bakken. Vulden die met eigen water.

Water dat troebel werd, dat vies werd dat op raakte.

Ja, Jeremia bedoelde: jullie dienden de afgoden. Jullie vergaten de God die jullie maakte. Je liet Hem wachten.

Dachten dat het wel goed met jullie zat, omdat je de tempel in Jeruzalem had staan.

De mensen waren zat van Jeremia. Hij moest zijn mond houden. Altijd maar die straf van de Here, altijd maar dat belerende vingertje. Ze proberen hem te doden.

Maar Jeremia krijgt wel gelijk. De vijand komt uit het Noorden.

Mannen worden gedood, vrouwen weggevoerd, kinderen geslagen.

God had zijn volk verstrooid! (vs. 10)

God noemt zonde, zonde. Wat niet goed is, is niet goed.

Ook vandaag praat Hij het kwaad niet goed. Neemt Hij het hoog op als mensen zondigen. En dan kun je volgende week kijken wie er naar voren loopt. Dat zal ik ook doen. Langzamerhand leer ik steeds wat meer mensen kennen. En dan kan je afvragen bij iemand van wie jij, van de buitenkant iets weet: “wat doet hij hier?”.

[Dia 1.2] Maar ik vraag je om vooral eerlijk naar jezelf te kijken. “Wat doe ik hier?”.

Ik die soms zoveel vragen heb, dat ik denk: laat dat bidden maar zitten.

Ik die ontrouw ben geweest in mijn huwelijk of verkeringstijd, ik die niet eerlijk was als het gaat om mijn geld, ik die die vloek zomaar toeliet. Ik die God, laat wachten.

Laat wachten, ’s morgens als ik een dag begin om Hem ervoor te danken.

Laat wachten als Hij mij roept naar de kerk.

Laat wachten, als Hij mij roept om het avondmaal te vieren.

Ja, Hoe is het mogelijk dat ik toch volgende week uitgenodigd wordt. Hoe is het mogelijk dat God toch het troostboek geeft in Jeremia 30-33?

[Dia 1.3] Dat komt omdat God roept in zijn geduld. Zijn geduld is groot. Ik kan zelf slecht wachten. Een half uur bij de tandarts, vind ik vreselijk. Dan ben ik blij dat als ik wat werk bij me heb. Maar God blijft zijn kinderen roepen, in zijn geduld. God wacht niet een halfuurtje, maar soms jarenlang. Wat Hij zelf verstrooid heeft brengt Hij weer samen (vs. 10). Wie dan met berouw komt, met een gebed om vergeving, mag weten dat God hem of haar aanneemt, hoe groot je zonden ook zijn. Dat je eigen zonden vergeven zijn. Niet uit jezelf … maar omdat God roept, omdat Hij een nieuw verbond sluit, een nieuw verbond in het bloed van Jezus Christus, zoals Jeremia daarover in het tweede gedeelte van dit hoofdstuk mag spreken.

Ik las over iemand die God best een tijd had laten wachten. Die zo vol met vragen aan God zat, over wat er gebeurd was, dat hij bijna niet meer naar de kerk ging. Wat had je nu aan geloof? Wat had je aan zo’n God? Het gevolg was dat hij koos voor een leven zonder God, of hooguit God een beetje aan de kant. Hij liet wachten. Totdat … totdat God hem riep in zijn geduld. Dat éne gesprek met die man die hem rechtuit vroeg: wat wil je nu met je leven? Waar je leef je voor? Waardoor er iets in zijn hart geraakt werd, waardoor er een knop omging. Voelde dat God Hem niet losgelaten had. Tranen schoten in zijn ogen. God riep Hem. God, die zijn eigen Zoon gegeven had, wilde ook met Hem verder. Hij bad weer tot God en zo kreeg zijn leven weer zin!

[Dia 2.1] 2. Hij roept je in zijn zorg

Als je dit troostboek van Jeremia leest, dan is het alsof God weer terug gaat naar het begin van zijn volk. Toen Hij zijn volk lief kreeg en redde uit Egypte. Toen sloot Hij zijn eerste verbond. Toen leidde en beschermde Hij zijn volk, dat zo vaak dacht het wel zonder Hem te kunnen.

