Daniel 6:11,12 – Ga met God: bid onderweg!

januari 8, 2018

Preek Heemse, 7 januari 2017 (Bidden onderweg)
Tekst: Daniël 6:11

Geliefde gemeente van onze Heer Jezus Christus,
[#1] Hoe staat het met je bidden?
Ik heb die vraag deze week aan verschillende mensen gesteld. Wat bid je eigenlijk? Gebruik je een vast gebed of gebruik je eigen woorden?
Op welke momenten bid je dan?
Het zal je niet verbazen dat er heel verschillende antwoorden kwamen:
de een heeft er een vaste regelmaat in.
De ander geeft aan dat het er maar weinig van komt.
Een derde zegt dat hij er wel meer tijd voor wil maken.
Wat me vooral opviel is dat het vaak wel moeilijk is om te bidden.
Niet alleen wat je dan moet vragen, maar ook hoe maak je er tijd voor in je (soms zo drukke) leven. En hoe houd je dan goed je aandacht erbij?

[#2] Vandaag, op deze eerste zondag van het nieuwe jaar, willen we verder met ‘Ga met God’. Gaan met God, echt verbonden zijn met God, dat kan in het bijzonder als je ook in het gebed met Hem verbonden bent. We gaan weer allemaal wegen belopen: op het werk, thuis, op school, op vakantie, naar het ziekenhuis, naar familie en bekenden. We gaan weer heel veel stappen zetten in 2018: we weten niet wat de toekomst zal brengen, wat 2018 gaat brengen. Maar we mogen wel verder ‘op weg met God’. Op weg met God kan met name als we biddend onderweg gaan. Het gebed mag aan het begin staan, en aan het eind. Mag er op vaste momenten zijn, maar ook gewoon tijdens de dingen die we doen. Gesproken, of door te zingen. Ik hoop dat u, dat jij dat ik zo met God verbonden mogen gaan, op de weg die God je te gaan geeft.

[#3] Ga met God: bid onderweg!
1. Bidden, wanneer?
2. Bidden, hoe?
3. Bidden, en dan … ?

1. Bidden, wanneer?
Vanmorgen letten we op het bidden vooral vanuit Daniel. Daniel was al een oude man geworden. Hij had veel meegemaakt in zijn leven, sinds hij uit Jeruzalem verdreven was en in ballingschap geweest was. Veel verschillende koningen en vorsten, en steeds had hij een belangrijke plek gekregen. Waarom? Hij was trouw aan de wetten van zijn God en vergat in Babel niet om met God te leven. Nu lezen we dat hij samen met twee anderen de belangrijkste posten in het land krijgt, en dat de koning er zelfs over denkt om hem over heel zijn koninkrijk te stellen (6:4). God zegent hem in het bijzonder en wat is een rijk gezegend met een bestuurder die zich van de Here afhankelijk weet.

Maar de andere bestuurders worden jaloers. Waarom krijgt Daniel zo’n belangrijke plaats? Dat willen zij ook wel. Die Daniel krijgt een mooi baantje, en dat baantje lopen zij dan mis. Zij willen graag belangrijk zijn en op de stoel van Daniel zitten. Daarom bedenken ze een plan om Daniel uit te schakelen, om van Hem af te zijn.
Ze kunnen Daniel niet op iets slechts betrappen. Daniel is betrouwbaar en heeft nooit een misstap begaan (6:5). Ze moeten kijken waar ze Daniel wel op kunnen pakken.

Waarin verschilt Daniel van hen? Dat is dat Hij zo nauw verbonden is met zijn God. Dat maakt hem zo sterk, omdat zijn God zo sterk is. Hij houdt zich aan de wet van God, en wilde al niet eten wat hij niet mocht eten. Zijn God openbaarde hem de betekenis van de dromen. Tot deze God bidt hij drie keer per dag. Juist op dat punt willen ze Daniel nu gaan pakken. En er komt een wet van meden en perzen: niemand mag 30 dagen lang iets vragen aan een god of een mens, alleen aan de koning.

Wat doet Daniel als die wet is uitgevaardigd? Gaat hij ergens op een afgelegen plek bidden? Wat doet hij als deze wet, met dreiging van de doodstraf, is opgetekend? Gaat hij dan maar even stoppen met bidden? Nee, hij gaat naar zijn huis. Hij gaat daar bidden zoals zijn gewoonte is. Daniel laat zich niet afschrikken door zo’n wet. Hij wil de Here bidden. Het bidden is maar niet wat uiterlijks voor hem, maar een brandend vuur dat uit zijn hart komt. Bidden is eigenlijk ademen voor de ziel. Hij wil zich zijn adem niet af laten nemen. Als hij stopt met bidden. Als Hij niet met God onderweg gaat, dan komt hij in ademnood. Hij doet ‘zoals hij dat eerder ook al deed’, hij doet naar zijn gewoonte: drie keer per dag bidt hij tot zijn God.

[#4] Wanneer moet je bidden? Er zijn mensen die wat neerkijken op mensen die bidden uit gewoonte. Ze zeggen: ‘Ik bid gewoon bij het eten, zo ben ik dat gewend’. En dan zou het zomaar kunnen lijken of dat ‘minder’ is dan iemand die er speciaal heel veel tijd voor uittrekt. Maar ik las ergens: laten we ons meer zorgen maken om mensen die uit gewoonte niet bidden. Die de gewoonte hebben het bidden over te slaan. Kijk dan gaat er pas echt wat mis: als je helemaal ‘vergeet’ te bidden. Dat je niet bidt bij het opstaan, niet bij het eten, niet bij het naar bed gaan. Dan ga je niet met God, maar dan ga je alleen.
Bidden uit gewoonte is zo gek nog niet. Als we drie keer per dag eten nodig hebben, hebben we ook gewoontes om dat tot ons te nemen. Dan wacht je ook niet tot je weer trek hebt, maar heb je vast momenten. Niet omdat het moet, als een ijzeren wet, maar zodat je het niet vergeet bij alle andere dingen die je hebt! Zo is het mooi als je de vaste gewoonte hebt om bij het opstaan, bij het eten en bij het slapen gaan te bidden. Misschien inderdaad een vast gebed: het gebed bij het eten, het Onze Vader, een kort gebed. Maar een gebed dat je in regelmaat tot de Here bidt. Daniel bidt zijn gebed: zelfs als de leeuwen grommen, en hij gevaar loopt voor zijn leven. Laten we ons ook niet schamen om naar onze gewoonte te bidden, ook als er anderen bij zijn. Ook al vinden ze het vreemd, apart of bijzonder: zouden we daarom maar niet bidden bij het eten, terwijl Daniel zelfs bad toen zijn leven op het spel stond? Hij dacht ook niet: dan bid ik deze 30 dagen wel even zonder dat iemand het ziet. Daniel schaamde zich niet voor zijn geloof!
[#5] In de bijbel komen we ook tegen dat er vaste momenten zijn. De priester ging ’s morgens in de tabernakel en tempel met een geurige gave naar God toe. Dicht bij het allerheiligste. De geur steeg op als teken van de gebeden die opstijgen. Heerlijke wierook. Een offer van God. Zo begon men de dag met God en ’s avonds was er het avondoffer: dan sloot met de dag af met God. God is de eerste en de laatste, begin en einde, Hij mag heel je dag omgeven.
Toen de tempel was verwoest kwam er bij de Joden de gewoonte om drie keer per dag te bidden. Psalm 56 zingt ervan. We lezen het hier bij Daniel. In psalm 119 lezen we zelfs dat men 7x per dag de naam van de Heer aanroept.
[#6] Laten we zo ook zelf vaste momenten kiezen om bidden met God onderweg te zijn. Zodat het een gewoonte wordt om met God te leven. In de tabernakel moest een altaar staan, staat in jouw huis ook een altaar. Niet echt, maar stijgen vanuit jouw/uw huis ook de gebeden op naar God, als een heerlijke geur? Wanneer je de dag opent met God, mag dat als eerste je gedachten vullen. Het mooie is dan, dat je hopelijk niet alleen op die momenten aan God denkt, maar ook gewoon als je onderweg bent, als je stil zit, als je ergens mee te maken krijgt. Dan hoef je echt niet altijd je handen te vouwen of je ogen dicht te doen. Maar dan mag je gewoon aan God vertellen wat je bezighoudt, Hem vragen of danken. Zo in gebeden op vaste momenten, maar ook op andere momenten echt bewust met hem verbonden zijn.
[#7] 2. Bidden, hoe?
Bij het gebed van Daniel zien we eerst dat hij neerknielt. Hij knielt op zijn knieën. Een houding van nederigheid en je klein maken voor God. Wie zelf wel eens knielend bidt die weet dat je dan het gebed ook anders ervaart, dan als je gewoon aan tafel zit. Maar de houding is vooral een uitdrukking van wat hij bidt. Hij komt niet als een Farizeeër met de borst vooruit bij God. Nee. Hij maakt zich klein. Hij komt nederig tot God. Daniel wist dat hij, en het volk zondig waren. God had hen niet voor niets in ballingschap gestuurd. Zo mogen we ook steeds tot God komen om vergeving te vragen voor onze zonden. Om onze schuld te belijden: Heer, ik kom tot U. Vergeef mijn zonden nu.
[#8] Het tweede is dat Daniel bad bij het open venster, in de richting van Jeruzalem. Jeruzalem was de stad die in puin lag. Er waren ruïnes en verkoolde resten van wat er geweest was. Maar het was voor hem, in die tijd wel de stad, waar God gezegd had in het midden van zijn volk te willen wonen. Daniel was in ballingschap zijn God niet vergeten, en de stad van de God niet. Hij leefde in de hoop en het verlangen eens terug te mogen gaan naar die stad. God had dat toch ook beloofd? En er zou toch een keer een Messias, een verlosser komen die werkelijk bevrijding zou geven. Zoals de priester in de tabernakel naderde naar het allerheiligste, zo was Daniel gericht op zijn God. Het is belangrijk dat we zien dat het gebed ook richting God opgezonden mag worden. Het is niet allereerst een vragenlijstje: het is ook een offer voor de machtige God. Wie de tijd neemt om in zijn gebed tot God te naderen. Wie misschien bij een geopend raam onder de indruk komt van de majesteit van de lucht, de wolken, de schepping van God. Wie beseft tot wie hij komt: die zal ook steeds meer bidden ‘Uw naam worden geheiligd’, in het begin van mijn gebed wil ook U prijzen en grootmaken.
[#9] Het is goed om God te prijzen. Het is goed om vergeving te vragen. En dan mag je God ook vragen om de dingen waar je mee bezig bent. Daniel zal gebeden hebben om bescherming ook nu zijn leven gevaar loopt en de leeuwenkuil dreigt. Daniel zal gebeden hebben om wijsheid. Zo mag je bidden wat jij nodig hebt. Wat anderen nodig hebben. Mag je bidden voor anderen. Voor jezelf. Zoals Jezus niet leerde bidden: geef mij mijn dagelijks brood, maar geef ons ons dagelijks brood. Wat we ook nodig hebben voor lichaam en ziel, Here, geef ons dat! Straks mag je ook een briefje inleveren als je het fijn vindt dat er voor je gebeden wordt, of als je ander gebedspunt hebt. Na de dienst mag je ook zo’n briefje ophalen: zodat je zelf mee kunt bidden voor anderen. Zodat we als gemeente biddend en dankend om elkaar heen mogen staan. Iemand zei: daar waar samen gebeden wordt, voor elkaar gebeden wordt: daar is de kerk, daar is Gods gemeente!
[#10] 3. Bidden, en dan … ?
Wat gebeurt er nadat Daniel gebeden heeft? Het gebed lijkt hem niet zoveel te helpen. Die mannen die dringen binnen, ze zien hem bidden. Hij wordt gearresteerd. Hij wordt in de leeuwenkuil gegooid. De leeuwen die normaal wel zin hebben in een lekker hapje. De koning komt er niet onderuit! Het is een wet van meden en perzen. Daniel moet en zal sterven. Want hij heeft tot een ander dan tot de koning gebeden. En zo lijkt het verhaal van Daniel af te lopen als een martelaarsgeschiedenis. Zoals zovelen in de het romeinse rijk en in de tijd van de reformatie vroom de Here wilden blijven dienen, maar het uiteindelijk moesten bekopen met hun leven. Voorbeelden voor de kerk, voorbeelden voor anderen hoe je in een moeilijke situatie met steun van de Heer toch kan blijven volharden en standhouden. Maar wat uiteindelijk wel hen het leven kostte. Zoals onze Here Jezus Christus zelf ook de weg van zijn vader ging. Trouw met hem verbonden was. Hem opzocht in de stilte. Bad of de beker voorbij mocht gaan, maar uiteindelijk niet in een leeuwenkuil, maar wel aan het kruis belandde.
[#11] Wat kan het soms moeilijk zijn om te bidden. Als je niet begrijpt waarom God deze weg met je leven gaat, van ziekte, van sterven, van eenzaamheid. Wat kan het soms moeilijk zijn om te bidden als je vertrouwen in God en de medemens zo beschadigd is door de dingen die jij mee moest maken. Wat kan het soms moeilijk zijn om te bidden als je niet ziet dat het helpt, als je vragen en twijfels hebt bij God en als er toch niets in je leven lijkt te veranderen. Maar toch … laten we in reactie op die moeite niet zeggen: we keren God de rug toe. Ik wandel wel in mijn eentje verder. Ik ga niet meer met God.
God zei eens: Ik geef mijn eigen Zoon over aan de dood, Ik laat Hem alleen, maar juist met de belofte: omdat Hij gestraft is, zal Ik jou vergeven. Zal Ik jou nooit alleen laten. Zal ik je dragen en met je meegaan. Ook al merk je het niet. Ook al verandert er niets in je situatie. Als je omkijkt zul je het zeggen: U was het die mij droeg. Kijk maar hoe ik Daniel beschermt heb tegen de leeuwen: hij mocht eruit komen. Kijk vooral maar hoe Jezus Christus de dood achter zich liet. Hij overwon, en brengt nu onze gebeden bij de Vader.
Een betere voorbidder kunnen we ons niet wensen. Want Hij brengt al onze gebeden, of het nu van een spelende kleuter, een sterke man of vrouw, een trillende bejaarde is, of het nu in de angst of nood, in blijdschap of vreugde uitgesproken, bij de Vader. Al wisten we niet hoe het te zeggen, raakte ons gebed in de knoop of konden we alleen zwijgend bij u zijn. Hij maakt er een volmaakt gebed van. Laten we zo weten dat Christus altijd bij ons is, dat je elk moment van de dag Hem mag vragen met of zonder gevouwen handen of gesloten ogen: dan ben je biddend onderweg, onderweg met God, onderweg … naar het hemels Jeruzalem. Kies je er ook voor om zo te bidden te leven? Om biddend onderweg te zijn? Amen.