Ook nu zie je dat God, als Hij zijn kinderen roept, ze niet alleen laat.

Het is niet zo dat Hij zegt: Kom! Ga mee op weg, naar het feest! En zoek het verder zelf maar uit. Ik zie je straks wel. Het is niet zo dat je gelooft als een soort levensverzekering, zodat je straks in de hemel komt. Als ik op catechisatie vraag: waarom geloof je, dan hoor ik dat nog wel vaak. Ik geloof om in de hemel te komen. Helemaal goed! Maar het is wel jammer als dat het enige is.

Er staat niet alleen: dat het straks goed komt. Het is maar een klein zinnetje wat hier staat, maar het is wel de kern van Gods Vaderzorg. Er staat: Ik zal je leiden. God zelf wil met je meegaan op je levensweg. Hij wil Siem leiden. Hij wil een weg wijzen. Hij wil een goede herder zijn! Het is zoals staat in Psalm 23: al ga je door een dal van duisternis, Ik ben bij je. Mijn stok en mijn staf, ze vertroosten je!

God haalt de kuilen uit de weg, zodat je niet struikelt. God zorgt ervoor dat je bij de bron komt, zodat je geen dorst krijgt, maar juist het levende water. Hij geeft kracht voor onderweg, en dat mag je volgende week ook weer zien. Hij wil je dorst lessen, je honger stillen, Hij wil nieuwe kracht geven, zodat je van kracht tot kracht voort mag gaan.

[2.2] Ja, maar hoe werkt dat dan? Soms voel ik het wel na een gebed. Word ik rustig van een preek. Maar het kan ook zomaar weer weg zijn. Dat ik niet weet waar ik het zoeken moet. Dat God zover weg lijkt. Als ik worstel met mijn gezondheid, als ik zoveel verdriet heb over het gemis, als ik zo vaak negatief over mezelf ben en worstel met mijn zelfbeeld, als de psychische moeite weer opkomen of ik worstel met een verslaving.

Het is niet zo dat als je maar gelooft, de vragen en moeiten weg zijn. Dat de leegte in je hart opeens weg is. We zijn nog onderweg naar een nieuwe hemel en aarde. Het is hier soms nog donker. Maar God wil wel als een vader je de weg wijzen. Hij wil je weg houden bij dingen die even plezier geven, maar een kater achter laten. Hij zegt: denk maar aan mijn liefde, mijn geduld. Zie hoeveel Ik voor jou over gehad heb, dat Ik mijn eigen Zoon ook voor jou gaf: Hij wil jouw dorst stillen, Hij wil de bron van leven zijn. De moeite zal niet opeens weg zijn: maar kom wel met je moeite naar Mij toe, Ik hou je vast, en juist als jij het idee heb dat je op Mij moet wachten, dat jij het idee hebt er alleen voor te staan, ben ik het die je draagt, die geduldig op jou wacht en die jou leidt aan mijn Vaderhand, zoals een goede Herder doet.

3) Hij roept je tot het feest.

[3.1] Jeremia beschrijft hoe de mensen op weg zijn. Door God geroepen, in zijn geduld. Maar op weg naar een groot feest. De jongens en meisjes van de Doekesschool die weten wel wat feestvieren is. Lekker eten, lekker drinken, spelletjes doen, gezelligheid, ballonnen oplaten! Gisteren hebben we ook feest gevierd bij de Oldemeijer.

[3.2] God zegt tegen de mensen die Hij zelf verstrooid heeft: Ik ga jullie terugbrengen. Dan zal er voor jullie eten en drinken zijn: brood, druivensap, olijfolie. Er zullen koeien zijn die melk geven, schapen en geiten. Er zal geen droogte meer zijn, maar je mag leven bij de bron. Ik zal jullie laten wonen in een waterrijke hof. Een tuin waar je nooit hoeft te sproeien, omdat er genoeg water is. Een groen tuin!

[3.3] Zie de mensen stralen. Zie ze springen van vreugde. Ja, er was rouw onderweg, maar God geeft hen weer vreugde als ze aankomen.

Er was verdriet, maar Ik troost hen Ik zal de tranen van de ogen afwissen.

Ze zullen God prijzen. Meisjes dansen vrolijk in de rei, jongens en grijsaards dansen mee.