Advertenties

Oudjaar 2017 – Johannes 1:14: Het woord is mens geworden!

december 31, 2017

Preek oudjaar 2017 – morgendiensten 9.00 en 11.00
Johannes 1:14-18

Geliefde gemeente van onze Heer Jezus Christus,
[#1] Afgelopen week hebben we het kerstfeest gevierd. Samen gevierd dat God mens wilde worden, dat Hij ons midden wilde zijn. Nu mogen we verder gaan: verder gaan vanuit dat geweldige nieuws. Ook Johannes wil verder gaan, vanuit wat er met kerst gebeurd is. Hij gaat het hele levensverhaal van Jezus beschrijven, al zijn ontmoetingen, gesprekken, optreden en wonderen. Aan mensen die Jezus niet kennen, die zo hun twijfels hebben bij geloven, die hun vragen hebben bij wat er in het leven gebeurd. Juist daarom geeft Johannes eerst één keer heel krachtig weer wat er met kerst gebeurd is, wat het wonder is van Jezus geboorte: Het woord is mens geworden en heeft onder ons gewoond en wij hebben zijn heerlijkheid gezien!
[#2] Met die belijdenis en vaststelling willen wij vanmorgen ook het oude jaar afsluiten en het nieuwe jaar inkijken. Johannes kan alleen het leven van Jezus beschrijven vanuit de belijdenis dat Jezus, echt God en echt mens was. Wij kunnen alleen goed kijken naar Gods gang door de tijd, naar ons leven jaar in jaar uit, naar het leven van je ouders of (klein)kinderen, naar Gods weg met zijn kerk, als we dat ook beseffen: de jaren die we tellen zijn jaren van onze Here. Die echt God was, woonde in Gods heerlijkheid, maar tegelijk echt mens geworden is en ons de heerlijkheid van God heeft laten zien. Die de weg wijst naar het eeuwige leven, waar je geen jaren meer telt. Geen mens heeft God gezien, geen mens kan in Gods plannen kijken, (morgen is voor ons verborgen), maar Christus heeft ons wel de genade en waarheid van de Vader laten kennen. Met Hem kunnen wij de toekomst ingaan. Hoeven we ons geen zorgen te maken over morgen, want ook morgen ligt veilig in zijn handen.

[#3] Het woord is mens geworden, God heeft onder ons gewoond!
1) Christus kreeg deel aan ons vergankelijk bestaan
2) Door Christus hebben we genade en waarheid leren kennen
3) Met Christus kunnen we vol vertrouwen op weg gaan

[#4] 1) Het eerst wat Johannes ons hier vertelt, is dat het woord mens geworden is. Hij vat het kerstverhaal in de kern samen. Het woord: God die scheppend spreekt, Gods zoon die woonde in het ondoordringbare licht, in de hemelse heerlijkheid, waar alles goed en volmaakt is tot in eeuwigheid. Dit woord van waarheid en genade is mens geworden. Letterlijk staat er: is vlees geworden. Daarmee wordt onze menselijke natuur in al zijn zwakheid en vergankelijkheid getekend. Doordat Jezus geboren werd uit de maagd Maria, kreeg Hij deel aan ons sterfelijke bestaan. Niet alleen uiterlijk, maar ook in zijn ziel, zegt de NGB. Helemaal, met alle zwakheid, broosheid, vergankelijkheid, vermoeidheid, verdriet, zorgen … kortom echt helemaal mens. Dat wat de mens onderscheidt van God, dat kreeg Hij helemaal. Hij was 100% mens, en tegelijk 100% God. Kan dat echt? Hoe kun je dat nu geloven? Het is moeilijk om te begrijpen, ik word stil als ik dat wonder wil begrijpen. Hoor het, maar begrijp niet dat zo de wil van God gebeurt.
[#5] Hij is mens geworden en heeft dan ook tussen vergankelijke mensen gewoond. Opgevoed in een gezin, waar mooie en minder mooie dingen gebeurd zullen zijn.
In de meeste gezinnen is er soms veel verbondenheid, maar zijn er ook momenten van van spanning, stilte, verwijdering of ruzie …
Opgegroeid in een dorp en een geloofsgemeenschap, waar niet altijd alles in lieve vrede gelopen zal zijn.
Opgetreden te midden van Joden die Hem vaak vijandig gezind waren.
Zolang God hem de opdracht gaf, was Hij aan dat ellendige bestaan onderworpen, net als wij eraan onderworpen zijn zolang God ons hier een taak op aarde geeft. Alleen was Hij zonder zonde. Wij zijn mensen die niet alleen sterfelijk zijn, van wie de leeftijd als God het geeft zeventig jaar is, of tachtig jaar als we sterk zijn, maar die ook nog zondig zijn en ons vaak van het licht en van God afwenden. Maar verder heeft Jezus helemaal als een gelijke onder ons gewoond.
[#6] En letterlijk staat er dan: Hij heeft onder ons gekampeerd. Zijn tent bij ons opgezet en daarin gewoond. Dat betekent dat hij dus niet blijvend bij ons was. Hij is tijdelijk bij ons geweest, zoals je een tent opzet als je ergens tijdelijk verblijft. Dan heb je nog geen vaste woning met muren, een dak en deuren, maar dan heb je een tent. Die wel eens om kan waaien, die beweegt met de wind, die niet lang meegaat, waarin je alles van elkaar kan horen, omdat de wanden zo dun zijn. Zoals het volk eens een tijdelijke woonplaats had gemaakt voor God in de woestijn, de tent van God, in afwachting van een vaste woonplaats, de tempel, zo was de manier waarop Jezus in ons midden verbleef ook een tijdelijke manier: een wonen onder ons, in afwachting van het hemelse Jeruzalem. De stad waarover we net lazen, een nieuwe hemel en nieuwe aarde, waar mensen in eeuwigheid verbonden met God zullen leven.
[#7] Juist op een dag als vandaag sta je er bij stil dat ons leven ook maar vergankelijk is. Het jaar is weer bijna afgelopen. Het werk van onze handen waar we trots op waren, wat we gedaan of gepresteerd hebben, het ligt weer achter ons. Het was vaak moeite en leed. Er waren hoogtepunten: een huwelijk, een geboorte, een baan, liefde en goede gesprekken. Maar er waren ook donkere momenten: dat je het liefst je verstopte, je je tranen niet kon bedwingen. Tegenslag, ziekte en leed: momenten waarop de vergankelijkheid nadrukkelijk naar voren kwam. En dan is een jaar zomaar voorbij. Net als na een vakantie met de tent, waar zomaar weer het moment is dat je een leeg veldje achterlaat. We hebben hier geen blijvende woning: we zuchten nu nog in onze aardse tent, zegt Paulus in 2 Korinthe 5:2. Eenmaal zal van ons allemaal de aardse tent worden afgebroken. Zal de nacht voorgoed ten einde zijn en zullen er geen tranen en rouw meer zijn. Het leven is nu nog vergankelijk, maar juist als we dat beseffen klinkt in het evangelie: het woord is vlees geworden, mens als wij, en heeft onder ons zijn tent opgeslagen: heeft tijdelijk hier op aarde in ons midden verbleven, dit leven met ons gedeeld. Want God had de wereld zo lief dat Hij zijn eigen Zoon zond, om deel te krijgen aan dit leven. God wilde niet dat dit leven uitzichtloos zou zijn, maar juist door dit leven aan te nemen kon Jezus ons met dit bestaan ook aan God verbinden.