Volgende week gaat er een stoet mensen op weg. Op weg naar de avondmaalstafel. Mannen en vrouwen, jong en oud. En aan die tafel mag je iets gaan proeven. Een voorproefje van hoe het straks zal worden. Christus zelf roept je, Hij staat op je te wachten en Hij zegt: als je bij Mij komt, dan zal Ik je straks een geweldige toekomst geven. Maar Ik geef je nu al brood voor onderweg, Ik geef je drinken voor tijdens de reis. Ik wil je helpen en Ik zal met je meegaan. Als het moeilijk is zal ik je dragen. Ja, ik weet van je zonden. Van die verkeerde gedachten, van dat bedrog, van je pijn, ik weet dat je Mij liet wachten. Maar zie: ik sluit een nieuw verbond. Ik wil jouw zonden dragen, Ik wil je voor altijd leiden.

[3.4] En dan straks, komt Jezus terug. Dan mogen wij Hem feestelijk gaan binnenhalen. Alles zal nieuw worden. Er komt een rivier van levend water. We mogen wonen in een waterrijke hof, steeds weer onze vrucht dragen. In een stoet mag je Hem tegemoet gaan: stralend, met tranen in de ogen van vreugde. Tranen ook omdat je zegt: ‘Wat doe ik hier? Waar heb ik het aan verdiend om mee te mogen gaan?’. Maar dan zul je Jezus zien, dan zie je zijn wonden in zijn handen en zij, de wonden van het kruis, dan zul je zijn geduld en liefde zien en dan weet je waarom je op het feest bent: Omdat Hij ook jou geroepen heeft. Hij roept ook jou tot zijn feest! Zul jij, zult u niet naar een ander kijken, maar Hem zelf niet laten wachten? Amen.

Liturgie Heemse 8 september

Dienst 9.00

Dienst 11.00

Welkom en mededelingen

Opwekking 434 Opwekking 434

Votum, zegengroet en amen

Zingen

Ps 100:1,2

Ps 100:1,2

Gebed (schuldbelijdenis, genadeverkondiging)

Lezen

Jer. 31:6-14

Jer. 31:6-14

Doop (11.00)

Wolter Siem Zieleman

Formulier 3 (groene boekje)

Gz 161:1 (voor de doop)

Gz 161:2,4 (na de doop)

Aanbieding doopkaart

Zingen Ps 36:2,3

Gebed

Tekst

Jer 31:9

Jer 31:9

Preek

 De HEER roept je terug naar de bron!

1.      Hij roept je in zijn geduld

2.      Hij roept je in zijn zorg

3.      Hij roept je tot het feest

 De HEER roept je terug naar de bron!

1.      Hij roept je in zijn geduld

2.      Hij roept je in zijn zorg

3.      Hij roept je tot het feest

Zingen

Ps 126:1 en 3

Ps 126:1 en 3

Voorbereiding

H.A. Formulier I (voorbereiding, tot aan ‘Christus gedenken’ groene boekje) samen met Wet

H.A. Formulier I (voorbereiding, tot aan ‘Christus gedenken’ groene boekje) samen met Wet

Zingen

Gz 156 – Heer, ik kom tot U

Gz 156 – Heer ik kom tot U

Dankgebed en voorbede

Collecte

Zingen (aangekondigd na col.)

Gz 28 – Eens zal er vrede zijn

Gz 28 – Eens zal er vrede zijn

Zegen

Gz 71 als gezongen amen

Gz 71 als gezongen amen


Maleachi 3: Maak de weg vrij!

december 7, 2012

Preek gehouden in Beilen en Hooghalen, december ’12

Tekst: Mal 4

 

Geliefde gemeente van onze Heer Jezus Christus,

(Kindmoment: Kind op zondag – Maleachi)

 

Verwacht de komst van de Heer, de engel van het verbond!

1) Zie, Ik zend mijn bode

2) Zie, Ik kom als vuur van een edelsmid

3) Laat je leven de Heer met vreugde vervullen.

 

1) Hoor de bode die de weg van de Heer bereid

‘Jullie vermoeien de Heer met jullie woorden’. De profeet Maleachi is heel duidelijk tegen de mensen in Jeruzalem. (Het maakt je wel gelijk wakker!) Vermoeien? Kan God moe worden van onze woorden? We mogen toch alles tegen de Here zeggen, zeggen wat je bezig houdt. Kan de Here moe worden van woorden die we hier in de kerk zeggen, die we thuis in onze gebeden zeggen?

 

De mensen die uit ballingschap teruggekeerd zijn, zijn gelijk ook hevig verbaasd. Hoezo vermoeien wij de Here? Wat zeggen we dan verkeerd? Wij willen toch graag dat de Heer komt? Wij leven deze dagen vol verwachting … we hopen dat God zal komen.

 

Ook u en jij en ik hebben het deze dagen over advent: over verwachting. De koning komt, zei Maleachi. Je kunt er veel van verwachten. Straks zal alles goed worden. Ik verwacht Christus als rechter uit de hemel en Hij zal een eind maken aan al mijn en zijn vijanden! Dan is er een eind aan mijn ziek zijn, aan mijn tranen, aan mijn dorst, mijn leegte, mijn angsten, mijn verlangens. Kunnen wij de Here dan toch vermoeien met onze woorden?

 

[Dia tijdbalk] De mensen waren met grote verwachtingen teruggekeerd uit de ballingschap. Samen met Zerubbabel. Ze hadden met Nehemia en Ezra de tempel herbouwd. De profeten Haggaï en Zacharia hadden hen aangemoedigd en een mooie dag voorspeld, dat het goed zou komen. Dat de koning zou komen. Maar wat zien ze ervan? Het gaat slecht. Ze hebben allemaal misoogsten, er is droogte, er komen sprinkhanen. Politiek is de situatie niet veilig. De perzen zijn nog de baas over hen.  Daarom zeggen ze onderling: de Here mag wel laten zien dat hij rechtspreekt, dat hij kwaden straft en goeden helpt.

 

[Dia structuur Maleachi] Maleachi moet bij het volk van de Here, die teruggekeerde ballingen de vinger op de zere plek leggen. Maleachi zegt: de Here wordt zo moe van jullie woorden. Dat jullie maar willen dat de Here goed gaat doen. Natuurlijk kun je zo’n vraag ook eerlijk stellen, op zo’n manier dat God er niet moe van wordt. De psalmist stelt die vraag ook: waarom gaat het de goddeloze zo goed (Ps 37)? Het kan je oprecht bezighouden. Maar Maleachi had ze net een spiegel voorgehouden: Kijk eens hoe jullie doen. Ja, jullie zijn Gods uitverkoren volk. Maar als je naar de tempel gaat offer je een dier met een gebrek, dat je nog niet eens aan de gouverneur zou  durven geven. En jullie hebben het huwelijk absoluut niet in ere. Jullie leven in zonden. Dat was vooral de eerste helft van Maleachi’s boodschap.

En nu Maleachi het positief wil gaan draaien. Het gaat hebben over de redding die God vraagt, Nu juist op dit moment, confronteert hij het volk. Zegt hij: Jullie klagen over God, maar ondertussen kijken jullie niet naar jezelf. Je zult dan wel een eerlijke verwachting op God moeten stellen. Niet zelf in zonden leven, steeds het verkeerde doen en ondertussen denken dat het wel goed zal komen.

 

Dan begrijp je waarom er in 3:1 opeens staat: Zie, ik zend mijn bode. Dit is nu de taak van een bode. Voordat de Koning komt, vertelt hij dat de koning eraan komt. Zegt hij: zorg ervoor dat je de koning wel goed kan ontvangen. Veeg de weg schoon, veeg je hart schoon, ruim eerst zelf alle zonde en fouten op in je leven!

Horen de mensen wel dat Maleachi die bode is, Maleachi is Gods laatste bode van het oude testament. Voor de laatste keer wordt het hen bekend gemaakt. En daarna zal God pas weer spreken tot Zacharias, over de komst van Johannes. Later komt Johannes als de allerlaatste boodschapper voor Jezus: Bekeer u, want het koninkrijk is nabij! Maar eerst zal het meer dan vierhonderd jaar stil zijn.