[#8] 2) Door Christus hebben we genade en waarheid leren kennen.
Gelijk daarachteraan schrijft Johannes: Hij is mens geworden, heeft onder ons gewoond. Maar we hebben wel door Hem genade en waarheid leren kennen. Gods heerlijkheid werd zichtbaar in Hem. Hij gebruikt hier woorden die de kern van de belijdenis van wie God is samenvatten. Wanneer God aan Mozes verschijnt worden deze woorden ook uitgeroepen, in Ex 34:6 dit is God vol genade en waarheid. Deze woorden komen steeds weer terug in de bijbel. Deze God, die zijn liefde laat zien, die is zichtbaar geworden in Jezus.
[#9] Zie dan Vs. 15: eerst heeft Johanns de doper dat al aangewezen. Hij mocht een heel bijzondere profeet zijn. De laatste profeet. En tegelijk: hij kon de genade en waarheid al aanwijzen. Hij hoefde niet te vertellen over oordeel en straf, maar mocht juist wijzen op het lam van God (Joh. 1:36). Jezus zou sterven voor onze zonden. Johannes heeft dat al geroepen, ‘krijsend’ riep hij als het ware: let op degene die na mij komt! De mensen die zomaar bij God vandaan leefden, die de bijbelwoorden vergaten, moesten gewezen worden op het licht van de wereld. Moesten dat niet gaan missen en gewoon voortleven. Nee, ze moesten het licht en de waarheid van Jezus Christus zien en ontdekken. Johannes had Hem aangewezen door te zeggen, die na mij komt is meer dan ik. Johannes was maar de bode, de heraut die zijn komst aankondigde. Hij was ook eerder dan Johannes de doper: want Hij was al van eeuwigheid en zal zijn tot in eeuwigheid.
[#10] En dan zegt Johannes: we zijn allemaal overstelp met zijn goedheid en genade. Wie iedereen? Nee, niet iedereen heeft het licht van de wereld gezien. Maar Johannes, die dit schrijft heeft het wel gezien. Hij zegt: wij hebben het gezien. Dat wil zeggen: de leerlingen van Jezus, zei die Hem in geloof aannemen. Wie gelovige op Jezus ziet, die mag in dit leven al met de goedheid van genade overstelpt worden.
Dat gebeurde in het OT ook één keer: Mozes mocht iets zien van God. Hij mocht van God horen hoe alles ingericht moest worden in de tabernakel. Hoe God gediend moest worden. Door Mozes is de wet gegeven: de wet waardoor je ontdekt wat niet goed is. Door Mozes waren er instellingen gegeven waardoor contact met God mogelijk was. Die in beelden vooruit wezen naar hoe het werkelijk zou zijn. Mozes heeft de basis gelegd, het volk door God mogen leren dat God verder wilde met het volk. Dat het volk niet om hoefde te komen door Gods toorn (denk aan Psalm 90), Jezus heeft daarna de genade bekend gemaakt. Hoe God in ons midden wil zijn. Hoe God zijn liefde heeft willen tonen.
[#11] Wij hebben nog helemaal deel aan het menselijke bestaan. We mogen geloven dat Jezus gekomen is om vrede op aarde te brengen. Om genade op genade bekend te maken. Maar de vraag is: zie je Hem ook? Leef je ook in verbondenheid met Jezus. Schijnt zijn genade ook in jouw leven. Wanneer je Hem leert kennen dan valt zijn genade over je, en mag je boven het tellen van de jaren uitkijken. Mag je boven de tijd uitkijken: mag je iets zien van de eeuwige God, met wie je verbonden bent en met wie je in verbondenheid voor eeuwig mag leven. Dan mag je als geslachten gaan en geslachten komen, in Gods bescherming zijn opgenomen. Want: niets is beter dan bij U te zijn!

[#12] 3) En dan kun je in Christus vol vertrouwen op weg gaan.
Mozes mocht iets zien van de heerlijkheid van God. Hij mocht aangeven, toen het volk gezondigd had: zonder U kunnen we niet verder trekken. We hebben het nodig dat U meegaat. Zo mogen we, wanneer we in Christus nog veel meer van Gods genade hebben gezien ook vooruit kijken. Christus liet ons God helemaal zien: Hij was als kind bij de Vader geweest. Op zijn schoot. Altijd bij Hem. Hij kende de Vader helemaal, omdat Hij zelf God was. De Vader kende hem helemaal, omdat dit zijn enige kind was van eeuwigheid. Maar door Christus mogen we in geloof Gods kinderen zijn. Mogen we met Hem verbonden op weg gaan naar de grote dag.
[#13] Eenmaal zal onze aardse tent worden afgebroken. Maar dan mogen we weten dat we een hemels huis hebben niet met handen gemaakt. Een eeuwige woning. Wanneer je sterft mag je daar binnengaan. Wanneer Jezus komt, mogen we voor eeuwig daar wonen. Mozes mocht een glimp van God opvangen, wij mogen rondom Jezus veel van Gods heerlijkheid zien, maar uiteindelijk zal aan het eind der tijden, er een nieuwe hemel en nieuwe aarde komen: waar God zelf op de troon zal zitten, en we hem met eigen ogen zullen zien (22:4). Dan zien we niet meer wazig, met vragen of in raadsels. Dan zullen we Jezus kennen zoals hij is. Dan staat zijn naam op onze hoofden, is er geen licht meer nodig want God is het licht en zullen we in eeuwigheid als koningen met Hem heersen.
Johannes gaat in zijn evangelie veel van Jezus vertellen. Ik hoop dat je afgelopen jaar op veel momenten en veel manieren iets van die Here Jezus, het levendmakende woord van God hebt mogen ervaren. Hij maakt dat je met een gelovig hart je dagen kan tellen. Dat je ook in komende tijd, steeds met Jezus verbonden mag zijn: steeds meer van Hem mag ontdekken in je leven, steeds meer je ogen voor Hem open mogen gaan, je mag geloven in zijn naam. Zodat je bidt met heel Gods kerk: wacht niet langer, Jezus, kom!


Zondag 2 – In de ontmoeting met Christus ontdek je je zonde

december 11, 2017

Preek Heemse, 10 december 2017

Tekst: Zondag 2; Lukas 5:1-11

Geliefde gemeente van onze Heer Jezus Christus,

[#1] Wie dicht bij de Here Jezus komt, wordt ontdekt aan zijn volmaakte liefde.

Petrus ziet dat in het wonder, dat een enorme school vissen zomaar de netten binnenzwemt. Ze hadden de hele nacht niets gevangen.

En nu, als de netten dreigen te scheuren, ziet hij het: Jezus is Heer!

Toen Jezus op aarde was, kon je zijn liefde zien in de wonderlijke manier waarop Jezus mensen eten gaf, hoe Hij zieken genas, hoe Hij zonden vergaf.

In het avondmaal mocht je dicht bij Jezus komen.

Je zag vanuit de kerk met hoeveel liefde Christus zijn eigen lichaam en bloed gaf voor onze zonden. Of als je aan tafel ging: je proefde zelfs die liefde in de tekenen van brood en wijn.

Die volmaakte liefde van Christus is enorm groot! Wanneer Petrus ziet dat beide boten vol van vissen zijn, dan valt hij op zijn knieën voor Jezus en roept: ‘Ga weg van mij!’. Hij durft niet goed bij Jezus in de buurt te zijn. Hij wordt er bang van. Zoals mensen bang worden als er engel verschijnt en die engel moet zeggen: ‘Wees niet bang!’ Hij ontdekt dat Jezus God is. Hij zegt dan ook: ‘Ga weg van mij, Heer, want ik ben een zondig mens’. Juist in het licht van Jezus heerlijkheid, liefde en wonderen wordt Petrus ontdekt aan zijn zonde.

[#3] Wanneer wij vandaag gaan spreken over onze ellende, over onze zonde, dan willen we dat dan ook doen vanuit de ontmoeting met Jezus Christus onze verlosser. Zondag 1 heeft al gezegd: we zijn zijn eigendom. Hij wil ons leiden. Maar daarom is het goed om te zien hoe we zijn eigendom geworden zijn. Hoe we zijn als we zonder God zouden zijn, als we Jezus niet hadden leren kennen. Niet om daarmee ons van Christus te verwijderen, maar juist om daardoor (na de viering van het avondmaal!) des te meer naar Christus te getrokken te worden en het verlangen te hebben ook in de komende tijd met Hem verbonden te blijven.

 

Word ontdekt aan je zonde, juist om Christus te ontmoeten

1) Waaruit je je zonde kent; 2) Wat God van je vraagt; 3) Wat je dan ontdekt

[#3] 1) Waaruit je je zonde kent

De eerste vraag die zondag 2 ons stelt is de vraag: ‘waaruit’ ken je je ellende? De vraagstelling is helder. Als je wilt weten wat je zonden zijn en je verkeerde dingen. Waar haal je dan die kennis vandaan. Hoe kun je nu weten wat verkeerd is?

Aan de ene kant zou je kunnen zeggen: je ellende ken je uit je de levenservaring. Kijk eens wat ik allemaal heb meegemaakt in mijn leven. Die eenzaamheid, die keer dat ik enorm teleurgesteld ben in een ander of in mezelf. De dieptepunten van je leven, die het je zo moeilijk maken. Die zo verdrietig zijn. De ziekte, de rouw, de teleurstelling dat je je doel niet kon bereiken. Maar dat is niet de ellende waar de catechismus op doelt. Die ellende kent iedereen, gelovig of ongelovig.

Ken je dan de ellende uit de wereldgeschiedenis. Dat je steeds weer merkt dat het zo gruwelijk mis kan gaan. Dat een conflict uit de hand kan lopen en er weer oorlog komt. Dat je je hart vasthoudt bij de nieuwe doden in Jeruzalem. Of door te lezen over aardbevingen, scheepsrampen, orkanen. Komt daar de kennis van je ellende vandaan. Nee … ook dat is niet antwoord van de catechismus.

[#4] Maar ken je je ellende dan misschien vanuit je geweten. Als je geweten je influistert: dit is misschien niet helemaal goed, dan zit je verkeerd. Je geweten dat gevormd wordt tijdens je opvoeding en door wat andere mensen gewoon vinden? Maar ook dat kan het antwoord niet zijn. Ik las bijvoorbeeld over een vrouw in Duitsland die in de oorlog Joden had geholpen. De mensen waren in nood en vreesden voor hun leven. Maar toen ze het later aan de buren vertelde vonden die het heel raar. Toen vroeg ze zich af: heb ik wel het goede gedaan. Zo zie je maar dat je je geweten niet kan vertrouwen. Je geweten moet je ergens op afgesteld zijn: zoals je een klok af moet stellen op de juiste tijd.

[#5] We hebben een duidelijke bron nodig waaruit we onze ellende leren kennen. Die bron ligt buiten onszelf: God zelf heeft ons duidelijk gemaakt, waaruit we onze ellende kennen: De catechismus geeft dan ook een helder antwoord: die kennis van onze zonden komt uit de wet van God. De wet die God zelf met zijn eigen vingers op de stenen platen geschreven heeft, die wet die we elke week weer horen. Die de kinderen op school leren. Die wet houdt ons voor wat wel en niet goed is, die ontdekt ons er ook aan dat er momenten zijn waarop we die wet niet houden. En dan gaat het maar niet om de uiterlijke wet. Dat je luistert en dan denkt, bijvoorbeeld bij het zesde gebod: ik heb niemand doodgemaakt, dat doen alleen die mensen die in de zwaarbeveiligde gevangenis zitten. Maar dat je werkelijk je afvraagt: heb ik niemand uitgescholden, heb ik niemand gekwetst. Koester ik in mijn hart en gedachtengeen wrok en wraakgevoelens. Of om het zevende gebod te noemen: niet alleen dat je geen overspel pleegt, maar dat je het begeren uit je ogen. Dat je de ander niet ziet als lustobject, maar als mens door God schapen. En dan gaat het echt om je hart: waar ben je vol van? Het kan zomaar zijn dat je vol bent van het geld. Nee, je denkt voor jezelf: ik heb nooit gestolen, dus dat gebod dat raakt me niet. Maar je bent steeds bezig met je geld. Je bekijkt steeds je bankrekening. De kerk of goede doelen komen amper in de aandacht. Nee: in je hart ben je gierig en wil weer steeds meer voor jezelf hebben. In de diepte van je hart wordt dan duidelijk dat er meer liefde is voor het geld, dan voor God. Meer liefde voor het geld dan voor de naaste.

Deze wet had God bij Adam en Eva ingeschapen. Zodat ze die wet helemaal konden houden. Zodat de mens werkelijk de kroon op Gods schepping was. Zodat ze God in volmaaktheid kunnen dienen. Daar was het leven en paradijs. Daar was het leven goed. Daar konden ze de wet helemaal volbrengen! (vgl. vraag 5!) Wanneer wij de wet lezen, leer je hoe goed het leven zou kunnen zijn.

[#6] En dan is het geen algemene vraag: waaruit zie je wanneer mensen slecht doen. Nee, dan vraagt de catechismus het heel persoonlijk. Niet in het algemeen: ‘wat is ellende?’, maar waaruit kent u uw ellende, ken jij je ellende? Heb je zelf onder ogen gezien hoe volmaakt die wet van God is. Wat God van ons vraagt? Ben je dan ook zelf tot God genaderd: heb je werk gemaakt van de zelfbeproeving voor het HA? Heb je ’s avonds een vast moment om te overdenken wat niet goed was: dat je je leven legt naast die wet van God? Dan leer je steeds meer wat goed is, wat God welgevallig is, en dan ontdek je ook steeds meer hoeveel er in je leven ontbreekt. Hoezeer je God nodig hebt!

 

[#7] 2. Wat God van je vraagt

Maar wat vraagt God dan van ons? Daarvoor gaat de catechismus naar de Here Jezus toe. In de ontmoeting met Hem zie je de diepte van de wet. Het gaat dus niet om ons uiterlijke handelen: heb ik alles goed gedaan? Heb ik het goede gezocht? Maar Christus vraagt om ons hart: heb ik God lief boven alles, en de naaste als mezelf. In het Oude Testament wordt die samenvatting ook wel gegeven, maar in Jezus Christus komt alles samen. Hij verbindt de liefde voor God en de liefd en de liefde voor de naaste aan elkaar. Het was zijn eten en drinken om Gods wil te doen. Hij heeft Gods wet helemaal vervuld. Hij heeft ons het goede geleerd. Zoals Petrus in Christus Gods grootheid zag en zijn eigen zonde, zien wij dat ook in de samenvatting die Christus geeft.

[#8] Niet voor niets staat hier de samenvatting. Je zou kunnen zeggen: hier had toch ook heel de wet kunnen staan. Maar die komt later pas in de catechismus: in het hoofdstuk van de dankbaarheid. Als we leren hoe we mogen leven op een manier die past bij een nieuw leven. Hier staat een samenvatting: omdat dit echt terug gaat naar de kern. Het blijft niet staan bij de uiterlijke daden: het gaat om je hart. Zoals de rijke jongeling wel alle geboden gehouden had, maar uiteindelijk niet zijn bezit kon verkopen en de opbrengst aan de armen geven, omdat hij uiteindelijk geen liefde had voor God. God stoot door naar de kern van ons hart: hebben we werkelijk God en de naaste werkelijk lief?

Dat vraagt allereerst liefde voor God. Dat Hij in ons leven op de eerste plaats staat. Zijn dag, zijn naam, Hij alleen. Zoals dat geleerd wordt in de samenvatting van de wet: heb ik Hem lief, met heel met hart, met heel mijn ziel, met al mijn krachten. Wil ik helemaal voor Hem leven?

Heb je ook de naaste lief? Als mezelf: niet boven God. Niet boven mezelf. Maar als mezelf. Het gebod van de liefde voor de naaste is een beperkt gebod. Het kan namelijk nooit zijn dat je wel naar je naaste luistert, en niet naar God. We moeten God meer gehoorzaam zijn dan mensen. Als je vader zegt: ik bepaal mijn eigen snelheid op de weg wel of dat ik ga appen achter het stuur, terwijl jij hem dan tegenspreekt omdat je weet hoe je daarmee levens in gevaar brengt. Als je vriend zegt: laten we stiekem even wat meenemen uit de winkel. Iets kleins: ze merken het toch niet. Als een familielid zegt: zondag vier ik mijn verjaardag tijdens kerktijd, terwijl Christus je roept naar de kerk. Dan val je je vader, vriend of familielid misschien af. Heb je hen dan niet lief? Jawel, maar je bent God meer gehoorzaam dan mensen.

Dit gebod is begrenst: en tegelijk is het misschien nog wel moeilijker. Je kunt misschien God liefhebben dat je veel tijd voor Hem maakt. Je kunt misschien veel over hem weten en zeggen hoe het moet. Maar … Je kunt niet God liefhebben en ondertussen je naaste haten. Wie niet liefheeft, kent God niet. Leert de apostel Johannes. En dan niet alleen met de mond, maar waarachtig, met de daden. Ik vraag me wel eens af hoe het mogelijk is dat iemand vanuit liefde voor God, liefdeloos kritiek levert op zijn naaste in de kerk. Laten we onze liefde voor God daarom laten zien, vooral door wat we voor de naaste doen.

[#9] 3. Wat je dan ontdekt.

We hebben ontdekt hoe de ellende kan kennen. We hebben gezien hoeveel God vraagt. Maar dan: wat ontdek je dan? In de ontmoeting met de wet? De wet die in het paradijs volmaakt werd nageleefd en door Jezus vervuld? Dan zie je dat er bij ons van nature een andere neiging is. Het gaat er dus niet om om je in de put te praten of te zeggen: wat zijn we allemaal slecht. Maar als je je leven vergelijkt met Gods wet, dan is er bij ons de neiging, steeds weer, om ervan af te wijken. Het is te vergelijken met een kar die op een schuine helling staat en steeds de neiging heeft om naar beneden te rollen. Zo zijn wij steeds geneigd om de verkeerde kant op te rollen. Zijn we niet gericht op de ander, maar zoals Augustinus zegt: dan ben je in jezelf gekeerd, aan jezelf geketend. Dat is de gevangenis van de mens zonder liefde. Wat uit de mens die zonder God leeft voortkomt, is het tegenovergestelde van de liefde: dat is ik gerichtheid, dat is haat. Dat zijn de werken van het vlees en niet van de Geest.

Bij iemand die dat heel openlijk doet zie je dat duidelijk. Maar als je nou het toch probeert netjes te doen allemaal. Als je niet uit de band springt, als je je tuintje netjes aangeharkt hebt, als je leeft volgens de regels. Kun je dan zeggen: ik ben geneigd om het verkeerde te doen. Om niet lief te hebben, maar een ander af te stoten.

Als je vindt dat je alles wel goed genoeg doet, dan heb je Jezus niet nodig. Dan ben je als gezonde die geen dokter nodig heeft. Dan kun je jezelf wel redden. Maar de vraag is, of je je dan vergelijkt met anderen, met wat je geweten zegt, met wat men goed vindt of dat je je vergelijkt met Jezus en zijn wet. Als je je daarmee vergelijkt, kan het niet anders of je gaat uitroepen: ‘Heer, ik ben een zondig mens’, zoals Petrus riep toen Jezus dichtbij hem was.

[#10] Als je zo ontdekt hebt wie Jezus is, mag je op je knieën: want Petrus knielde neer. Voor de voeten van Jezus. Hij zegt: Jezus, ga weg van mij! Bedoelt hij: ‘Jezus ga uit mijn boot?’ Het zal wel niet in de boot geweest zijn dat Petrus knielde, want daar zal geen ruimte geweest zijn tussen de vissen. Nee: Petrus bedoelt: “Jezus, die band tussen U en mij kan niet bestaan. Hoe kunt U mij uitkiezen als een leerling. Gaat U maar weg, ik blijf visser. Wat een wonder heeft U laten zien, een bovennatuurlijke kracht. U bent God! Dan ben ik maar een zondige man. Ik geloofde niet dat u zoveel vissen in het net kon laten zwemmen. Ik ben het niet waard om met U verbonden te zijn. Om een volgeling van U te zijn en één te worden met uw lichaam en bloed.”

Het is opvallend dat Petrus deze woorden zegt. Voor het eerst wordt hij hier Petrus genoemd: op de belijdenis van deze rots, dat Jezus de Zoon van de levende God is, zal de kerk gebouwd zal worden. Juist deze rots noemt zichzelf niet waard om met Jezus verbonden te zijn. Als hij de macht van Jezus ziet. Het is niet vanuit onszelf dat we avondmaal vieren: hoe meer je Jezus liefde en macht ziet, hoe meer bij mij, bij u en bij jou hopelijk de vraag opkomt: Wie ben ik dat ik dat mag ontvangen, dat ik daarin mag delen. Ben ik dat wel waard, met mijn leven?

Maar dan zegt de Here Jezus. Wees niet bang. Wees niet bezorgd of angstig. Nee, Ik ga niet van je weg. Maar Ik laat mijn genade juist schitteren! Ik schakel, jou, Petrus juist in. Jij wordt heel bijzonder met Mij verbonden. Je wordt een visser van mensen, net als Johannes en Jakobus.

Zo leert Petrus de juiste grondhouding: niet vanuit zichzelf kan hij helpen om mensen aan Jezus te verbinden, om vissen te vangen. Om mensen het eeuwige leven geven, maar vanuit de kracht van God. Zoals hij niet op eigen kracht het net vol vissen kreeg, maar door een wonder van God. Niet uit eigen kracht kan Petrus, kan Paulus de netten uitgooien en mensen vertellen over de redding voor zondaren.

Niet uit uzelf kunt u leven in Gods redding en het licht laten schijnen: het is vanuit Gods genade en zijn liefde in Christus die zichtbaar wordt juist rondom de avondmaalstafel. Zijn liefde en genade deelt Hij uit aan tafel. Jezus zegt: volg Mij. Hij wil zich nu ook aan anderen verbinden. Wie, door Gods genade, voor Jezus kiest en Hem volgt, wordt met Hem verbonden. De discipelen lieten de enorme vangst van vissen achter op het strand. Daar zorgden anderen wel voor en ze luisteren, ze kwamen tot Jezus. Ga zo bij het avondmaal vandaag: vergeet de zonde, vergeet wat achter u ligt, het is vergeven en zie wat voor u ligt: de redding waarin Hij u wil doen delen tot een nieuw leven. Amen


Jesaja 40 – Wees niet bang, de morgen gloort!

december 7, 2017

Preek Heemse, 3 december 2017

 

Geliefde gemeente van onze Heer Jezus Christus,

[dia 1] Ben jij klaar om bij de kribbe te gaan staan? We gaan straks kerstfeest vieren en daar werken we deze weken van Advent naar toe. Door een bijbelleesrooster, door de kaarsen en met aandacht ervoor in de preken. Ouders van een kindje mogen negen maanden wachten: men had Jezus eeuwenlang verwacht. Eens wilde Hij dichtbij ons zijn, werd geboren in de stal. Wij verwachten nu de komst van de Here Jezus in deze wereld. God is echt mens geworden. Zijn lichaam en bloed geeft Hij voor ons. Hij wil in  ons midden zijn.

[dia 2] Maar ben je klaar om naar Hem toe te gaan? Kan het kerst worden in de duisternis van je leven? We leven in een gebroken wereld. De wereld met zoveel pijn en zonde, met kwaad en verdriet. Wanneer God verschijnt kan het zomaar zijn dat je wegduikt en je verstopt, omdat je bang bent voor deze God. Adam die eerst met God wandelde, verstopt zich, wanneer God vraagt: ‘Adam, waar ben je?’. Kaïn doet ook of hij niets weet, wanneer God vraagt: ‘Waar is je broer?’. Ben ik soms mijn broeders hoeder? En de herders duiken weg wanneer het felle licht verschijnt op Efrata’s velden en de engel moet zeggen: ‘Wees niet bang!’. Dat zegt de engel ook tegen Johannes en Maria wanneer hij aan hen verschijnt.

Vanuit ons gezien kan er soms allerlei reden zijn om angst te hebben voor God. Om weg te duiken. Er kan soms van alles in ons leven zijn, waardoor er een kloof is tussen God en ons. Adam en Eva hadden van de boom gegeten uit het midden van de hof. Kain had zijn broer vermoord. Het volk Israël had keer op keer God verlaten. Het volk was God vergeten en was zijn eigen leven gaan leiden en had God naar de achtergrond doen verdwijnen. Jesaja had steeds weer gewaarschuwd. Maar het was duidelijk: dit volk moest in ballingschap. God zou zijn volk straffen om de zonde. Terecht dat er angst is voor God.

[dia 3] Maar dan plotseling, midden in de nacht, midden in de duisternis mag het licht van kerst beginnen te schijnen. God zoekt Adam en Eva wel op en geeft zijn belofte: ik zal vijandschap zetten. Bij Jesaja klinkt “Troost”, en nog een keer “Troost, troost”. Is het dan toch waar? Wil God toch naar ons omzien en bij ons wonen? Kan ik de Heer ontmoeten?