 

Zie, ik zend mijn bode! Zie je hem? Hoor je hem? Straks is het kerstfeest. Straks komt Jezus weer met de wolken. Maar eerst wil de bode je wakker schudden! Het komt niet automatisch goed, we zitten niet op een treintje dat automatische via een rechte rails het koninkrijk binnenrijdt.

 

Zie, ik zend mijn bode! Luister jij naar de bode? Naar Maleachi, naar Johannes. Maar ook elke zondag opnieuw als op de preekstoel de weg bereid wordt naar het koninkrijk? Als de Gods bode spreekt, als je leven gespiegeld wordt aan Gods wet? De bode brengt geweldig nieuws: Hij komt! Maar als je alleen dat hoort, en niet zelf wakker geschud wordt zit er wel wat mis. Dan vermoei je God met je vrome woorden over zijn terugkomst.

 

De bode vraagt het: Kan Christus bij jou komen wonen? Zie jij de sneeuw liggen op het paadje naar je hart? De bode wil je helpen het te laten zien. Bij Maleachi gaven ze de Here een lam schaap als offer, het kwam niet echt uit hun hart. Bij Maleachi gingen ze niet goed met het huwelijk om. [voorbeeld scheidsrechter: niet alleen zeggen: ‘er moet recht gedaan’, maar ook naar jezelf kijken.] Twee dingen: Als er twee zonden zijn, die je meedraagt, die het leven zwaar maken, die het je lastig maken. Welke twee zonden zou jij dan aan ontdekt moeten worden. Dat je zegt: als de Here komt, zou ik dat nog snel even uit mijn huis halen; moet hij dat even niet zien; moet hij mij dat net niet horen zeggen. Neem eens twee dingen in gedachten! Bidt of God ze wil vergeven en weg wil nemen uit je leven.

 

2) Zie, Ik kom als vuur van een edelsmid

De bode vertelt het: de koning komt! Echt waar hij komt, ik zeg het je.

Staat iedereen dan klaar om de koning te ontvangen. Ben jij klaar?

Er staat dan: plotseling zal Hij komen. De komst van de Here zal toch nog plotseling zijn. Straks is er geen tijd meer om te zorgen dat de weg schoongeveegd is. Opeens zal Jezus voor je staan, zoals Hij is!

Maleachi noemt hem de engel van het verbond: De engel die vaker genoemd is in de Bijbel (…). De engel in wie we vaak iets van Jezus Christus zien. Het is de Here, waar jullie naar verlangen. Hij is de God van het verbond: hij zal zijn volk niet vergeten. Maar wie kan dan bestaan? Hij komt plotseling, hij is als het vuur. Hij zal komen met zijn oordeel! Wie kan dat vuur verdragen? Ook al heb je je zonden gezien, toch zal niemand helemaal rein zijn op die dag van het oordeel. Niemand zal zonder zonde zijn. Die zonde zit zo diep in ons. Daarom is de vraag van Maleachi zo terecht: Wie kan dan bestaan als God verschijnt? We merken vaker dat die vraag gesteld wordt in het Oude Testament. Als u ons overtreden blijft gadeslaan, wie kan dan bestaan? Joël zei al: die dag zal komen, brandend als een oven.

 

En dan gaat het gebeuren: dan komt het de koning, dan komt het vuur. Dan zal alles verbrand worden. Bij vers 5 slaat je de schrik om het hart. God komt om te oordelen, te getuigen tegen de tovenaars: door hun contacten met ongelovigen zijn ze er zomaar mee in contact gekomen. Denk maar aan alle gedoe met kaarten, sterrenbeelden, mediums. Het kan niet voor God bestaan. Wie niet trouw is in zijn huwelijk, wie gelogen heeft, wie niet opkomt voor de zwakkeren en vreemdelingen op straat zet. Wie de Here niet vreest. Die zal door het vuur vergaan!

Toch mag er ook hoop zijn op die dag van het oordeel. Want dat vuur van God is niet een alles verterend vuur. Nee het is als een vuur van een zilversmid. Hij heeft het erts met zilver erin. Hij zit erover gebogen. Hij wil het zilver eruit halen, maar daarvoor moet het vuil verbrand worden. Hij kijkt goed, het is een zorgvuldig werkje, het zilver moet een bepaalde kleur hebben, voordat het eruit gehaald kan worden. Maar hij kan het zo dat het zilver weer puur en echt wordt. Zoals een wolwasser met zijn zeep bezig is het vuil eruit te halen zodat er weer glanzend witte wol ontstaat. Dat alle vuil en smerigheid weg is. Helemaal schoon komt het eruit puur zilver!
Zo zal God ook met jou aan de slag gaan. Hij zal al het vuil wegbranden uit je leven, maar hij zal je zelf redden. Door het vuur heen! Hij zal je schoonwassen!

Zo zullen wij ook in het vuur komen, als de Heer tot zijn tempel komt. Zo zul je gewassen worden! Want de zonde kan niet bestaan voor de Here Jezus. Dat past niet bij dat nieuwe rijk van hem.

Maar hoe weet ik nu of ik verbrand zal worden? Of dat ik juist door het vuur heen gered wordt? De vraag is dan wat je gedaan hebt met de oproep van de bode: wat heb je met je zonde gedaan? Heb je ze in je hart gelaten. Heb je ze vastgehouden. Of ben je aan het vegen geweest: heb je ze weg gedaan en aan het voet van het kruis gelegd? Heb je daar Christus omarmd als jou redder en verlosser? Wij kunnen niet zelf onze zonden verbranden en zelf zilver van ons maken. Maar wie Christus in zijn hart gesloten heeft: waar Christus zelf woont: die heeft vaste grond gevonden. Die kan leven van zijn vergeving en offer!

Zie God zend zijn bode: nu is er nog tijd om te zorgen dat je vastklampt aan Jezus. Dat je door het vuur heen gered kunt worden!

 

3) Laat je leven de Heer met vreugde vervullen.

Het is bijzonder dat er staat dat God dan zal beginnen met het herstellen van de offers van de levieten en de priesters. Dat was toen de centrale plek waarin je zag hoe de mensen met God omgingen. Daar zag je of een offer uit het hart kwam, of dat er maar even iets weggegeven werd. God zal zorgen dat er weer een goede omgang met zijn volk komt. Dat gold voor de tijd na Maleachi tot Jezus.

Daarna zal Christus eens en voor altijd het offer brengen. Hij is het lam dat geslacht wordt. Zo kondigt Johannes de Doper hem aan; Kijk het Lam van God dat de zonden wegdraagt! Dat is nu precies wat Jezus kan doen. Hij is het die kan zorgen dat onze zonden weggenomen worden. Wie zijn zonden legde op het hoofd van het lam, die werd bevrijd van zijn zonden. Christus wil als Lam van God onze zonden wegnemen.

Christus is tot de tempel gekomen. Hij heeft het offer eens en voor altijd gebracht op het altaar van het verbond. Onze zonden aan het kruis gespijkerd.

Nu resten er twee dingen, twee dingen waardoor we in vreugde, nu al met God kunnen leven! In de eerste plaats: Zorg er voor dat steeds weer de weg bereid wordt. Dat je als het ware steeds weer je zonden in het vuur gooit.

Dat betekent steeds de weg gaan van zelfreiniging:

Mat 5:29 Als je rechteroog je op de verkeerde weg brengt, ruk het dan uit en werp het weg. Je kunt immers beter een van je lichaamsdelen verliezen dan dat heel je lichaam in de Gehenna geworpen wordt. Zoals Paulus ook zegt: Ik hard mezelf en oefen me in zelfbeheersing (1 Kor 9). Het is nodig dat je grip krijgt op de zonde. Dat je de zonde in het vuur gooit. Door de kracht van Jezus: [Zoals Paulus zegt: Rom 8:13 Als u echter uw zondige wil doodt door de Geest, zult u leven.]

Maar het is ook God die je reinigt:

Maar God kan ook moeiten en beproevingen gebruiken om te zorgen dat je sterken wordt. Denk aan wat Petrus zegt: u zult door 1 Petr 1:  U moet nu tot uw verdriet nog een korte tijd allerlei beproevingen verduren. 7 Zo kan de echtheid blijken van uw geloof – zoveel kostbaarder dan vergankelijk goud, dat toch ook in het vuur wordt getoetst – en zo verwerft u lof, eer en roem wanneer Jezus Christus zich zal openbaren.