 

Weest niet bang: de morgen gloort!

  1. Ruim op wat Jezus’ komst verstoort
  2. Vertrouw Hem op zijn woord
  3. Zorg dat je de stem van Herder hoort

 

[dia 4] 1. Ruim op wat zijn komst verstoort

Laten we even teruggaan naar de tijd van Jesaja 40. Het volk is ver weg in ballingschap gevoerd. Het volk heeft het idee dat ze niet meer in het beloofde land mogen wonen. Dat ze niet meer het volk van de Here mogen zijn. Er ligt een enorm gebied van wildernis, van woestijnen, van bergen en dalen tussen dat verre land en het beloofde land. Het lijkt wel of God hen vergeten is. Ze zijn vol van verdriet en er is afstand tot God.

Maar dan mag Jesaja roepen: troost, troost mijn volk. Die hele oude profeet, die zo vaak gewaarschuwd had, mag de mensen moed inspreken. Maar niet met een paar lege woorden. Zo van: kop op joh. Moed houden. Het valt vast wel mee. Zo kan iedereen wel helpen en troosten. Dat konden ze zelf ook wel tegen elkaar zeggen. Maar Jesaja mag echte troost bieden: troost die ergens op gebaseerd is. Die echt waar is. Troost en nieuwe moed omdat het werkelijk goed zal komen. Omdat er één is die de hoofdzaak van alle ellende aanpakt. Die de kloof wil overbruggen. God is zijn volk niet vergeten God wil het weer goed maken met zijn volk. God wil het licht in de duisternis laten schijnen. Daarom mag er troost klinken.

Jesaja vertelt ook waarom het weer goed kan komen. Er is betaald voor de schuld. Het volk is nu lang genoeg gestraft in de ballingschap. Er is dubbel betaald: dat wil zeggen dat er volkomen verzoening is gedaan voor de zonden. Het volk is genoeg gestraft, een straf die vooruit wees naar de straf die Christus voor ons gedragen heeft.

[dia 5] God zal zelf weer verschijnen. Hij gaat geweldige dingen doen. Daarvoor moet de weg gebaand. Zoals vroeger wanneer de koning zou komen de  wegen vlak gemaakt moesten worden. De kuilen eruit. De bulten geëffend. Bij asfaltwegen is dat wat minder nodig, maar bij zandwegen uit die tijd des te meer. Tegenwoordig gebeurt het ook nog vaak dat de plaats waar de koning komt op koningsdag veel stoepen opnieuw worden gelegd.

Zo zegt Jesaja: de heerlijkheid van de Here zal verschijnen. Alle volken zullen Hem zien. Het volk Israël mag terugkeren uit het verre land. Het volk mag weer in het beloofde land wonen. Baan dan de weg waarlangs God kan gaan. Zorg dan dat alle hindernissen opgeruimd zijn. De kronkelwegen recht, en de obstakels weg.

Zo stond ook Johannes de Doper later te roepen in de woestijn. Hij was maar een kleine profeet, maar hij was wel de belangrijkste in die zin dat hij Jezus met de vinger aan kon wijzen. Hij riep ook op om de weg te bereiden, om alles wat in de wegstond weg te nemen.

[dia 6] Wat staat er in jouw leven in de weg om God te ontmoeten? Waarvoor zou jij je liever verstoppen? Of wat zou je liever hebben dat de Here God niet zou zien? Wat maakt misschien dat je bang bent voor God? Er is van alles wat ons leven met de Here kan belemmeren. Misschien is het je hebzucht, waardoor je steeds meer wilt hebben en daar je geluk in probeert te vinden. Of je heerszucht, waardoor je wilt heersen en anderen maar naar jou moeten luisteren. Je jezelf belangrijk vindt waar anderen onder moeten lijden. Het kan ook je eigenwaan zijn: dat je denkt dat jij alles wel goed doet en dat anderen niet moeten zeuren. Of misschien is er bij jou vooral gebrek aan vertrouwen. Durf jij werkelijk te geloven dat je wanneer je Gods weg gaat, je in goede handen bent. Of laat jij je leiden door je lusten? Dat je je leegte en angst vooral probeert weg te stoppen door toe te geven aan allerlei verlangens? Adam en Eva hadden zich laten leiden door verlangen naar macht, doordat de vrucht mooi was. Kain had zijn broer gedood. Het volk was z’n eigen gang gegaan. Daarom werden ze bang. God zegt: maak je klaar om Mij te ontmoeten, [ook in het avondmaal.] Hoor de stem die roept in de woestijn: Effen de hoogten die zich heffen tussen de Heer en U!

 

[dia 7] 2. Vertrouw Hem op zijn woord

Terwijl God oproept om het volk te troosten: ‘Roept! Vertroost mijn volk! God zal komen.’ Kan er misschien toch een vraagteken komen. Zal God dan wel kunnen komen? Kan ik de hindernissen wel opruimen? Alles wat in de weg staat ook echt doen. Je hoort het hier ook in de tekst, want als er een stem zegt: roep! Dan klinkt er ook een stem die zegt: ‘Wat zal ik roepen?’

[dia 8] De mens is als gras! Gras dat even groeit, maar dan weer verdwijnt. Denk aan de woestijn waar soms na regen er wat gras kon groeien, maar soms ook zomaar weer weg kon zijn. Of denk aan hoe kort een bloem soms kan bloeien. Voordat je het weet is hij al weer verwelkt. En is ons mens-zijn soms niet net zo?

Als je jong bent denk je misschien dat je wel een heleboel voor elkaar kan boksen. Maar uiteindelijk zul je ook merken dat je een keer moe wordt. Als je ouder wordt merk je steeds meer de beperkingen. Kun je minder. Zul je ook steeds vaker ervan bewust zijn dat het een keer afgelopen is. Heb je verdriet over mensen om je heen die ziek zijn of mis je mensen die al overleden zijn. Inderdaad, zeg je dan … de mens is als gras, als een bloem die verwelkt. Als ik verstrikt zit in een liefdeloze relatie, als ik wacht op de liefde, maar geen partner vindt. Als je bestaan donker is door ziekte, depressie of verdriet. Waar haal ik dan de moed vandaan om door te gaan. Welke troost kan God me dan werkelijk geven, als het leven zo teer en kwetsbaar is. Kan God wel werkelijk helpen?

[dia 9] Maar dan klinkt het antwoord uit de tekst. Inderdaad, de mens is als gras, maar wat je nu te horen krijgt zijn geen mensenwoorden. Dit zijn geen woorden met lege troost, die nergens op gebaseerd is. Het is Gods Woord. Zijn woord is eeuwig. Zijn woord wil jou troosten en bemoedigen. Over dat woord staat: zijn woord houdt voor eeuwig stand. God zocht Adam en Eva op met zijn woord en zei: ik ga vijandschap zetten en het zaad van de vrouw zal overwinnen. God koos het volk van Israël uit. De mensen waren zwak en ontrouw, maar God ging verder. De maagd werd zwanger. Gods Woord kwam uit. Jezus Christus werd geboren. Een mens met lichaam en bloed, maar een mens die voor ons het eeuwige leven mogelijk maakt.

[dia 10] Wie volgende week avondmaal wil vieren, mag daarin iets proeven van het eeuwige leven. Als je het baseert op je eigen kunnen en prestaties moet je misschien wel zeggen. Kan ik dat wel? Mag ik dat wel? De mens is als gras … En je wordt misschien bang en onzeker. Maar God heeft zijn Woord gegeven. Zijn woord is een vaste grond, op zijn beloften kan je aan. Je mag leven van de vergeving. Christus is aan het kruis gestorven en zo is de kloof tussen God en mensen door Hem dicht gedicht. Wees niet bang! Zie op Jezus Christus. Hij wil je vertroosten en doen delen in zijn heil. Kracht voor vandaag, blijde hoop voor de toekomst. Vanwege Gods eeuwige beloften mag je zo tot Christus komen. Knielen voor Hem die je mee wil nemen naar het eeuwige leven!

 

[dia 11] 3. Zorg dat je de stem van Herder hoort

Onze angst om tot God te naderen kan komen door de zonde. Dat zagen we in het eerst punt. Er kan van alles in de weg staan. Laten we dat opruimen!
Onze angst om tot God te naderen kan komen omdat we ons zwak voelen. God zegt: wees niet bang. Zie op mijn woord en mijn belofte. Die zijn waar en zeker.

In vers 9-11 zie je nog een keer dat God zijn volk gaat overtuigen dat ze niet bang hoeven te zijn. Vrees niet. Roep het dan maar van de hoogste berg. Schreeuw het maar uit! Want als je nu nog niet komt, en nu nog niet weet hoe je Mij moet vinden … weet dan dat ik je zelf zal leiden en nabij zijn!

Zoals God eens Israël met een machtige arm uit Egypte heeft geleid, zo zal Hij nu zelf ook met macht zich openbaren. Zijn arm zal heersen. Zijn heil gaat voor hem uit.

[dia 12] Dan zal Hij zijn als een goede herder. Hij kent onze zwakte. Hij kent onze angst.

Maar wat doet een herder? Als een lammetje niet goed mee kan komen. Als een lammetje zwak is, dan tilt hij het op. Neem het op zijn arm. Vertroost het. Doet zijn mantel er deels omheen. Zo wil God zijn met degenen die angst voelen en onzeker zijn. Zo mogen ook de gedoopte kinderen bij de kudde horen. Hij zorgt voor de kudde. De grote schapen. De ooien, de moederschapen leidt hij veilig. Zodat ze krachtig zijn en voor de lammetjes kunnen zorgen als de moeilijke periode weer voorbij is. De Heer is je herder. Hij geeft alles wat je nodig hebt.

[dia 13] Ik hoop dat je zo steeds weer mag in vertrouwen vooruit mag zien. Jezus kent jouw leven. Er kan soms van alles zijn waardoor je vraagtekens krijgt. Soms snap je niet waar de weg heengaat. Maar wees ervan verzekerd: Hij is de goede herder. Je mag in vertrouwen aan Hem overgeven. Hij is de goede herder die zelf zwak werd, die geboren werd in Bethlehem stal, om zo ons bij de hand te kunnen nemen. Ga je mee op weg? Op weg om Hem te ontmoeten? Wees niet bang! Verberg je niet! Zijn hand wil je vellig leiden op weg naar de ontmoeting met Hem! Amen.


Gen. 19 – Kijk niet om!

november 13, 2017

Preek Heemse, 12 november 2017
Tekst: Genesis 19:26

Geliefde gemeente van onze Heer Jezus Christus,
[dia 1] Wanneer we vandaag lezen over Sodom en Gomorra, dan komt een beeld boven van een samenleving die totaal verdorven is. Volgens Oosterse gewoonte was gastvrijheid het belangrijkste wat er is. Maar wat gebeurt er? Als er twee mannen in de stad komen moet Lot hen waarschuwen: ga niet buiten slapen want dat is hier niet veilig. De mensen zullen je wat aandoen. Wat erg en wat verdrietig als dat gebeurt. Maar wanneer Lot dan de mannen in huis neemt, dan is het eigenlijk nog erger. Zelfs dan zijn ze niet veilig en willen de inwoners van Sodom, jong en oud, dat die twee mannen aan het gegeven worden zodat ze hen wat aan kunnen doen. Het gaat hier niet over homofilie in de manier waarop wij dat kennen, maar over seksueel kunnen vernederen en mishandelen. Afschuwelijk ook hoe Lot later reageert door zijn dochters aan te bieden. Gelukkig worden deze twee mannen beschermd: iedereen die het huis belaagt, wordt verblind. Niemand kan de deur meer vinden. Zo kunnen ze hun boodschap aan Lot en zijn vrouw, en dochters overbrengen: de maat is vol. God gaat Sodom en Gomorra omkeren om hun zonden en ongerechtigheid. God zal hier geen geduld meer mee hebben.