 

Zo mogen we op weg gaan. Nu al zelf reinigen door de kracht van de geest, maar ook gereinigd worden. Dat is niet altijd een makkelijke weg. Maar het is wel de weg die Gods bode ons wijst. Zo gaan we op weg naar de grote dag dat God komt, dan zal Hij je compleet reinigen: Het vuur kan pijn doen, maar Gods doel is groot! Amen

liturgie zondag 9 december middagdiensten

Liturgie Middagdienst HH 14.15 Middagdienst Beilen 16.30
Welkom en mededelingen
Votum, zegengroet en amen
Zingen Lied 126:1 Lied 126:1
Adventskaars Gedicht + Kaarsje (1 dia) Marion Gedicht + Kaarsje door …(1 dia)
Zingen Lied 126:2 en 3 Lied 126:2
Lezen Formulier V – 2011 – beamen, gkv.nl > kerkelijke documenten > formulieren
Gz 156: Heer ik kom tot u
Gebed Aan tafel: dankzegging + Ps 24:3
Lezen Luc 3:1-6 Luc 3:1-6 door …
Zingen Gz. 48:1,3 (Lof aan de God) Gz. 48:1,3 (Lof aan de God)
Tekst Mal. 2:17-3:6 Mal. 2:17-3:6
Zingen Zingen: Zit je deur nog op slot?
Kindmoment Kindmoment (vier dia’s) Kindmoment (vier dia’s)
Zingen Zingen: Zit je deur nog op slot? Themalied
Preek powerpoint presentatie powerpoint presentatie
Zingen Ps 66:1 en 3 Ps 66:1 en 3
Geloofsbelijdenis
Zingen Ps 75:1 en 6 Ps 75:1 en 6
Dankgebed en voorbede
Gebed jongere door …
Collecte Herjan & Arthur Elise + ..
Zingen (aangekondigd na col.) Ps 72:6 en 10 Ps 72:6 en 10
Zegen en amen
In plaats van gezongen amen Gz. 71: De lof en de heerlijkheid (canon) Gz. 71: De lof en de heerlijkheid (canon)

Ex. 32 – Frustratie over ondankbaarheid bij Gods volk voor zijn grote verbondsliefde

oktober 4, 2012

Beilen! ’s Middags:

Liturgie 7 oktober Middagdienst Beilen
Welkom en mededelingen
Votum, zegengroet en amen  
Zingen Ps 118:1
Gebed  
Zingen Ps 95:3,4
Lezen Hebr 3
Zingen Lied 320:1-3
Tekst Hebr 3:1 en 5
Preek  
Zingen Opwekking 334
Geloofsbelijdenis  
Zingen Gz 164
Dankgebed en voorbede  
Collecte  
Zingen (aangekondigd na col.) Ps 150
Zegen en amen  

Hooghalen! ’s morgen en ’s middags:

Liturgie Morgendienst 10.00 uur
Welkom en mededelingen  
Votum, zegengroet en amen  
Zingen Ps 100:1,2 en 3 (tekst voor kerkdeur)
Wet  
Zingen De tien geboden (wijs: Jezus zegt)
Gebed  
Lezen Ex 32:1-9; 15-20; 30-35
  Kindmoment
Zingen Ps 106:8-10
Tekst Ex 32:19
Preek  
Zingen Ps 106:20-22
Dankgebed en voorbede  
Collecte  
Zingen (aangekondigd na col.) Gz 163 (Ik bouw op u)
Zegen en amen  
   
Liturgie 7 oktober Middagdienst 10.00 uur
Welkom en mededelingen Gedicht!
Votum, zegengroet en amen  
Zingen Ps 118:1
Gebed  
Zingen Ps 95:3,4
Lezen Hebr 3 (lezen gemeentelid)
Zingen Lied 320:1-3 (Zingt een nieuw lied)
Tekst Hebr 3:1 en 5
Preek  
Zingen Opwekking 334 (Heer uw licht en uw liefde)
Geloofsbelijdenis  
Zingen Gz 164 (Jezus vol liefde)
Dankgebed en voorbede  
Collecte  
Zingen (aangekondigd na col.) Ps 150
Zegen en amen  
  Liedboek 456 Zegen ons algoede