[dia 2] Wanneer we vandaag horen over onze samenleving, dan zien we ook dat het leven op veel manieren ontspoord is. En dat zegt dan niet alleen de dominee die met de bijbel in de wijst wat niet goed is naar Gods goede orde, zoals we lezen dat Lot de mensen in zijn tijd ook gewaarschuwd heeft. Deze dagen komen steeds meer mensen tot het besef dat er door mensen op belangrijke posities zomaar seksuele grenzen overschreden worden. Dat mensen te ver gegaan zijn, een grens over zijn gegaan Dat velen aangeven: ‘#metoo’, dat wil zeggen ‘ook ik ben slachtoffer geworden van grensoverschrijdend gedrag’. Of als we lezen over de Paradise papers zien we hoe velen op listige wijze proberen hun bezit te vergroten en aan de belastingen te ontsnappen. Als je zo nadenkt over onze tijd dan komt die bekende drieslag van afgoden: geld, seks en macht zomaar weer terug in allerlei manieren waarop mensen op zichzelf gericht zijn en daarmee anderen benadelen en over hun grenzen heengaan.

[dia 3] Maar wat moeten we hier nu vandaag mee? Welke les komt in het verhaal van Lot naar voren? Waarom wordt ons dit verteld in de geschiedenis van Abraham? Laten we daarop letten vanuit de les die Jezus zelf aan dit verhaal verbindt: Denk aan de vrouw van Lot! Wat kunnen we leren van deze vrouw, die wegvlucht uit de situatie dat haar stad geoordeeld wordt?
Eigenlijk weten we maar heel weinig van deze vrouw. Ze woonde in Sodom, waar Lot naar toe was getrokken. In Genesis 13 lezen we dat Lot deze plek had uitgekozen omdat dit een aantrekkelijk plek was. Het zag er uit als het paradijs, als de vruchtbare oevers van de Nijl in Egypte. Waarschijnlijk had Lot zijn vrouw hier leren kennen. Ze hadden uiterlijk dus een goed leven. Ze werden gezegend met twee dochters en ze zullen hebben genoten van de opbrengsten van het schitterende land. De dochters hebben inmiddels ook al een man gevonden, waarmee ze zouden gaan trouwen. Voor het oog dus een leven waar niet zoveel mis mee was. We lezen zelfs dat Lot in de poort zit: Hij zal een persoon van aanzien zijn geweest. Als er Instagram geweest was hadden ze waarschijnlijk gelukkige foto’s gedeeld van een leven waarin het haar samen met Lot goed gegaan zal zijn.

[dia 4] Maar dan wordt duidelijk dat de stad verwoest gaat worden. God heeft gezien dat de maat van Sodom vol is. Wanneer de engelen weggaan bij Abraham heeft Abraham hartstochtelijk voor deze stad gebeden. Hij hoopte dat de stad om een aantal rechtvaardigen gespaard zou worden. Maar dat gebeurt niet: God stemt er wel in toe dat Lot en zijn gezin gespaard zullen worden. Daarom gaan die twee engelen nog naar de stad. Ze willen Lot waarschuwen dat hij snel zijn spullen moeten pakken en moet ontkomen. Wanneer Lot zegt tegen zijn schoonzoons: We moeten vluchten! Dan nemen zij hem niet serieus. Ze lachen erom! Wat een grappenmaker! Dat zal toch niet gebeuren! Maar Lot kan zijn vrouw en dochters overtuigen dat ze weg moeten vluchten uit de stad.
Zo is de vrouw van Lot dus onderweg: God heeft zijn genade getoond. Hij laat sommigen ontkomen aan het oordeel. Zoals hij eens Noach gespaard had toen hij de zondige wereld gestraft had. Ook toen moest iedereen lachen om Noach die op het droge een boot ging bouwen. Zo geloven ze nu niet dat God werkelijk zal gaan straffen. Maar God is heel stellig; het zal gebeuren, voor de nieuwe dag aanbreekt begin Ik met mijn oordeel over Sodom en Gomorra. God wil niet dat de ongerechtigheid blijft bestaan, maar wil hen met een rechtvaardig oordeel in tijd en eeuwigheid straffen.

[dia 5] Dan zien we hier zo iets van de rechtvaardigheid van God. Maar ook van zijn barmhartigheid. Want waarom straft Hij Lot niet? Omdat God in zijn liefde naar zijn kinderen toekomt. Omdat God geluisterd heeft naar Abrahams gebed en vanwege zijn verbond, zijn verbond met Abraham Hij Lot toch ongestraft zal laten. Het is niet vanwege Lots vaste vertrouwen dat hij gered wordt, maar vanwege de barmhartigheid en liefde van de Here. Lot doet zelf ook verkeerde dingen, denk aan wat hij zegt over het aanbieden van zijn dochters. Lot is  vol twijfels. De engel moet hem vastpakken bij z’n arm om hem de stad uit te trekken. God zei dat Lot naar de spelonk in het gebergte moet vluchten, maar Lot twijfelt of hij dat wel kan halen. In plaats van dat hij op Gods woorden vertrouwt dat als God iets belooft, God dat ook zal doen en hem zal bewaren, vraagt hij of hij naar dat kleine stadje mag gaan. Naar Soar. Dat God hem daar veilig wil brengen en dat hij dan niet gestraft zal worden. Ook daarin stemt God naar zijn barmhartigheid toe. God zal zorgen dat Lot eerst die stad bereikt heeft en daarna pas Sodom en Gomorra en het hele gebied straffen.
Zo is de vrouw van Lot dus met Lot en zijn dochter onderweg naar Soar. Zo spoeden zij zich om zich in veiligheid te brengen.
[dia 6] Laten we niet denken: wat een zondige samenleving daar in Sodom, gelukkig dat wij niet zo zijn. Of: wat erg wat er gebeurt in de wereld en de samenleving, gelukkig ben ik niet zo. Want wie kent de diepte van zijn eigen hart? Wat kan daar zomaar een kwaad in groeien en een zonde gaan wonen. Een psycholoog zei: We menen vaak dat we wel verstandige, rationele beslissingen nemen, maar we laten ons vaak zomaar leiden door de dingen die we willen, in plaats van dat we er nu echt verstandig over nadenken. Van nature worden we in zonde ontvangen en geboren, en als we niet oppassen kan zomaar de duivel een voet in ons leven krijgen. Dat er op allerlei terreinen, maar ook op het gebied van seks, geld en macht de neiging tot het verkeerde aangewakkerd wordt en er kwaad gedaan wordt. Dat we jaloers en ontevreden worden. Kwaad dat God niet wil en waarmee anderen beschadigd worden. Kwaad dat God niet ongestraft wil laten.

[dia 7] En tegelijk: God geeft zijn eigen zoon, Jezus Christus. Hij heeft voor ons zijn straf willen dragen. God dacht aan zijn verbond. Aan de belofte van Abraham. God gaf een redder en we mogen nu delen in zijn genade. God dacht bij Lot en zijn gezin aan het verbond en liet Lot ontkomen. Zo mogen we vergeten wat achter ons ligt, met Christus dood in de doop gedoopt worden. Mogen de zonden met Hem te ruste gaan in het graf. En mogen we opstaan tot een nieuwe en bevrijd leven in Hem. Christus mocht vertellen over het koninkrijk. Over de nieuwe wereld die zou aanbreken. Naar zijn koninkrijk mogen we ons uitstrekken. Bidden om de komst van het koninkrijk. Niemand zal weten wanneer het komt. Het komt als een dief in de nacht. Als een bliksemschicht. Maar het zal zijn als in de tijd van Noach: iedereen eet en drink, bouwt en plant, koopt en verkoopt, trouwt, doet zijn dagelijkse dingen. Net als in de tijd van Lot. En dan plotseling zal het koninkrijk aanbreken.

[Dia 8] En dan zegt Jezus: denk aan de vrouw van Lot. Kijk dan niet achterom. Want deze vrouw was gered. Mocht delen in de genade. Maar terwijl zij zich met Lot en de dochters weghaasten uit Sodom, terwijl ze merkten dat het oordeel al ging beginnen en ze misschien spierpijn kreeg van alles wat ze mee moest dragen en ze zich haastte om te ontkomen, toen ze zo onderweg was… toen op dat moment kwam bij haar de herinnering boven aan het oude leven. Toen trok toch nog die stad, met al de mooie dingen en verrukkelijke dingen. Ook al was er zoveel zondig, ook al was er zoveel verkeerd, ze moest eraan terug denken. Zoals het volk Israël in de woestijn onderweg was en dan ook terugdacht aan Egypte: aan de vleespotten, de groenten, het goede leven daar. Zo werd ze getrokken naar de zonde.
Wat is er nu zo erg aan omkijken? Even terugkijken? Een korte blik? Het laat zien hoe haar hart gericht is op Sodom. En bovendien: wie de zonde toelaat in zijn hart. Al is het maar een klein beetje. Die zal ervaren hoe als dat zaadje geplant is, er zomaar wat kan gaan groeien. De zonde steeds groter wordt en om zich heen grijpt. Tenzij je het gelijk radicaal uitrukt en gericht wordt op God.

[dia 9] En terwijl zwavel en vuur uit de hemel daalden werd zij door God gestraft. Ze keek wel om en het zout sloeg tegen haar aan. Nog steeds zijn in dat dal, het onvruchtbare dal van de dode zee pilaren te vinden die de vorm hebben van mensen. Pilaren waarvan ze je herinneren aan die vrouw van Lot. Die daar bleef staan. Niet meer verder kwam. Omdat ze omkeek: gericht op het verleden, in plaats van gericht op het nieuwe leven, gericht op de toekomst.

Zo kun je soms zomaar naar de zonde getrokken worden. Ons geheugen is soms selectief: we vergeten de dingen die minder mooi waren en dan onthoudt je de mooie kanten. En de duivel is in staat om de dingen mooi te verpakken en te verkopen. Op zo’n manier dat we denken dat het nog wel aantrekkelijk is. Dat het leven met de zonde toch goed was. Dat we zo aan het aardse gehecht raken, dat we ons daardoor minder inzetten voor Gods rijk en voor wat Hij van ons vraagt. Zo waarschuwt Jezus om niet eerst nog iets te willen meenemen op de dag van het oordeel, niet eerst naar beneden gaan als je op de dak van het huis bent. Maar elk moment volledig op hem gericht te zijn. Vergeet dan wat achter je ligt, maar richt je op wat voor je ligt, op Jezus Christus.

[dia 10] Doe dus niet als de vrouw van Lot is dus: kijk niet achterom. Houdt niet vast aan doen zonden. Maar wat moet je wel doen: uitstrekken naar wat voor je ligt [Fil 3:13]. We leven tussen Sodom en Soar. Tussen het oordeel en de plek van redding. Laten we ons dan richten op onze redder Jezus Christus. Op zijn rijk: hier dichtbij. Dat je zijn woorden in je hart laat komen, dat je de naaste wel lief hebt, dat je grenzen wat betreft geld, macht en seksualiteit respecteert. Maar ook verder weg: dat je bidt om komst van Christus. Zijn volmaakte rijk, waar een pijn en moeite en tranen meer zullen zijn, maar waar we voor eeuwig met Hem zullen leven. Houd je zo de blik naar voren gericht? Amen


2 Petrus 3:18 – Groei in de genade (Sola gratia)

oktober 30, 2017

Preek Heemse, 29 okt 2016

Geliefde gemeente van onze Heer Jezus Christus,

[Luther] Dinsdag 500 jaar geleden spijkerde Luther zijn stellingen op die slotkapel. Luther kwam op, zoals we de laatste weken gezien hebben, voor alleen de bijbel, alleen door geloof, maar ook (en dat staat vandaag centraal) voor alleen genade, sola gratia. De mensen werden in de dagen van Luther bang gemaakt voor de hel. Luther zelf was jarenlang bang geweest en had zich afgevraagd of hij wel gered zou worden. Hij ging gebukt onder Gods straffende gerechtigheid Hij had echt zijn best gedaan: veel bidden, zichzelf slaan, slapen zonder deken, een pelgrimsreis naar Rome. Maar hij vond geen rust bij God. Hij vond geen genade. Tot hij in de bijbel las over dat je alleen door genade gered wordt, niet door werken. Het is een gave van God. Toen voelde ik dat ik helemaal herboren was en door open poorten het paradijs was binnengegaan (1519, de psalmen las). Dat is de gerechtigheid van God: Ik prees dat liefste woord gerechtigheid met een liefde waarmee ik daarvoor het begrip gerechtigheid God had gehaat.

[vandaag?] Wat heeft die boodschap van genade ons vandaag te zeggen? Daar willen we vandaag op letten. Ook met het oog op het avondmaal volgende week. Als we ons voorbereiden op het avondmaal welke plek heeft de genade dan? Besef je aan de éne kant dat ook jij, als er erge zonde in je leven zijn, als er veel gebrokenheid is, als je God niet zo belangrijk voor je is als Hij wel zou willen … dat je toch dankzij genade welkom bent aan de tafel van Jezus Christus. Is het echt alleen genade?

Maar aan de andere kant: besef je hoe groot en heilig God is, dat de aarde eens door vuur zal vergaan, dat alles aan het licht zal komen? En dat je dan niet door goedkope genade, door alleen het noemen van de naam Jezus gered kan worden? Besef je dat God niet alleen een noemen van zijn naam vraagt, maar ook werkelijk een heilig, onberispelijk en smetteloos leven?

[genade als bevrijding] Voor Paulus was genade een geweldige ontdekking. Hij was opgegroeid met de werken van de wet. De last van de wet. Hij mocht aan het Joodse volk vertellen dat ze van die last bevrijd waren. Hij hamerde er keer op keer op dat ze alleen door genade gered werden. Als God zou komen om te oordelen, zouden ze niet op hun werken, maar op hun geloof afgerekend worden.

Ook voor Luther was die genade echt een bevrijding, zoals we net zagen. Hij had ook veel angst voor de duivel en de hel. Voor het oordeel dat kwam.

Het kan ook vandaag gebeuren dat je opgroeit in een kerk, of dat nu gereformeerd is of katholiek en dat het altijd om de regeltjes is gegaan. Dat je aan allerlei verwachtingen moest voldoen. Dat je je eigenlijk nooit goed genoeg voelde voor God. Wat is het dan een bevrijding, een opluchting als je echt de goede boodschap hoort: wij kunnen niet zelf een weg naar de hemel maken, maar God kwam naar ons toe in zijn Zoon. Je hoeft niet je leven gebukt te gaan onder de vraag of je uiteindelijk toch niet eerst lang in het vagevuur moet branden, of dat je nooit van jezelf mag zeker mag zeggen of je wel een kind van God bent. We mogen leven van zijn genade. Hij heeft aan het kruis voor al onze zonden betaald. Wat een wonderlijke genade en liefde.

[goedkope genade] Maar nu kan het zomaar gebeuren dat je in de kerk opgevoed bent, en dat je steeds hoort over genade. Alles is genade! Genade wordt een soort systeem. Je zonden worden toch wel vergeven. Als er iets mis is in je leven dan vraag je toch gewoon vergeving, dan komt het toch wel goed? Ook in de brief aan de Romeinen komt die reactie naar voren: Paulus vertelt over de genade, en dan zeggen ze: moeten we dan maar doorgaan met zondigen? Hoe meer zonde, hoe meer vergeving! God vergeeft toch wel, vergeven is immers zijn beroep (pardonner c’est son métier). Ook bij Petrus lezen we over mensen die zeggen: we zien niet zoveel van God, Christus komt nog niet terug, wij volgen gewoon onze eigen begeerte. We doen wat we zelf willen.

[besef de heiligheid] Ik denk dat voor sommigen in de kerk het probleem van die goedkope genade, een grote probleem is, dan dat we niet zouden weten wat genade is. Besef je voldoende wat het betekent om tot de tafel van de Heer te komen? Besef je hoe groot en heilig God is? Petrus schrijft hier: zorg dat je straks smetteloos, heilig en in vrede wordt aangetroffen. Wil je werkelijk dat God je zo ontmoet?

Want het maakt wel degelijk uit hoe je leeft. Die mensen van toen zeiden: ik merk toch niets van Jezus. Hij is ook nog niet teruggekomen. Maar stel dat Hij terugkomt. Hoe zal hij je dan aantreffen. De aarde is al een keer door water vergaan. Straks zal de aarde door vuur vergaan. Als zal verbrand worden. Alles zal aan het licht komen. Het zal een verschrikkelijke dag zijn. De dag zal heel plotseling komen, je weet niet wanneer, hij komt als een dief in de nacht. De elementen gaan in vlammen op: dat wil zeggen, alles verdwijnt, alles wordt blootgelegd. En zegt Petrus dan: hoe heilig en vroom moet je dan niet leven.

[reactie Petrus] Toch gaat Petrus dan niet terug naar een soort werkheiligheid. Alsof je dan zelf zou moeten presteren. Hij zegt erbij: wij vertrouwen op Gods belofte. Wij zien uit naar die nieuwe hemel en nieuwe aarde. God heeft eens in het paradijs beloofd dat Hij de strijd aan zou gaan met de duivel. Hij heeft zijn Zoon gegeven. Zijn belofte staat vast. Wanner we geloven in die belofte, mogen we zeker zijn van onze redding. En even later maakt Petrus nog een keer die zelfde beweging: leef onberispelijk. Maar bedenk dat het geduld van onze Heer, uw redding is. We worden niet gered door onze werken, maar alleen uit genade. Door het geduld van onze Heer. En nog een keer maakt hij die beweging: laat je niet meeslepen op de wegen van die dwaalleraren. Laat je niet leiden door je eigen begeerte, maar groei in de genade en kennis van de Heer Jezus Christus.

[Groei gevraagd] Dat vers heb ik ook als tekst voor vanmorgen gekozen. Groeien in de genade, dat is wat we nodig hebben op weg naar de wederkomst. Ook op weg naar het Avondmaal volgende week. Misschien zeg je: in de genade kun je toch niet groeien. Het is toch alles of niets. Genade is toch een cadeau dat je krijgt. Hoe kun je nu toenemen in de genade? En toch is het die manier waarop Petrus erover schrijft. Hij koppelt eraan vast. Groei in de genade en het kennen van Christus. Wanneer je niet groeit in de genade, dan gebruik je de genade verkeerd. Dan vraag je achteraf nog even snel vergeving, dan zie je het avondmaal als en soort betaling van de zonden van de afgelopen twee maanden, dan worden die zonden achteraf vergeven. Dan leef jij je leven en dan mag God dat achteraf nog even schoonmaken, maar eigenlijk leef je zonder God. Ik heb het idee dat Petrus daar ook op doelt als hij zegt dat de woorden van Paulus verdraaid worden. Zo van: Het is toch genade, dan maak ik m’n eigen keuzes als het gaat over het huwelijk, mijn werk, mijn geld, mijn uitgaan, mijn gedrag, mijn omzien naar de naaste. En achteraf zal God het dan wel weer genadig vergeven.

[duur betaald met bloed] Maar zo moet het dus niet! Groeien in de genade en kennis van Christus, is genade die aan het begin komt. Je groeit in de kennis van Christus. Je beseft dat die genade van Christus niet goedkoop was, maar Hij wilde de straf van God over de zonden betalen om aan Gods gerechtigheid te voldoen. Hij moest als volmaakt mens op een zondige aarde rondlopen. Hij nam onze moeiten en pijn op zich, onze nood heeft hij gedragen. Hij werd geboeid, hij werd onschuldig veroordeeld. Hem werd in de olijfgaard het bloedige zweet uitgeperst. En dan begon daarna pas het lijden aan zijn lichaam. Waar wij eeuwig gestraft zouden zijn in de hel, werd Jezus gestraft aan het kruis. Spijkers door zijn polsen en voeten. Benauwd doordat Hij aan zijn armen hing. Het bloed stroomde langs het kruishout. Zo duur is er voor onze redding betaald.

[Dan groei je in de genade] Wanneer je groeit in het kennen van Jezus, besef je steeds meer wat Hij gedaan heeft. Dan zie hoe oneindig groot die genade is. Paulus beschrijft dat in Rom 6 in de beelden van de doop: we staan niet na het kruis om onze hand op te houden. Nee: we gaan in het water van de doop met hem kopje onder. We sterven aan de zonden. En we staan op om met Hem verbonden nieuw te leven. Dan word je verbonden met Jezus en bid je tot hem: overdag als je weer eten krijgt, uit genade. ’s Morgens als er weer een dag voor je ligt. ’s Avonds als je gaat slapen. Dan verlang je en zie je uit naar het avondmaal, waar je inderdaad mag geloven dat God je zonden vergeeft. Maar wat toch vooral het feest is van de verbondenheid met Christus. Dan verlang je om je leven in verbondenheid met Hem te leven. Om je leven nieuw en mooi te maken. Hoe? [Dan sta je niet met je handen in je zakken te kijken]. Nee, niet omdat je bang bent voor het oordeel, maar omdat je verlangt naar die dag dat je altijd met Hem zal leven. Mag wonen op de wereld waar gerechtigheid woont. Daar mag het avondmaal al een voorproefje van zijn! Amen.


Efeze 2 – Christus wil jouw vrede zijn!

oktober 19, 2017

Preek gehouden in Heemse, 1 oktober 2017

Tekst: Efeziërs 2:11-22

 

Geliefde gemeente van onze Here Jezus Christus,

[dia 1] Wanneer je er in de klas niet bij hoort kan dat heel lastig zijn. Er zijn kinderen die met elkaar gaan zwemmen, maar ze zorgen er expres voor dat jij dat niet weet en niet mee kan. Als ze samen gaan sporten mag je nooit bij hen in het team. Als je samen een opdracht maakt mag jij niet meedoen. In plaats van dat je het goed hebt samen, is er ruzie en afstand. Wat kan het lastig zijn als die afstand er komt binnen een familie. Dat je elkaar niet meer ziet. Dat je niet meer een bent. Dat je apart van elkaar komt te staan.

 

[dia 2] Wat in het klein kan gebeuren, kan ook in het groot gebeuren. Dat volken tegenover elkaar komen te staan. Er komt een muur tussen twee volken. Denk aan wat er gebeurt in Catalonië dat zelfstandig wil van Spanje. Op deze Israëlzondag denken we ook aan wat er met de Joden gebeurde, in de tweede wereld oorlog. Ze werden puur omdat ze joden waren, werden buiten gesloten. Aan het werk gezet in kamp Molengoot. Mochten nergens naar binnen. Er stond: voor Joden verboden. Wat is het erg als groepen worden veracht en buitengesloten! Wat heeft het Joodse volk eronder geleden. Wat is het erg als iemand wordt buitengesloten puur om wie hij is: omdat hij een andere kleur heeft, van een ander volk is.

 

Paulus schrijft over hoe Joden en niet-Joden in zijn dagen, als twee verschillende volken elkaar vaak hebben uitgesloten. God was begonnen met Israël, Israël had een speciale plaats en de niet-Joden mochten niet in de tempel komen. Als je niet Joods was kwam je op afstand te staan! Eeuwenlang waren er twee groepen. Maar, dat is de goede boodschap, wil God vrede brengen door Christus! Hij maakt ons één, Hij verzamelt ons rond zijn naam:

 

[dia 3] Christus wil jouw vrede zijn!

  1. Zonder Hem sta je op afstand (vs. 11-12)
  2. Door Hem hoor je erbij (vs. 13-18)
  3. Dan groei je samen in zijn vrede (vs. 19-22)

 

  1. Zonder Christus sta je op afstand

Wanneer Paulus schrijft over hoe je door Christus er helemaal bij hoort, wil hij de mensen in Efeze eerst weer laten beseffen hoe het was om er niet bij te horen. Om terug te denken aan de periode dat ze God nog niet kenden. Het is niet zo leuk, maar juist als je beseft wat je eerst allemaal niet had, ga je weer beseffen wat je allemaal hebt. Deze mensen uit Efeze hoorden er als niet Joden eerst helemaal niet bij:

[dia 4] Ze waren vast wel religieus. Ze vereerden goden om gelukkig, vruchtbaar of rijk te worden. Maar ze kenden niet de levende God, de schepper van hemel en aarde. Want God had zijn verbond gesloten met Abraham. Israël deelde in de belofte van Gods vrede. Omdat ze geen burgers waren van Israël hadden ze geen deel aan die vrede. Uiteindelijk was hun bestaan heel donker: ze stonden op een afstand, waren ver weg. Ze waren zonder hoop in deze wereld. Ze hadden geen uitzicht op het eeuwige leven dat God belooft, de weg naar de tempel was gebarricadeerd, ze hoorden er niet bij. Ze bleven ze eigenlijk onder Gods boosheid. Een leven zonder uitzicht, een leven om radeloos van te worden. Ze hadden geen enkel idee waar dit leven naartoe voert.

Zullen ze zich daar altijd van bewust geweest zijn? Waarschijnlijk niet! Ze zullen geleefd hebben, hun dingen gedaan hebben, hun offers gebracht hebben, gewerkt hebben en naar de Joden gekeken hebben als een apart volk, met eigen opvattingen. Een volk zonder beelden en met eigen opvattingen.

 

[dia] We leven in een tijd waarin veel mensen het idee hebben ook wel zonder God of kerk te kunnen leven. Het gaat er toch om dat je het nu goed hebt? Kijk eens hoeveel welvaart we hebben! Geniet van de dag. Iedereen mag zijn eigen opvatting of mening hebben. Respecteer elkaar en gun iedereen zijn eigen mening. Als je maar voldoende kunt genieten van het leven en het goed hebt.

Als we Paulus goed lezen dan noemt hij zo’n leven, zonder God, zonder Christus een leven zonder hoop. Er is geen vrede met God. Je hebt het misschien wel even goed, maar eigenlijk sta je buiten het heil en de vrede die God wil geven. Je leeft eigenlijk zonder doel. Je kent God niet. Het is misschien moeilijk voor te stellen, als je christelijk bent opgegroeid. Maar net zoals Paulus de mensen daar aanspoort om terug te denken aan de tijd zonder God, zouden wij daar eigenlijk ook een voorstelling van moeten maken. [Je kunt merken en ervaren dat ze vanuit het duister in het licht zijn gekomen. Misschien dat wij dat niet meer zo ervaren en daarom teveel bezig zijn met zaken die er niet echt toe doen. Het belangrijkste is dat we het evangelie aannemen en beseffen dat ook wij vanuit het duister in het licht zijn gekomen!] Stel dat je God niet kende? Stel dat je geen vergeving kreeg van de zonde? Stel dat je geen beloften zou hebben? Zou je dan niet moeten zeggen dat het leven heel leeg is. Dat je uiteindelijk leidt onder Gods toorn?

Misschien zeg je wel: kun je dat nu zeggen. Dat je, als je niet met God gaat, niet aan zijn hand gaat een leven zonder hoop hebt. Veel mensen zijn toch zo ook wel gelukkig. Zonder God is het toch ook wel prima. Hoeveel mensen kiezen er deze dag niet voor zo’n manier van leven. En bovendien: dan ben je toch lekker vrij in wat je doet. Dan bepaal je toch zelf wat je wilt? En inderdaad: vanuit de mens gezien is dat zo. Vanuit je zelf zul je misschien niet eens zo erg het probleem beseffen. Maar als je kijkt vanuit God. God die deze wereld gemaakt heeft. God die ons via deze aarde naar zijn vrede wil brengen. God die nu al vrede met hem wil geven en ons als mensen aan elkaar wil verbinden: wat is je leven leeg als je afstand neemt van zijn vrede. Van zijn gemeente. Van zijn liefde in Jezus Christus. Als je er voor kiest om op een afstand te leven.

 

[dia] 2. Door Hem hoor je erbij (vs. 13-18)

Maar wat een geweldig werk heeft Jezus gedaan. Er was een afstand tussen twee groepen. Er zat een muur tussen de Joden en de heidenen. Een muur waardoor de heidenen in de tempel niet verder konden komen dan de voorhof van de heidenen. Een slagboom die scheiding maakte tussen twee groepen. En daardoor ook een slagboom tussen God en mensen. Niet alleen letterlijk was die slagboom er. Die was er ook omdat de joden allerlei instellingen en wetten hadden. Ze hadden de besnijdenis, de tempeldienst, de offers, de spijswetten, scheiding tussen rein en niet rein, tussen Joden en niet Joden. Er waren twee aparte groepen.

[dia] Maar wat heeft Jezus gedaan? Hij heeft de muur afgebroken. Hij heeft de wetten vervuld. Hij heeft de vijandschap weggehaald. Hoe? Door de tegenstelling af te breken. Hij heeft uit die twee groepen, één nieuwe mens willen scheppen. Hij was de Messias die al zoveel eeuwen aan het Joodse volk beloofd was. Ze hadden op Hem gewacht: en toen de tijd vol was, kwam Hij als de verlosser. Een andere naam voor de messias was VREDE. Israël wachtte op de VREDE. In Christus is die vrede gekomen! Vrede voor de mensen die ver weg waren, maar ook vrede voor mensen die dichtbij waren. Een dubbele vrede!

[dia] Hoe de verhouding is tussen kerk en Israël is één van de belangrijkste vragen in de tijd van het nieuwe testament. Joden die vroeger naar de synagoge gingen en niet-Joden die er echt niet bij hoorden zitten opeens samen in een gebouw. In de bijbel (het boek handelingen en de brieven) lees je veel over die spanning. Twee dingen zijn belangrijk om in de gaten te houden: zeg nooit dat de kerk in plaats van Israël is gekomen. Nee, Christus heeft uit twee in vijandschap levenden partijen, Joden en heidenen tot één lichaam verbonden. Om te beschrijven hoe dat conflict opgelost kon worden gebruikt Paulus het woord verzoening: door verzoening komt er vrede. De partijen werden met God verzoend. Ze worden samen in het lichaam van Christus aan het kruis gebracht. Door het offer van Christus kunnen twee partijen in vrede met elkaar leven.

Het tweede dat belangrijk is, is om te zien dat Israël alleen tot die vrede kan komen door die vrede ook aan te nemen. Door te geloven in het werk van Messias Jezus. Een liefde voor het land Israël of voor het Joodse volk zonder een oproep om Messiasbelijdende Joden te worden is niet mogelijk. Maar wat is het mooi als juist Joden Jezus leren kennen. En zo God vereren.

 

[dia] Paulus heeft beschreven hoe je door Jezus tot God kan komen. Nu beschrijft hij het werk van de Heilige Geest. Die zorgt ervoor dat je het niet alleen weet, maar hij neemt je bij de hand en leidt je verder. Besef maar dat alle bordjes ‘verboden toegang’ zijn weggenomen. Geen bordjes meer voor de heidenen, geen voorhangsel in de tempel. Christus offer is genoeg. Wie jij ook bent: wat er ook gebeurd is in je leven, of je nu jood bent of niet, of je nu slecht denkt over jezelf of goed, of je jong bent of oud, man of vrouw, homo of hetero, blank of bruin, gepest bent of pestkop was, wat voor ras, taal ook. Wat voor vragen je soms ook hebt: als je bij God wil komen, en je weet niet hoe het moet: bid maar tot de Geest. Hij neemt je bij de hand. Hij helpt je om tot God te naderen.

Want dat is het hoogtepunt, het hoogste doel: de weg is open door Christus, de Geest leidt je verder, maar uiteindelijk mag je dan komen tot God. Gaan met God. Leven in zijn vrede. Delen in zijn vrede, geluk en heil. Thuis komen bij Vader.

 

[dia] 3. Dan groei je samen in zijn vrede (vs. 19-22)

Eerst gebruikt Paulus persoonlijke beelden: van vreemdelingen en bijwoners, worden we burgers en huisgenoten. Vreemdelingen waren buitenlanders die zonder rechten in een land verbleven. Bijwoners hadden iets meer rechten. Maar het bleven tweederangs burgers. Er werd op neergekeken. Ze hadden andere gewoonten. Zo waren de niet Joden voor het Joodse volk geweest. Al kwam Naäman naar Israël toe, mocht de Kanaänitische vrouw wat van de kruimels mee-eten. Ze bleven vreemdelingen. Maar nu mogen ze burgers in volle rechten worden. Zoals Psalm 87 zingt: de Filistijnen, Tyriërs en moren zullen uiteindelijk allemaal mogen zeggen: wij zijn hier geboren. [dia] En dan gaat Paulus nog verder: de mensen zijn huisgenoten geworden. Familie! Een familie kenmerkt zich door intimiteit. Door vertrouwelijkheid. Samen mag je als broers en zussen met elkaar verbonden zijn. Dat is ook vandaag de kracht van het kruis van Christus. Er kunnen in de kerk zomaar verschillende meningen en groepen ontstaan. [Pieter: Wat belangrijker is: dat we samen in de Kandelaarkerk een huisgezin willen zijn en dat we daar een christelijke opvoeding in willen, en leren om, zo goed als we kunnen, trouwe volgers van onze Heer Jezus Christus te worden.] Je kunt je eigen accenten hebben als christen. Maar wie open met elkaar praat, wie luistert naar elkaar, mag elkaar aanvaarden. Dan mag je samen eten: wat geweldig hoe dat gebeurde tijdens het gemeente project. Dan mag je delen: je huis openstellen, een luisterend oor bieden: oog hebben voor elkaar. Werkelijk er voor elkaar zijn.

[dia] Door het verzoenende werk van Christus wordt je aan elkaar verbonden. Van de warme beelden van mensen, gaat Paulus dan naar de kerk kijken als een bouwwerk. We zijn een tempel, op het fundament van de apostelen en profeten en Christus als hoeksteen. Er is geen tempel meer nodig in Jeruzalem. Wij mogen samen Gods tempel vormen. Het fundament is belangrijk: de woorden van profeten en priesters moeten niet vergeten worden. Dat fundament is gericht op die éne belangrijkste hoeksteen Jezus Christus en daar mogen we steeds ook weer op gericht zijn. Dan kun je samen werken: ook in de wijken, ook in je eigen leven om opgebouwd te worden in Christus. Doordat er nu geen tegenstelling meer is, maar eenheid in Christus ga je steeds meer samen groeien.

[dia] Enfin, toen God tussen zijn volk wilde wonen gaf hij in de woestijn aan Mozes een voorbeeld van de tabernakel. Gebouwd naar hemels voorbeeld. Met hout en kleden. Later mocht Salomo de tempel bouwen. God ging zijn weg met het volk. Nu krijgen we geen voorbeeld uit de hemel hoe we de kerk en gemeente moeten bouwen: maar we mogen in de brief van Paulus een voorbeeld lezen. Luister naar zijn woorden, kijk naar dat voorbeeld, neem de oproep ter harte om jezelf als levende steen in te laten voegen in dat bouwwerk: het gaat om jezelf. Jezus geeft een plek aan jou, je mag delen in zijn vrede: laten we dan ook elkaar, ook die ander die zo anders is, in liefde in de armen sluiten, niemand buiten sluiten, maar samen bouwen op het fundament van Jezus Christus. In je wijk. Rondom de kerkdienst. Op de vereniging op bijbelstudie. Door zijn Geest. Tot eer van de levende God. Amen